Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-07-23
ECLI:NL:CBB:2024:509
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,604 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1581
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats]
(gemachtigde: mr. T. Gelo)
en
de minister van Klimaat en Groene Groei
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 19 januari 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van [naam 1] om subsidie voor een zonneboiler op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) afgewezen.
Met het besluit van 22 juni 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 26 april 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigde van [naam 1] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
[naam 1] heeft op 7 oktober 2022 subsidie aangevraagd voor een zonneboiler in zijn woning.
1.2
Met het afwijzingsbesluit heeft de minister de subsidieaanvraag afgewezen omdat [naam 1] , anders dan op grond van artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling vereist is, niet heeft aangetoond dat de zonneboiler is geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf. Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de subsidieaanvraag in stand gelaten.
2 [naam 1] voert aan dat zijn subsidieaanvraag voor de zonneboiler ten onrechte is afgewezen. Hij heeft namelijk aannemelijk gemaakt dat de zonneboiler is geplaatst door bouwinstallatiebedrijf [naam 2] . In de drie overgelegde facturen met betrekking tot de verkoop en de installatie wordt dezelfde verkoopprijs voor de zonneboiler gehanteerd maar verschilt de weergave van die prijs door al dan geen toepassing van de btw en de korting. De aanpassingen aan de facturen waren noodzakelijk ter verduidelijking dat [naam 2] de installatie had verzorgd, omdat de minister betwijfelde of dit daadwerkelijk het geval was. Volgens [naam 1] zijn de facturen authentiek. [naam 2] had de installatiekosten in de eerste factuur al verdisconteerd in de totale productprijs. In de opvolgende facturen zijn de installatiekosten wel specifiek vermeld. Ter compensatie daarvan zijn de kosten voor de solarslang, de wegkleppen en de fittingen weggelaten, omdat die onlosmakelijk verbonden zijn met de installatiewerkzaamheden. Door de overgelegde facturen en de verklaring van [naam 2] bij e-mail van 10 mei 2023, dat zij de installatie heeft verzorgd, terzijde te schuiven legt de minister hem een onevenredig zware bewijslast op. [naam 1] verwijst in dit verband naar een uitspraak van het College van 21 maart 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:152, onder 3.3). Verder stelt [naam 1] over het ontbreken van foto’s van de installatiewerkzaamheden en de schriftelijke bevestiging van de gemaakte afspraken dat het opmerkelijk is dat de minister hier de nadruk op legt, terwijl er overtuigende facturen zijn waaruit blijkt dat [naam 2] de installatie heeft verzorgd. In de bouw- en installatiesector zijn mondelinge afspraken gebruikelijk. Het ontbreken van foto’s betekent niet dat de installatie niet door [naam 2] is verzorgd. Bovendien was het niet mogelijk om foto’s van de installatiewerkzaamheden te maken, omdat alleen de installateur toen thuis aanwezig was.
Verder zijn de, volgens de minister, tegenstrijdige verklaringen van [naam 1] over zijn bijdrage aan de installatie gebaseerd op een onjuiste interpretatie van zijn verklaring bij de tweede factuur. De toelichting van [naam 1] dat hij “tijdens de installatie” heeft geholpen met het “voltooien” dient namelijk in een bredere context te worden geplaatst. Met het zinsdeel “tijdens de installatie” is niet gerefereerd aan de dag van de installatie, maar aan het gehele proces van de installatie, van het versterken van het dak tot de daadwerkelijke installatie van de zonneboiler. Dit proces besloeg ongeveer een maand tot anderhalve maand. Verder bedoelt [naam 1] met “voltooien” dan ook niet het daadwerkelijk installeren van de zonneboiler maar de genomen voorbereidende maatregelen om de installatie mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat het naar zijn wens kon verlopen. Het gaat hierbij om maatregelen in verband met het versterken en beschermen van de dakbedekking en het aanleveren van de daarvoor benodigde materialen. Dat [naam 1] niet aanwezig was op de dag van de installatie heeft [naam 2] bovendien in de hierboven bedoelde e-mail bevestigd.
Verder voert [naam 1] aan dat de minister, door te wijzen op de door [naam 2] aangeboden doe-het-zelf-pakketten, lijkt te suggereren dat hij voor een dergelijk pakket heeft gekozen. Dit duidt volgens [naam 1] op een vooringenomen houding. Het gaat er niet om welke producten of diensten [naam 2] aanbiedt, maar welke dienst aan hem is geleverd met betrekking tot de zonneboiler.
