Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-10-14
ECLI:NL:CBB:2024:770
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
1,608 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1567
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2024
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1] B.V. te [plaats] (de onderneming) waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu
Overwegingen
1. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat het besluit waar het beroep zich tegen richt is verzonden op vrijdag 14 april 2023. De laatste dag van de beroepstermijn viel op vrijdag 26 mei 2023. Het beroepschrift is op 13 juli 2023 door het College ontvangen. Het beroepschrift is dus te laat ingediend.
2 De onderneming heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het besluit is niet aangetekend verstuurd. Bovendien was het besluit ten onrechte niet aan [naam 2] gericht maar aan een medewerker van zijn kantoor die niet de gemachtigde was. Hij heeft vervolgens beroep ingediend zodra hij het besluit alsnog had ontvangen.
3 Het College is van oordeel dat het niet binnen de termijn indienen van het beroepschrift aan de onderneming kan worden toegerekend. Het College stelt vast dat op het besluit het adres van het kantoor van de gemachtigde is vermeld. Het besluit is dus naar het juiste adres verzonden. Daargelaten de omstandigheid wie destijds de gemachtigde was van de onderneming, [naam 2] of [naam 3] , vallen de verrichtingen van zijn medewerker in ieder geval onder zijn verantwoordelijkheid. Daar komt bij dat [naam 3] gedurende de gehele bezwaarfase namens de onderneming de contacten met de minister heeft onderhouden. Tenslotte is de minister niet wettelijk verplicht een besluit aangetekend te verzenden.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. P.M. Beishuizen
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1567
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2024
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1] B.V. te [plaats] (de onderneming) waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu
Overwegingen
1. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat het besluit waar het beroep zich tegen richt is verzonden op vrijdag 14 april 2023. De laatste dag van de beroepstermijn viel op vrijdag 26 mei 2023. Het beroepschrift is op 13 juli 2023 door het College ontvangen. Het beroepschrift is dus te laat ingediend.
2 De onderneming heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het besluit is niet aangetekend verstuurd. Bovendien was het besluit ten onrechte niet aan [naam 2] gericht maar aan een medewerker van zijn kantoor die niet de gemachtigde was. Hij heeft vervolgens beroep ingediend zodra hij het besluit alsnog had ontvangen.
3 Het College is van oordeel dat het niet binnen de termijn indienen van het beroepschrift aan de onderneming kan worden toegerekend. Het College stelt vast dat op het besluit het adres van het kantoor van de gemachtigde is vermeld. Het besluit is dus naar het juiste adres verzonden. Daargelaten de omstandigheid wie destijds de gemachtigde was van de onderneming, [naam 2] of [naam 3] , vallen de verrichtingen van zijn medewerker in ieder geval onder zijn verantwoordelijkheid. Daar komt bij dat [naam 3] gedurende de gehele bezwaarfase namens de onderneming de contacten met de minister heeft onderhouden. Tenslotte is de minister niet wettelijk verplicht een besluit aangetekend te verzenden.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. P.M. Beishuizen
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1567
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2024
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1] B.V. te [plaats] (de onderneming) waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu
Overwegingen
1. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat het besluit waar het beroep zich tegen richt is verzonden op vrijdag 14 april 2023. De laatste dag van de beroepstermijn viel op vrijdag 26 mei 2023. Het beroepschrift is op 13 juli 2023 door het College ontvangen. Het beroepschrift is dus te laat ingediend.
2 De onderneming heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het besluit is niet aangetekend verstuurd. Bovendien was het besluit ten onrechte niet aan [naam 2] gericht maar aan een medewerker van zijn kantoor die niet de gemachtigde was. Hij heeft vervolgens beroep ingediend zodra hij het besluit alsnog had ontvangen.
3 Het College is van oordeel dat het niet binnen de termijn indienen van het beroepschrift aan de onderneming kan worden toegerekend. Het College stelt vast dat op het besluit het adres van het kantoor van de gemachtigde is vermeld. Het besluit is dus naar het juiste adres verzonden. Daargelaten de omstandigheid wie destijds de gemachtigde was van de onderneming, [naam 2] of [naam 3] , vallen de verrichtingen van zijn medewerker in ieder geval onder zijn verantwoordelijkheid. Daar komt bij dat [naam 3] gedurende de gehele bezwaarfase namens de onderneming de contacten met de minister heeft onderhouden. Tenslotte is de minister niet wettelijk verplicht een besluit aangetekend te verzenden.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. P.M. Beishuizen