Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-10-14
ECLI:NL:CBB:2024:771
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
1,542 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/915
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2024
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1] B.V. te [plaats] (onderneming) waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu
Overwegingen
1. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat het besluit waar het beroep zich tegen richt is verzonden op maandag 6 februari 2023. De laatste dag van de beroepstermijn viel op maandag 20 maart 2023. Het beroepschrift is op 28 maart 2023 door het College ontvangen. Het beroepschrift is dus te laat ingediend.
2 De onderneming heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De tenaamstelling op het besluit was niet juist. De juiste naam is [naam 2] en niet [naam 3] . Het besluit is daardoor pas op 21 februari 2023 ontvangen. Bovendien was het besluit niet aangetekend verstuurd. Verder was zijn cliënt in die tijd overspannen. De gemachtigde kon daardoor geen beroepschrift indienen.
3 Het College is van oordeel dat het niet binnen de termijn indienen van het beroepschrift aan de onderneming kan worden toegerekend. Het College stelt vast dat op het besluit het adres van het kantoor van de gemachtigde is vermeld. Het besluit is dus naar het juiste adres verzonden. Voor zover al moet worden aangenomen dat de gemachtigde het besluit op 21 februari 2023 heeft ontvangen, had hij nog steeds een kleine vier weken de gelegenheid om tijdig een (pro forma) beroepschrift in te dienen. Tot slot is de minister niet wettelijk verplicht een besluit aangetekend te verzenden.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. P.M. Beishuizen
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/915
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2024
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1] B.V. te [plaats] (onderneming) waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu
Overwegingen
1. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat het besluit waar het beroep zich tegen richt is verzonden op maandag 6 februari 2023. De laatste dag van de beroepstermijn viel op maandag 20 maart 2023. Het beroepschrift is op 28 maart 2023 door het College ontvangen. Het beroepschrift is dus te laat ingediend.
2 De onderneming heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De tenaamstelling op het besluit was niet juist. De juiste naam is [naam 2] en niet [naam 3] . Het besluit is daardoor pas op 21 februari 2023 ontvangen. Bovendien was het besluit niet aangetekend verstuurd. Verder was zijn cliënt in die tijd overspannen. De gemachtigde kon daardoor geen beroepschrift indienen.
3 Het College is van oordeel dat het niet binnen de termijn indienen van het beroepschrift aan de onderneming kan worden toegerekend. Het College stelt vast dat op het besluit het adres van het kantoor van de gemachtigde is vermeld. Het besluit is dus naar het juiste adres verzonden. Voor zover al moet worden aangenomen dat de gemachtigde het besluit op 21 februari 2023 heeft ontvangen, had hij nog steeds een kleine vier weken de gelegenheid om tijdig een (pro forma) beroepschrift in te dienen. Tot slot is de minister niet wettelijk verplicht een besluit aangetekend te verzenden.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. P.M. Beishuizen
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/915
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2024
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1] B.V. te [plaats] (onderneming) waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu
Overwegingen
1. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat het besluit waar het beroep zich tegen richt is verzonden op maandag 6 februari 2023. De laatste dag van de beroepstermijn viel op maandag 20 maart 2023. Het beroepschrift is op 28 maart 2023 door het College ontvangen. Het beroepschrift is dus te laat ingediend.
2 De onderneming heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De tenaamstelling op het besluit was niet juist. De juiste naam is [naam 2] en niet [naam 3] . Het besluit is daardoor pas op 21 februari 2023 ontvangen. Bovendien was het besluit niet aangetekend verstuurd. Verder was zijn cliënt in die tijd overspannen. De gemachtigde kon daardoor geen beroepschrift indienen.
3 Het College is van oordeel dat het niet binnen de termijn indienen van het beroepschrift aan de onderneming kan worden toegerekend. Het College stelt vast dat op het besluit het adres van het kantoor van de gemachtigde is vermeld. Het besluit is dus naar het juiste adres verzonden. Voor zover al moet worden aangenomen dat de gemachtigde het besluit op 21 februari 2023 heeft ontvangen, had hij nog steeds een kleine vier weken de gelegenheid om tijdig een (pro forma) beroepschrift in te dienen. Tot slot is de minister niet wettelijk verplicht een besluit aangetekend te verzenden.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. P.M. Beishuizen