[naam 1] voert tot slot aan dat, gezien de tekortkomingen in het bestreden besluit met betrekking tot de zorgvuldigheid en de motivering, het besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 De minister stelt zich op het standpunt dat [naam 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] de zonneboiler heeft geïnstalleerd. In de tweede en de derde factuur zijn weliswaar installatiekosten vermeld, maar uit de facturen blijkt nog steeds niet dat arbeidsuren zijn gefactureerd en tegen welk tarief. Aangezien een groot deel van de installatiekosten uit arbeid bestaat mag volgens de minister verwacht worden dat dit op de factuur wordt gespecificeerd. De minister merkt in dit verband op dat hij het niet aannemelijk vindt dat [naam 2] de installatiekosten in de prijs van de zonneboiler heeft verdisconteerd, terwijl de eerste factuur wel in detail vermeldt uit welke achttien componenten het factuurbedrag voor de zonneboiler is opgebouwd. De minister stelt dat de kosten voor de verrichte arbeid met vermelding van het uurtarief hadden moeten worden opgenomen. Het is volgens de minister bovendien onaannemelijk dat in het factuurbedrag van € 2.595,81 (inclusief btw) voor een zonneboiler van 300 liter ook de arbeidskosten zijn verdisconteerd.
Verder stelt de minister dat hij terecht om een aanvullende onderbouwing heeft gevraagd omdat de overgelegde facturen juist twijfels opriepen. De minister merkt in dit verband op dat hij meerdere subsidieaanvragen heeft ontvangen waar [naam 2] bij betrokken was en het daarbij steeds onduidelijk was of de betreffende installaties waren geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf. Om te kunnen beoordelen of [naam 1] de zonneboiler heeft laten installeren door [naam 2] heeft hij om een aanvullende onderbouwing gevraagd. De minister betoogt dat de Regeling hem daar de ruimte voor biedt. In de Regeling is immers voorgeschreven welke informatie een aanvrager ten minste moet aanleveren. Dit betekent dat in geval van twijfel de minister om nadere informatie kan vragen. Hij merkt op dat deze lijn in een uitspraak van het College van 12 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:74, onder 2) is bevestigd. Daarnaast heeft de minister ook op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb de mogelijkheid om aan de aanvrager gegevens en bescheiden te vragen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. De minister heeft op goede gronden gevraagd om nadere informatie. Dat [naam 1] deze informatie niet kon overleggen maakt het verzoek om aanvullend bewijs niet onredelijk.
De minister merkt op dat de uitleg die [naam 1] heeft gegeven over zijn verklaring bij de tweede factuur met betrekking tot zijn rol bij de installatiewerkzaamheden niet aannemelijk is. [naam 1] heeft immers verklaard dat hij tijdens de installatie heeft geholpen met hand- en spandiensten om de installatie te voltooien. Volgens de minister blijkt hieruit duidelijk dat [naam 1] op de dag van de installatie aanwezig was. Deze verklaring is tegenstrijdig met de verklaring van [naam 2] dat [naam 1] tijdens de installatie niet aanwezig was. Door deze tegenstrijdige verklaringen blijft het voor de minister onduidelijk wat de feitelijke omstandigheden waren rond de installatiewerkzaamheden.
4 Aan de orde is de vraag of de minister de subsidieaanvraag van [naam 1] voor een zonneboiler terecht heeft afgewezen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder legt het College uit waarom.
4.1
Artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling bepaalt, voor zover hier relevant, dat subsidie wordt verstrekt voor de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van een zonneboiler. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is ingevoerd met als doel om onkundige installatie zo veel mogelijk te voorkomen (Staatscourant 2020, 65131).
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
w.g. H.S.J. Albers w.g. H. Caglayankaya
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1581
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats]
(gemachtigde: mr. T. Gelo)
en
de minister van Klimaat en Groene Groei
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 19 januari 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van [naam 1] om subsidie voor een zonneboiler op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) afgewezen.
Met het besluit van 22 juni 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 26 april 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigde van [naam 1] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
[naam 1] heeft op 7 oktober 2022 subsidie aangevraagd voor een zonneboiler in zijn woning.
1.2
Met het afwijzingsbesluit heeft de minister de subsidieaanvraag afgewezen omdat [naam 1] , anders dan op grond van artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling vereist is, niet heeft aangetoond dat de zonneboiler is geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf. Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de subsidieaanvraag in stand gelaten.
