Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-03-04
ECLI:NL:CBB:2025:139
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,633 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/1508
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2025 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. J. de Graaf)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. P. van Veen, mr. S.M. Piron en C. Zieleman)
Procesverloop
Met het besluit van 21 augustus 2020 (subsidiebesluit) is aan de onderneming op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor de periode juni tot en met september 2020 een subsidie verleend van € 8.582,52.
Met het besluit van 7 juni 2021 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor deze periode vastgesteld op € 7.965,03.
Op 23 juli 2021 heeft de onderneming verzocht om herziening van het subsidiebesluit.
Met het besluit van 13 januari 2022 heeft de minister het herzieningsverzoek afgewezen.
Met het besluit van 2 juni 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 25 november 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en de gemachtigde namens de onderneming, en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Inleiding
1.1
Bij het subsidiebesluit en het vaststellingsbesluit is de minister uitgegaan van de SBI-code 46.34 wat betreft de hoofdactiviteit van de onderneming. De onderneming vindt de SBI-code 56.30 echter beter passen bij haar activiteiten. Het bezwaar van de onderneming tegen het subsidiebesluit is niet-ontvankelijk verklaard vanwege de te late indiening van het bezwaarschrift. Het hiertegen ingestelde beroep heeft de onderneming ingetrokken. De onderneming heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het vaststellingsbesluit.
1.2
De onderneming heeft tegen de vaststelling van haar TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2021 (Q1 2021) wel bezwaar gemaakt. Zij heeft naar voren gebracht dat de minister ten onrechte uitgaat van SBI-code 46.34 en haar hoofdactiviteit onder SBI-code 56.30 valt. De onderneming heeft met deze SBI-code recht op een hogere subsidie. In deze bezwaarprocedure heeft de minister het bezwaar van de onderneming gegrond verklaard en de subsidie hoger vastgesteld op basis van SBI-code 56.30. Vanaf het tweede kwartaal van 2021 heeft de minister ook deze laatste SBI-code toegepast. De onderneming heeft naar aanleiding van de uitkomst van deze bezwaarprocedure om herziening van het subsidiebesluit voor de maanden juni tot en met september 2020 verzocht. De onderneming heeft ook om herziening verzocht van de vaststelling van de TVL subsidie voor het vierde kwartaal van 2020 (Q4 2020) en de minister heeft dat verzoek gehonoreerd in overeenstemming met de categorale uitzondering die hij maakt voor dit kwartaal.
1.3
Het College heeft deze zaak behandeld samen met 23 andere zaken over herzieningsverzoeken, verspreid over twee zittingsdagen. Daarbij heeft het College aandacht besteed aan de individuele omstandigheden in elke zaak, maar ook aan het beleid van de minister ten aanzien van herzieningsverzoeken over besluiten op grond van de TVL zoals dit uiteengezet is in het verweerschrift. In zijn uitspraak van 4 maart 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:71, onder 2.1 tot en met 3.4) heeft het College uiteengezet wat de stand van de rechtspraak is over besluiten over herzieningsverzoeken, hoe de minister die rechtspraak heeft toegepast en hoe het College herzieningsverzoeken over besluiten op grond van de TVL beoordeelt. Voor die algemene overwegingen verwijst het College naar die uitspraak. In deze uitspraak beantwoordt het College alleen nog de vraag of de minister het herzieningsverzoek van de onderneming op goede gronden heeft afgewezen.
Oordeel van het College
2.1
De onderneming heeft aan haar herzieningsverzoek ten grondslag gelegd dat, nu met de juiste SBI-code een hogere subsidie is vastgesteld voor Q1 2021 en na herziening ook voor Q4 2020, ook meer subsidie voor de periode juni tot en met september 2020 moet worden verleend. Het subsidiebesluit is immers gebaseerd op een onjuiste SBI-code. Een gewijzigd standpunt in een ander kwartaal is echter geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid (vergelijk de onder 1.3 genoemde uitspraak van het College van 4 maart 2025, onder 3.3). Dat betekent dat het standpunt van de minister dat de onderneming aan haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan de afwijzing van het verzoek om terug te komen op een in rechte onaantastbaar besluit in beginsel dragen. Dat is slechts anders als het besluit om niet terug te komen van dat eerdere besluit evident onredelijk is.
2.2
De onderneming heeft aangevoerd dat het besluit om het subsidiebesluit niet te herzien evident onredelijk is omdat dit nadelige financiële gevolgen voor de onderneming heeft en uit de bezwaarprocedure over Q1 2021 en de herziening van Q4 2020 volgt dat zij recht heeft op een hogere subsidie. Onder verwijzing naar 3.4 van zijn uitspraak van 4 maart 2025 oordeelt het College dat dit geen bijzondere feiten of omstandigheden zijn die maken dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Daarbij is van belang dat de onderneming de mogelijkheid heeft gehad om tegen het subsidiebesluit en tegen het vaststellingsbesluit rechtsmiddelen aan te wenden. Dat heeft zij tegen het subsidiebesluit te laat gedaan en tegen het vaststellingsbesluit niet gedaan. De minister heeft het herzieningsverzoek van de onderneming terecht afgewezen.
3 Het beroep is ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. B. Bastein en mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A. Verhoeven