Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2025-02-06
ECLI:NL:CBB:2025:117
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
515 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1121
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2025
Rechter: mr. W.J.A.M. van Brussel
Griffier: mr. C.D.V. Efstratiades
Partijen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] ,
te [plaats] (ondernemer), waarvoor aanwezig is [naam 1]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. J.W.P. van Oosten
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 27 augustus 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:592) heeft het College het beroep van de ondernemer tegen het besluit van de minister van 13 maart 2023 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 terecht op € 3.851,75,- heeft vastgesteld. Het College oordeelde dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat de accountant de jaaromzet in de aangifte omzetbelasting over Q4 van 2021 heeft opgegeven, komt voor rekening van de ondernemer.
2. De ondernemer voert aan dat de minister twee bedrijfsauto’s die in het derde kwartaal (Q3) van 2021 zijn verkocht, maar over Q4 van 2021 in de aangifte omzetbelasting zijn opgegeven, in mindering had moeten brengen op de omzet van Q4 van 2021.
3. Het College overweegt dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting over Q4 van 2021 blijkt. Dat deze opgegeven omzet voor een deel bestaat uit de verkoop van bedrijfsauto’s in Q3 van 2021, doet hier niet aan af. De ondernemer heeft de aangifte omzetbelasting over Q4 van 2021 namelijk niet aangepast. Het verzet is ongegrond.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. C.D.V. Efstratiades