2 [naam 1] voert aan dat zijn subsidieaanvraag voor de zonneboiler ten onrechte is afgewezen. Hij heeft namelijk aannemelijk gemaakt dat de zonneboiler is geplaatst door bouwinstallatiebedrijf [naam 2] . In de drie overgelegde facturen met betrekking tot de verkoop en de installatie wordt dezelfde verkoopprijs voor de zonneboiler gehanteerd maar verschilt de weergave van die prijs door al dan geen toepassing van de btw en de korting. De aanpassingen aan de facturen waren noodzakelijk ter verduidelijking dat [naam 2] de installatie had verzorgd, omdat de minister betwijfelde of dit daadwerkelijk het geval was. Volgens [naam 1] zijn de facturen authentiek. [naam 2] had de installatiekosten in de eerste factuur al verdisconteerd in de totale productprijs. In de opvolgende facturen zijn de installatiekosten wel specifiek vermeld. Ter compensatie daarvan zijn de kosten voor de solarslang, de wegkleppen en de fittingen weggelaten, omdat die onlosmakelijk verbonden zijn met de installatiewerkzaamheden. Door de overgelegde facturen en de verklaring van [naam 2] bij e-mail van 10 mei 2023, dat zij de installatie heeft verzorgd, terzijde te schuiven legt de minister hem een onevenredig zware bewijslast op. [naam 1] verwijst in dit verband naar een uitspraak van het College van 21 maart 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:152, onder 3.3). Verder stelt [naam 1] over het ontbreken van foto’s van de installatiewerkzaamheden en de schriftelijke bevestiging van de gemaakte afspraken dat het opmerkelijk is dat de minister hier de nadruk op legt, terwijl er overtuigende facturen zijn waaruit blijkt dat [naam 2] de installatie heeft verzorgd. In de bouw- en installatiesector zijn mondelinge afspraken gebruikelijk. Het ontbreken van foto’s betekent niet dat de installatie niet door [naam 2] is verzorgd. Bovendien was het niet mogelijk om foto’s van de installatiewerkzaamheden te maken, omdat alleen de installateur toen thuis aanwezig was.
Verder zijn de, volgens de minister, tegenstrijdige verklaringen van [naam 1] over zijn bijdrage aan de installatie gebaseerd op een onjuiste interpretatie van zijn verklaring bij de tweede factuur. De toelichting van [naam 1] dat hij “tijdens de installatie” heeft geholpen met het “voltooien” dient namelijk in een bredere context te worden geplaatst. Met het zinsdeel “tijdens de installatie” is niet gerefereerd aan de dag van de installatie, maar aan het gehele proces van de installatie, van het versterken van het dak tot de daadwerkelijke installatie van de zonneboiler. Dit proces besloeg ongeveer een maand tot anderhalve maand. Verder bedoelt [naam 1] met “voltooien” dan ook niet het daadwerkelijk installeren van de zonneboiler maar de genomen voorbereidende maatregelen om de installatie mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat het naar zijn wens kon verlopen. Het gaat hierbij om maatregelen in verband met het versterken en beschermen van de dakbedekking en het aanleveren van de daarvoor benodigde materialen. Dat [naam 1] niet aanwezig was op de dag van de installatie heeft [naam 2] bovendien in de hierboven bedoelde e-mail bevestigd.
Verder voert [naam 1] aan dat de minister, door te wijzen op de door [naam 2] aangeboden doe-het-zelf-pakketten, lijkt te suggereren dat hij voor een dergelijk pakket heeft gekozen. Dit duidt volgens [naam 1] op een vooringenomen houding. Het gaat er niet om welke producten of diensten [naam 2] aanbiedt, maar welke dienst aan hem is geleverd met betrekking tot de zonneboiler.
