Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-03-04
ECLI:NL:CBB:2025:137
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,344 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1603
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2025 in de zaak tussen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. P. van Veen, mr. S.M. Piron en C. Zieleman)
Procesverloop
Met het besluit van 30 november 2021 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de ondernemer voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het derde kwartaal (Q3) 2021 afgewezen.
Op 27 november 2022 heeft de ondernemer verzocht om herziening van het afwijzingsbesluit.
Met het besluit van 17 februari 2023 heeft de minister het herzieningsverzoek afgewezen.
Met het besluit van 27 juni 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de enkelvoudige zitting van 24 juni 2024. Het onderzoek is vervolgens heropend en de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.
De zitting was op 25 november 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 4] , vergezeld door [naam 4] en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Inleiding
1.1
De minister heeft bij het bepalen van het omzetverlies niet de door de ondernemer gedane kwartaalsuppletie voor de referentieperiode Q3 2019 meegenomen. De minister kwam daarom tot de conclusie dat de ondernemer niet voldeed aan de voorwaarden voor een TVL-subsidie en heeft de aanvraag afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar van de ondernemer is door de minister ongegrond verklaard. De ondernemer heeft hiertegen geen beroep ingesteld.
1.2
De ondernemer heeft verzocht om herziening van het afwijzingsbesluit, omdat hij bij zijn aanvraag alle benodigde gegevens, waaronder een kwartaalsuppletie heeft ingediend en op basis daarvan duidelijk is dat hij in aanmerking komt voor een TVL-subsidie.
1.3
Het College heeft deze zaak behandeld samen met 23 andere zaken over herzieningsverzoeken, verspreid over twee zittingsdagen. Daarbij heeft het College aandacht besteed aan de individuele omstandigheden in elke zaak, maar ook aan het beleid van de minister ten aanzien van herzieningsverzoeken over besluiten op grond van de TVL zoals dit uiteengezet is in het verweerschrift. In zijn uitspraak van 4 maart 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:71, onder 2.1 tot en met 3.4) heeft het College uiteengezet wat de stand van de rechtspraak is over besluiten over herzieningsverzoeken, hoe de minister die rechtspraak heeft toegepast en hoe het College herzieningsverzoeken over besluiten op grond van de TVL beoordeelt. Voor die algemene overwegingen verwijst het College naar die uitspraak. In deze uitspraak beantwoordt het College alleen nog de vraag of de minister het herzieningsverzoek van de onderneming op goede gronden heeft afgewezen.
Oordeel van het College
2.1
De ondernemer heeft aan zijn herzieningsverzoek ten grondslag gelegd dat omdat uit de door hem ingeleverde gegevens volgt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor een TVL-subsidie, het afwijzingsbesluit moet worden herzien. Dat is echter geen nieuw feit of veranderde omstandigheid (vergelijk de onder 1.3 genoemde uitspraak van het College van 4 maart 2025, onder 3.3). Dat betekent dat het standpunt van de minister dat de ondernemer aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan de afwijzing van het verzoek om terug te komen op een in rechte onaantastbaar besluit in beginsel dragen. Dat is slechts anders als het besluit om niet terug te komen van dat eerdere besluit evident onredelijk is.
2.2
De minister heeft weliswaar aangegeven dat het afwijzingsbesluit achteraf bezien onjuist is, omdat hij gelet op de latere uitspraak van het College van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:491) uit had moeten gaan van de juistheid van de kwartaalsuppletie, maar dat maakt op zichzelf nog niet dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Daarbij is van belang dat de ondernemer de mogelijkheid heeft gehad om tegen het afwijzingsbesluit rechtsmiddelen aan te wenden en daarbij de (on)juistheid van het door de minister bepaalde omzetverlies naar voren te brengen. Dat heeft hij niet volledig gedaan. De minister heeft het herzieningsverzoek van de ondernemer terecht afgewezen.
3 Het beroep is ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. B. Bastein en mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A. Verhoeven