Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-11-05
ECLI:NL:CBB:2024:892
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
379 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/1798, 23/1799, 23/1800 en 23/1801
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. A.A. Dijk
Partijen
[naam 1]
, handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (de ondernemer), voor wie aanwezig is [naam 3]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. drs. G.O. Hoeksma en A.M.D. Dijkstra
Overwegingen
De ondernemer vindt dat hij recht heeft op dwangsommen, omdat de minister te laat op zijn bezwaren heeft beslist. Het College oordeelt dat de beslissingen weliswaar te laat zijn genomen, maar dat de minister geen dwangsommen hoeft te betalen. De minister heeft de bezwaren kennelijk ongegrond verklaard en uit de wet volgt dat er in dat geval geen dwangsom verschuldigd is (artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 7:14 van de Algemene wet bestuursrecht).
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De drie besluiten waar de ondernemer naar verwijst zijn niet vergelijkbaar met deze zaak.
De beroepen zijn ongegrond.
w.g. B. Bastein w.g. A.A. Dijk