Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-03-11
ECLI:NL:CBB:2025:160
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
921 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1524
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2025 op het verzet van
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 19 november 2024.
De zitting was op 20 februari 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] en [naam 3] , namens de onderneming, en mr. drs. G.O. Hoeksma en C. Zieleman, gemachtigden van de minister van Economische Zaken.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 19 november 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:824) heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 31 mei 2023 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat de aanvragen voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 2021 en het eerste kwartaal van 2022 niet voldoen aan het in de TVL gestelde vereiste dat indien het subsidiebedrag € 125.000,- of meer bedraagt, de aanvragen voorzien moeten zijn van een accountantsproduct.
2 De onderneming heeft in verzet aangevoerd dat er nieuwe ontwikkelingen zijn over de accountantscontrole voor de tijdelijke noodmaatregel overbrugging werkgelegenheid (NOW). Er wordt gezocht naar een oplossing voor het aanleveren van een door een accountant opgestelde bijzondere verklaring die in de plaats komt van de op grond van de NOW vereiste accountantsverklaring. Zodra het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) akkoord is gegaan met deze oplossing, wil de onderneming eenzelfde maatwerkoplossing bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aandragen om tot een gelijksoortige oplossing te kunnen komen voor de aanvragen op grond van de TVL. Bij zowel de aanvragen op grond van de NOW als voor de aanvragen op grond van de TVL doet zich hetzelfde probleem voor, namelijk dat de door de onderneming ingeschakelde accountants geen accountantsverklaring of accountantsproduct op concernniveau kunnen afgeven doordat er op het moment van de aanvraag onvoldoende gegevens beschikbaar waren voor de vereiste controleprotocollen van één van de entiteiten binnen het concern.
3 Het College overweegt dat de onderneming niet het op grond van de TVL vereiste accountantsproduct heeft overgelegd, terwijl de minister daar wel – meerdere keren – om heeft gevraagd. Op de zitting van 20 februari 2025 is niet gebleken dat de onderneming het gevraagde accountantsproduct binnen afzienbare tijd aan de minister kan verstrekken. Dat de onderneming voor aanvragen op grond van de NOW met het UWV in gesprek is over het aanleveren van een bijzondere verklaring van de accountant in plaats van de op grond van de NOW vereiste accountantsverklaring, levert de onderneming in haar zaak niets op. De NOW is namelijk een andere regeling met gedeeltelijk andere vereisten voor de toekenning van een subsidie. De conclusie is dat de uitspraak van 19 november 2024 juist is. Het verzet is daarom ongegrond. Dit betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. C.D.V. Efstratiades, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. C.D.V. Efstratiades