Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-03-17
ECLI:NL:CBB:2025:225
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
689 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1267
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2025
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: mr. A.A. Dijk
Partijen
[naam 1]
, te [woonplaats] (onderneming), waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. P. van Veen
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen zes weken na verzending van dit proces-verbaal een nieuw besluit te nemen op het bezwaar;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de ondernemer te vergoeden.
Overwegingen
De onderneming heeft op bij brief van 7 april 2023 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister 23 maart 2022 (bestreden besluit). Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen de intrekking van de eerder verleende subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2020 ongegrond verklaard. Het beroepschrift is ruim tien maanden te laat ingediend.
De onderneming voert aan dat zij ten tijde van het bestreden besluit ook al beroep had ingesteld bij het College tegen een beslissing op bezwaar over het eerste kwartaal (Q1) van 2021. Zij heeft toen uitgebreid telefonisch contact gehad met een medewerker van de afdeling TVL Herstel. Deze ambtenaar gaf aan dat het weinig zin zou hebben om Q4 van 2020 ook aan het College voor te leggen, omdat de uitkomst van de procedure over Q1 van 2021 ook gevolgen zou hebben voor de beslissing over Q4 van 2020. Daaruit heeft de onderneming afgeleid dat zij geen beroep hoefde in te stellen.
Het College oordeelt dat voldoende aannemelijk is geworden dat de onderneming door de uitlatingen van de medewerker van de minister in de veronderstelling verkeerde dat zij geen beroep hoefde in te stellen. Daarom vindt het College de termijnoverschrijding verschoonbaar. Het beroep is daarom ontvankelijk. Omdat de minister tijdens de zitting heeft aangegeven het bestreden besluit niet te handhaven, verklaart het College het beroep gegrond en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk