Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-12-03
ECLI:NL:CBB:2024:868
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,570 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/703
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 3 december 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. E.T. de Jong)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 24 december 2021 heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 5.014,99,-.
Met het besluit van 30 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie voor Q1 van 2021 vastgesteld op € 5.014,99,-. Bij de berekening van de hoogte van de subsidie is de minister uitgegaan van het percentage vaste lasten (18) dat hoort bij de Standaard Bedrijfsindeling (SBI)-code 85.52.1 (Dansscholen).
3 De onderneming voert aan dat het gebruik van een percentage vaste lasten op basis van de SBI-code in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De minister is in het bestreden besluit niet inhoudelijk op dit punt ingegaan. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende onderbouwd en genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Als toch gebruik moet worden gemaakt van SBI-codes, stelt de onderneming dat de SBI-code 93 (Sport en recreatie) beter past bij haar bedrijfsactiviteiten dan de door de minister gehanteerde SBI-code 85.52.1. De minister had de hoogte van de subsidie daarom moeten berekenen aan de hand van het percentage dat bij de SBI-code 93 hoort (34).
4.1
Het College heeft in de uitspraak van 23 mei 2023 in de zaak van de onderneming over Q4 van 2020 (ECLI:NL:CBB:2023:247, onder 5.1 tot en met 5.3) geoordeeld dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. In de hier voorliggende zaak heeft de onderneming vergelijkbare beroepsgronden aangevoerd. Het College ziet geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Het bestreden besluit bevat ook geen motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. De minister heeft in dat besluit voldoende gemotiveerd gereageerd op de kernpunten uit het bezwaarschrift.
4.2
Op grond van artikel 2.2.1, vijfde lid, van de TVL is bij het bepalen van de te hanteren SBI-code van belang welke hoofdactiviteit de onderneming op 15 maart 2020 feitelijk uitvoerde. De door de onderneming gewenste SBI-code 93 komt niet overeen met de feitelijke hoofdactiviteit van de onderneming. De SBI-code 93 ziet op de hoofdcategorie ‘Sport en recreatie’. Daaronder vallen onder meer de subcategorieën sportaccommodaties en fitnesscentra, maar ook sportvelden, tennis en atletiek. De toegepaste SBI-code 85.52.1 (Dansscholen) omvat volgens de toelichting ‘geven van onderwijs op het gebied van dans aan niet-professionele beoefenaars’ en ‘zelfstandige dansleraren’. Het College stelt op basis van de activiteiten die door de onderneming zijn opgenomen in de jaarrekening en de omschrijving van de activiteiten in het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel vast dat de onderneming een dansschool is. De SBI-code 85.52.1 pas daarom beter bij haar feitelijke activiteiten dan de SBI-code 93. De minister is bij de berekening van de hoogte van de subsidie dus terecht uitgegaan van de SBI-code 85.52.1 en het daarbij behorende percentage vaste lasten van 18.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2024.
w.g. B. Bastein w.g. I.E. van de Geest
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/703
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 3 december 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. E.T. de Jong)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 24 december 2021 heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 5.014,99,-.
Met het besluit van 30 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie voor Q1 van 2021 vastgesteld op € 5.014,99,-. Bij de berekening van de hoogte van de subsidie is de minister uitgegaan van het percentage vaste lasten (18) dat hoort bij de Standaard Bedrijfsindeling (SBI)-code 85.52.1 (Dansscholen).
3 De onderneming voert aan dat het gebruik van een percentage vaste lasten op basis van de SBI-code in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De minister is in het bestreden besluit niet inhoudelijk op dit punt ingegaan. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende onderbouwd en genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Als toch gebruik moet worden gemaakt van SBI-codes, stelt de onderneming dat de SBI-code 93 (Sport en recreatie) beter past bij haar bedrijfsactiviteiten dan de door de minister gehanteerde SBI-code 85.52.1. De minister had de hoogte van de subsidie daarom moeten berekenen aan de hand van het percentage dat bij de SBI-code 93 hoort (34).
4.1
Het College heeft in de uitspraak van 23 mei 2023 in de zaak van de onderneming over Q4 van 2020 (ECLI:NL:CBB:2023:247, onder 5.1 tot en met 5.3) geoordeeld dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. In de hier voorliggende zaak heeft de onderneming vergelijkbare beroepsgronden aangevoerd. Het College ziet geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Het bestreden besluit bevat ook geen motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. De minister heeft in dat besluit voldoende gemotiveerd gereageerd op de kernpunten uit het bezwaarschrift.
4.2
Op grond van artikel 2.2.1, vijfde lid, van de TVL is bij het bepalen van de te hanteren SBI-code van belang welke hoofdactiviteit de onderneming op 15 maart 2020 feitelijk uitvoerde. De door de onderneming gewenste SBI-code 93 komt niet overeen met de feitelijke hoofdactiviteit van de onderneming. De SBI-code 93 ziet op de hoofdcategorie ‘Sport en recreatie’. Daaronder vallen onder meer de subcategorieën sportaccommodaties en fitnesscentra, maar ook sportvelden, tennis en atletiek. De toegepaste SBI-code 85.52.1 (Dansscholen) omvat volgens de toelichting ‘geven van onderwijs op het gebied van dans aan niet-professionele beoefenaars’ en ‘zelfstandige dansleraren’. Het College stelt op basis van de activiteiten die door de onderneming zijn opgenomen in de jaarrekening en de omschrijving van de activiteiten in het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel vast dat de onderneming een dansschool is. De SBI-code 85.52.1 pas daarom beter bij haar feitelijke activiteiten dan de SBI-code 93. De minister is bij de berekening van de hoogte van de subsidie dus terecht uitgegaan van de SBI-code 85.52.1 en het daarbij behorende percentage vaste lasten van 18.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2024.
w.g. B. Bastein w.g. I.E. van de Geest
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.