Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-03-25
ECLI:NL:CBB:2025:198
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,416 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/221
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2025 op de verzetten van
[naam 1] B.V., te [woonplaats 1] ,
[naam 2] B.V., te [woonplaats 1] ,
[naam 3] B.V., te [woonplaats 1] ,
[naam 4]
, te [woonplaats 1] ,
[naam 5]
, te [woonplaats 2] ,
(de ondernemingen)
(gemachtigde: [naam 6] )
en
de minister van Klimaat en Groene Groei
(gemachtigden: J. Wols en M. Werner)
Procesverloop
De ondernemingen en de minister hebben verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, van 30 april 2024.
De zitting was op 24 februari 2025. De gemachtigden hebben aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 30 april 2024 heeft het College het beroep van de ondernemingen tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. Het College heeft de minister daarbij opgedragen om binnen twee weken alsnog besluiten te nemen op de aanvragen op grond van de Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming blokaansluitingen (TTB) en bepaald dat de minister aan de ondernemingen een dwangsom verbeurt per bulkaanvraag voor elke dag waarmee hij de gestelde termijn overschrijdt. Het College heeft verder de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom vastgesteld op (in totaal) € 2.884,-.
2 De minister heeft binnen de door het College gestelde termijn alsnog besluiten op aanvraag genomen.
3 De minister heeft zowel in het verweerschrift in beroep als in het verzetschrift betoogd dat geen sprake is geweest van niet tijdig beslissen. Hij heeft daartoe gesteld dat hij de beslistermijn vóór het verstrijken ervan heeft verlengd en vervolgens binnen de verlengde beslistermijn heeft beslist. Het beroep was daarom volgende de minister ten onrechte gegrond verklaard en voor het opleggen en het vaststellen van dwangsommen bestond daarmee geen grond. Op de zitting heeft de minister het standpunt verlaten dat de beslistermijn vóór het verstrijken ervan is verlengd.
4 Het gewijzigde standpunt van de minister brengt mee dat hij niet langer vindt dat het College met de uitspraak van 30 april 2024 onjuist heeft beslist. Hiermee is het procesbelang van de minister bij het verzet vervallen. Het College zal daarom het verzet van de minister niet-ontvankelijk verklaren.
5 De ondernemingen hebben in verzet betoogd dat het College met de uitspraak van 30 januari 2024 ten onrechte heeft vastgesteld dat dwangsommen als bedoeld in afdeling 4.1.3 van de Awb zijn verbeurd per bulkaanvraag. Een bulkaanvraag is een bundeling van aanvragen om individuele beschikkingen. Omdat elk van de 48 aanvragen in deze twee bulkaanvragen een eigen datum heeft waarop de desbetreffende beschikking is afgegeven, zou de hoogte van de verschuldigde dwangsom berekend moeten worden op basis van 48 individuele beschikkingen en daarmee uitkomen op in totaal € 64.937,-.
6.1
De regelgever heeft de TTB in het leven geroepen om tegemoet te komen aan huishoudens die een blokaansluiting hebben en niet of onvoldoende gebruik hebben kunnen maken van het in 2023 ingestelde prijsplafond, terwijl zij wel geraakt werden door de hoge energieprijzen. Individuele bewoners met een blokaansluiting verkregen de tegemoetkoming via hun contracthouder, zodat zij niet zelf subsidie zouden hoeven aanvragen. Per wooneenheid en blokaansluiting zijn forfaitaire bedragen vastgesteld om de regeling uitvoerbaar te maken. Degene die meer dan tien TTB-aanvragen deed, kon hiervoor de zogenaamde bulkroute gebruiken. Eén bulkaanvraag moest ten minste bestaan uit gegevens over de subsidieaanvrager, de blokaansluiting en de wooneenheden.
6.2
Het College is van oordeel dat, gelet op het stelsel van de TTB, een redelijke uitleg van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb meebrengt dat een bulkaanvraag moet worden aangemerkt als één TTB-aanvraag. Dat betekent dat het College met de uitspraak van 30 april 2024 de voor de twee betrokken bulkaanvragen verschuldigde dwangsommen op de juiste wijze heeft bepaald. Het verzet van de ondernemingen zal daarom ongegrond worden verklaard.
7 Het College overweegt, ten overvloede, nog het volgende. In de uitspraak van 30 april 2024 is de minister veroordeeld in de proceskosten van de ondernemingen voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat is, achteraf bezien, ten onrechte. Op de zitting is gebleken dat de gemachtigde van de ondernemingen noch jurist noch rechtsbijstandsverlener is, maar als medewerker van een energiemaatschappij optreedt als commercieel intermediair voor subsidieaanvragers. In de voorliggende zaken heeft de minister de proceskostenveroordeling niet bestreden, zodat deze buiten de omvang van het geding in verzet valt.
Dictum
Het College:
verklaart het verzet van de minister niet-ontvankelijk;
verklaart het verzet van de ondernemingen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. R.W.L. Koopmans en mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2025
w.g. T.G.M. Simons w.g. J.R. Willemstein