Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-10-22
ECLI:NL:CBB:2024:721
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,272 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1124
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 12 april 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) afgewezen.
Met het besluit van 2 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming gegrond verklaard, het besluit van 12 april 2022 herroepen en een subsidie van € 4.830,72 verleend.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De onderneming heeft aanvullende stukken ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de hoogte van de subsidie berekend op basis van de gegevens van de Belastingdienst. Volgens die gegevens bedraagt de omzet in Q4 van 2019 (referentieperiode) € 13.056,- en de omzet in Q4 van 2021 € 0,-.
3 De onderneming voert aan dat de omzet in de referentieperiode € 117.985,- bedraagt. Dat blijkt uit de aangifte omzetbelasting voor dat kwartaal.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de gegevens van de Belastingdienst moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) en 9 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:442). Vast staat dat de onderneming aangifte doet over haar gehele omzet. Ook in dit geval is het College daarom van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt, namelijk € 13.056,-. Als de in de aangifte opgegeven omzet niet juist blijkt te zijn, heeft de onderneming de mogelijkheid om dit te corrigeren met een suppletieaangifte. De documenten die de onderneming heeft ingediend ter ondersteuning van haar betoog dat de omzet in het referentiekwartaal hoger was, zijn geen (definitieve) suppletieaangifte. In die documenten wordt uitdrukkelijk vermeld dat het geen aangifteformulier is en niet is bedoeld om op te sturen naar de Belastingdienst. Niet is gebleken dat de omzet in de referentieperiode is gecorrigeerd naar € 117.985,-.
5 De minister heeft dus terecht de hoogte van de subsidie berekend op basis van de gegevens van de Belastingdienst.
6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1124
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 12 april 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) afgewezen.
Met het besluit van 2 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming gegrond verklaard, het besluit van 12 april 2022 herroepen en een subsidie van € 4.830,72 verleend.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De onderneming heeft aanvullende stukken ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de hoogte van de subsidie berekend op basis van de gegevens van de Belastingdienst. Volgens die gegevens bedraagt de omzet in Q4 van 2019 (referentieperiode) € 13.056,- en de omzet in Q4 van 2021 € 0,-.
3 De onderneming voert aan dat de omzet in de referentieperiode € 117.985,- bedraagt. Dat blijkt uit de aangifte omzetbelasting voor dat kwartaal.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de gegevens van de Belastingdienst moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) en 9 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:442). Vast staat dat de onderneming aangifte doet over haar gehele omzet. Ook in dit geval is het College daarom van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt, namelijk € 13.056,-. Als de in de aangifte opgegeven omzet niet juist blijkt te zijn, heeft de onderneming de mogelijkheid om dit te corrigeren met een suppletieaangifte. De documenten die de onderneming heeft ingediend ter ondersteuning van haar betoog dat de omzet in het referentiekwartaal hoger was, zijn geen (definitieve) suppletieaangifte. In die documenten wordt uitdrukkelijk vermeld dat het geen aangifteformulier is en niet is bedoeld om op te sturen naar de Belastingdienst. Niet is gebleken dat de omzet in de referentieperiode is gecorrigeerd naar € 117.985,-.
5 De minister heeft dus terecht de hoogte van de subsidie berekend op basis van de gegevens van de Belastingdienst.
6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1124
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 12 april 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) afgewezen.
Met het besluit van 2 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming gegrond verklaard, het besluit van 12 april 2022 herroepen en een subsidie van € 4.830,72 verleend.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De onderneming heeft aanvullende stukken ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de hoogte van de subsidie berekend op basis van de gegevens van de Belastingdienst. Volgens die gegevens bedraagt de omzet in Q4 van 2019 (referentieperiode) € 13.056,- en de omzet in Q4 van 2021 € 0,-.
3 De onderneming voert aan dat de omzet in de referentieperiode € 117.985,- bedraagt. Dat blijkt uit de aangifte omzetbelasting voor dat kwartaal.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de gegevens van de Belastingdienst moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) en 9 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:442). Vast staat dat de onderneming aangifte doet over haar gehele omzet. Ook in dit geval is het College daarom van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt, namelijk € 13.056,-. Als de in de aangifte opgegeven omzet niet juist blijkt te zijn, heeft de onderneming de mogelijkheid om dit te corrigeren met een suppletieaangifte. De documenten die de onderneming heeft ingediend ter ondersteuning van haar betoog dat de omzet in het referentiekwartaal hoger was, zijn geen (definitieve) suppletieaangifte. In die documenten wordt uitdrukkelijk vermeld dat het geen aangifteformulier is en niet is bedoeld om op te sturen naar de Belastingdienst. Niet is gebleken dat de omzet in de referentieperiode is gecorrigeerd naar € 117.985,-.
5 De minister heeft dus terecht de hoogte van de subsidie berekend op basis van de gegevens van de Belastingdienst.
6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1124
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 12 april 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) afgewezen.
Met het besluit van 2 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming gegrond verklaard, het besluit van 12 april 2022 herroepen en een subsidie van € 4.830,72 verleend.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De onderneming heeft aanvullende stukken ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de hoogte van de subsidie berekend op basis van de gegevens van de Belastingdienst. Volgens die gegevens bedraagt de omzet in Q4 van 2019 (referentieperiode) € 13.056,- en de omzet in Q4 van 2021 € 0,-.
3 De onderneming voert aan dat de omzet in de referentieperiode € 117.985,- bedraagt. Dat blijkt uit de aangifte omzetbelasting voor dat kwartaal.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de gegevens van de Belastingdienst moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) en 9 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:442). Vast staat dat de onderneming aangifte doet over haar gehele omzet. Ook in dit geval is het College daarom van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt, namelijk € 13.056,-. Als de in de aangifte opgegeven omzet niet juist blijkt te zijn, heeft de onderneming de mogelijkheid om dit te corrigeren met een suppletieaangifte. De documenten die de onderneming heeft ingediend ter ondersteuning van haar betoog dat de omzet in het referentiekwartaal hoger was, zijn geen (definitieve) suppletieaangifte. In die documenten wordt uitdrukkelijk vermeld dat het geen aangifteformulier is en niet is bedoeld om op te sturen naar de Belastingdienst. Niet is gebleken dat de omzet in de referentieperiode is gecorrigeerd naar € 117.985,-.
5 De minister heeft dus terecht de hoogte van de subsidie berekend op basis van de gegevens van de Belastingdienst.
6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.