[naam 1] voert tot slot aan dat, gezien de tekortkomingen in het bestreden besluit met betrekking tot de zorgvuldigheid en de motivering, het besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 De minister stelt zich op het standpunt dat [naam 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] de zonneboiler heeft geïnstalleerd. In de tweede en de derde factuur zijn weliswaar installatiekosten vermeld, maar uit de facturen blijkt nog steeds niet dat arbeidsuren zijn gefactureerd en tegen welk tarief. Aangezien een groot deel van de installatiekosten uit arbeid bestaat mag volgens de minister verwacht worden dat dit op de factuur wordt gespecificeerd. De minister merkt in dit verband op dat hij het niet aannemelijk vindt dat [naam 2] de installatiekosten in de prijs van de zonneboiler heeft verdisconteerd, terwijl de eerste factuur wel in detail vermeldt uit welke achttien componenten het factuurbedrag voor de zonneboiler is opgebouwd. De minister stelt dat de kosten voor de verrichte arbeid met vermelding van het uurtarief hadden moeten worden opgenomen. Het is volgens de minister bovendien onaannemelijk dat in het factuurbedrag van € 2.595,81 (inclusief btw) voor een zonneboiler van 300 liter ook de arbeidskosten zijn verdisconteerd.
Verder stelt de minister dat hij terecht om een aanvullende onderbouwing heeft gevraagd omdat de overgelegde facturen juist twijfels opriepen. De minister merkt in dit verband op dat hij meerdere subsidieaanvragen heeft ontvangen waar [naam 2] bij betrokken was en het daarbij steeds onduidelijk was of de betreffende installaties waren geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf. Om te kunnen beoordelen of [naam 1] de zonneboiler heeft laten installeren door [naam 2] heeft hij om een aanvullende onderbouwing gevraagd. De minister betoogt dat de Regeling hem daar de ruimte voor biedt. In de Regeling is immers voorgeschreven welke informatie een aanvrager ten minste moet aanleveren. Dit betekent dat in geval van twijfel de minister om nadere informatie kan vragen. Hij merkt op dat deze lijn in een uitspraak van het College van 12 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:74, onder 2) is bevestigd. Daarnaast heeft de minister ook op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb de mogelijkheid om aan de aanvrager gegevens en bescheiden te vragen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. De minister heeft op goede gronden gevraagd om nadere informatie. Dat [naam 1] deze informatie niet kon overleggen maakt het verzoek om aanvullend bewijs niet onredelijk.
De minister merkt op dat de uitleg die [naam 1] heeft gegeven over zijn verklaring bij de tweede factuur met betrekking tot zijn rol bij de installatiewerkzaamheden niet aannemelijk is. [naam 1] heeft immers verklaard dat hij tijdens de installatie heeft geholpen met hand- en spandiensten om de installatie te voltooien. Volgens de minister blijkt hieruit duidelijk dat [naam 1] op de dag van de installatie aanwezig was. Deze verklaring is tegenstrijdig met de verklaring van [naam 2] dat [naam 1] tijdens de installatie niet aanwezig was. Door deze tegenstrijdige verklaringen blijft het voor de minister onduidelijk wat de feitelijke omstandigheden waren rond de installatiewerkzaamheden.
4 Aan de orde is de vraag of de minister de subsidieaanvraag van [naam 1] voor een zonneboiler terecht heeft afgewezen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder legt het College uit waarom.
4.1
Artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling bepaalt, voor zover hier relevant, dat subsidie wordt verstrekt voor de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van een zonneboiler. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is ingevoerd met als doel om onkundige installatie zo veel mogelijk te voorkomen (Staatscourant 2020, 65131).
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
w.g. H.S.J. Albers w.g. H. Caglayankaya
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1581
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats]
(gemachtigde: mr. T. Gelo)
en
de minister van Klimaat en Groene Groei
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 19 januari 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van [naam 1] om subsidie voor een zonneboiler op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) afgewezen.
Met het besluit van 22 juni 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 26 april 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigde van [naam 1] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
[naam 1] heeft op 7 oktober 2022 subsidie aangevraagd voor een zonneboiler in zijn woning.
1.2
Met het afwijzingsbesluit heeft de minister de subsidieaanvraag afgewezen omdat [naam 1] , anders dan op grond van artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling vereist is, niet heeft aangetoond dat de zonneboiler is geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf. Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de subsidieaanvraag in stand gelaten.
2 [naam 1] voert aan dat zijn subsidieaanvraag voor de zonneboiler ten onrechte is afgewezen. Hij heeft namelijk aannemelijk gemaakt dat de zonneboiler is geplaatst door bouwinstallatiebedrijf [naam 2] . In de drie overgelegde facturen met betrekking tot de verkoop en de installatie wordt dezelfde verkoopprijs voor de zonneboiler gehanteerd maar verschilt de weergave van die prijs door al dan geen toepassing van de btw en de korting. De aanpassingen aan de facturen waren noodzakelijk ter verduidelijking dat [naam 2] de installatie had verzorgd, omdat de minister betwijfelde of dit daadwerkelijk het geval was. Volgens [naam 1] zijn de facturen authentiek. [naam 2] had de installatiekosten in de eerste factuur al verdisconteerd in de totale productprijs. In de opvolgende facturen zijn de installatiekosten wel specifiek vermeld. Ter compensatie daarvan zijn de kosten voor de solarslang, de wegkleppen en de fittingen weggelaten, omdat die onlosmakelijk verbonden zijn met de installatiewerkzaamheden. Door de overgelegde facturen en de verklaring van [naam 2] bij e-mail van 10 mei 2023, dat zij de installatie heeft verzorgd, terzijde te schuiven legt de minister hem een onevenredig zware bewijslast op. [naam 1] verwijst in dit verband naar een uitspraak van het College van 21 maart 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:152, onder 3.3). Verder stelt [naam 1] over het ontbreken van foto’s van de installatiewerkzaamheden en de schriftelijke bevestiging van de gemaakte afspraken dat het opmerkelijk is dat de minister hier de nadruk op legt, terwijl er overtuigende facturen zijn waaruit blijkt dat [naam 2] de installatie heeft verzorgd. In de bouw- en installatiesector zijn mondelinge afspraken gebruikelijk. Het ontbreken van foto’s betekent niet dat de installatie niet door [naam 2] is verzorgd. Bovendien was het niet mogelijk om foto’s van de installatiewerkzaamheden te maken, omdat alleen de installateur toen thuis aanwezig was.
Verder zijn de, volgens de minister, tegenstrijdige verklaringen van [naam 1] over zijn bijdrage aan de installatie gebaseerd op een onjuiste interpretatie van zijn verklaring bij de tweede factuur. De toelichting van [naam 1] dat hij “tijdens de installatie” heeft geholpen met het “voltooien” dient namelijk in een bredere context te worden geplaatst. Met het zinsdeel “tijdens de installatie” is niet gerefereerd aan de dag van de installatie, maar aan het gehele proces van de installatie, van het versterken van het dak tot de daadwerkelijke installatie van de zonneboiler. Dit proces besloeg ongeveer een maand tot anderhalve maand. Verder bedoelt [naam 1] met “voltooien” dan ook niet het daadwerkelijk installeren van de zonneboiler maar de genomen voorbereidende maatregelen om de installatie mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat het naar zijn wens kon verlopen. Het gaat hierbij om maatregelen in verband met het versterken en beschermen van de dakbedekking en het aanleveren van de daarvoor benodigde materialen. Dat [naam 1] niet aanwezig was op de dag van de installatie heeft [naam 2] bovendien in de hierboven bedoelde e-mail bevestigd.
Verder voert [naam 1] aan dat de minister, door te wijzen op de door [naam 2] aangeboden doe-het-zelf-pakketten, lijkt te suggereren dat hij voor een dergelijk pakket heeft gekozen. Dit duidt volgens [naam 1] op een vooringenomen houding. Het gaat er niet om welke producten of diensten [naam 2] aanbiedt, maar welke dienst aan hem is geleverd met betrekking tot de zonneboiler.
[naam 1] voert tot slot aan dat, gezien de tekortkomingen in het bestreden besluit met betrekking tot de zorgvuldigheid en de motivering, het besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 De minister stelt zich op het standpunt dat [naam 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] de zonneboiler heeft geïnstalleerd. In de tweede en de derde factuur zijn weliswaar installatiekosten vermeld, maar uit de facturen blijkt nog steeds niet dat arbeidsuren zijn gefactureerd en tegen welk tarief. Aangezien een groot deel van de installatiekosten uit arbeid bestaat mag volgens de minister verwacht worden dat dit op de factuur wordt gespecificeerd. De minister merkt in dit verband op dat hij het niet aannemelijk vindt dat [naam 2] de installatiekosten in de prijs van de zonneboiler heeft verdisconteerd, terwijl de eerste factuur wel in detail vermeldt uit welke achttien componenten het factuurbedrag voor de zonneboiler is opgebouwd. De minister stelt dat de kosten voor de verrichte arbeid met vermelding van het uurtarief hadden moeten worden opgenomen. Het is volgens de minister bovendien onaannemelijk dat in het factuurbedrag van € 2.595,81 (inclusief btw) voor een zonneboiler van 300 liter ook de arbeidskosten zijn verdisconteerd.
Verder stelt de minister dat hij terecht om een aanvullende onderbouwing heeft gevraagd omdat de overgelegde facturen juist twijfels opriepen. De minister merkt in dit verband op dat hij meerdere subsidieaanvragen heeft ontvangen waar [naam 2] bij betrokken was en het daarbij steeds onduidelijk was of de betreffende installaties waren geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf. Om te kunnen beoordelen of [naam 1] de zonneboiler heeft laten installeren door [naam 2] heeft hij om een aanvullende onderbouwing gevraagd. De minister betoogt dat de Regeling hem daar de ruimte voor biedt. In de Regeling is immers voorgeschreven welke informatie een aanvrager ten minste moet aanleveren. Dit betekent dat in geval van twijfel de minister om nadere informatie kan vragen. Hij merkt op dat deze lijn in een uitspraak van het College van 12 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:74, onder 2) is bevestigd. Daarnaast heeft de minister ook op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb de mogelijkheid om aan de aanvrager gegevens en bescheiden te vragen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. De minister heeft op goede gronden gevraagd om nadere informatie. Dat [naam 1] deze informatie niet kon overleggen maakt het verzoek om aanvullend bewijs niet onredelijk.
De minister merkt op dat de uitleg die [naam 1] heeft gegeven over zijn verklaring bij de tweede factuur met betrekking tot zijn rol bij de installatiewerkzaamheden niet aannemelijk is. [naam 1] heeft immers verklaard dat hij tijdens de installatie heeft geholpen met hand- en spandiensten om de installatie te voltooien. Volgens de minister blijkt hieruit duidelijk dat [naam 1] op de dag van de installatie aanwezig was. Deze verklaring is tegenstrijdig met de verklaring van [naam 2] dat [naam 1] tijdens de installatie niet aanwezig was. Door deze tegenstrijdige verklaringen blijft het voor de minister onduidelijk wat de feitelijke omstandigheden waren rond de installatiewerkzaamheden.
4 Aan de orde is de vraag of de minister de subsidieaanvraag van [naam 1] voor een zonneboiler terecht heeft afgewezen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder legt het College uit waarom.
4.1
Artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling bepaalt, voor zover hier relevant, dat subsidie wordt verstrekt voor de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van een zonneboiler. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is ingevoerd met als doel om onkundige installatie zo veel mogelijk te voorkomen (Staatscourant 2020, 65131).
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
w.g. H.S.J. Albers w.g. H. Caglayankaya
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1581
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats]
(gemachtigde: mr. T. Gelo)
en
de minister van Klimaat en Groene Groei
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 19 januari 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van [naam 1] om subsidie voor een zonneboiler op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) afgewezen.
Met het besluit van 22 juni 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 26 april 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigde van [naam 1] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
[naam 1] heeft op 7 oktober 2022 subsidie aangevraagd voor een zonneboiler in zijn woning.
1.2
Met het afwijzingsbesluit heeft de minister de subsidieaanvraag afgewezen omdat [naam 1] , anders dan op grond van artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling vereist is, niet heeft aangetoond dat de zonneboiler is geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf. Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de subsidieaanvraag in stand gelaten.
2 [naam 1] voert aan dat zijn subsidieaanvraag voor de zonneboiler ten onrechte is afgewezen. Hij heeft namelijk aannemelijk gemaakt dat de zonneboiler is geplaatst door bouwinstallatiebedrijf [naam 2] . In de drie overgelegde facturen met betrekking tot de verkoop en de installatie wordt dezelfde verkoopprijs voor de zonneboiler gehanteerd maar verschilt de weergave van die prijs door al dan geen toepassing van de btw en de korting. De aanpassingen aan de facturen waren noodzakelijk ter verduidelijking dat [naam 2] de installatie had verzorgd, omdat de minister betwijfelde of dit daadwerkelijk het geval was. Volgens [naam 1] zijn de facturen authentiek. [naam 2] had de installatiekosten in de eerste factuur al verdisconteerd in de totale productprijs. In de opvolgende facturen zijn de installatiekosten wel specifiek vermeld. Ter compensatie daarvan zijn de kosten voor de solarslang, de wegkleppen en de fittingen weggelaten, omdat die onlosmakelijk verbonden zijn met de installatiewerkzaamheden. Door de overgelegde facturen en de verklaring van [naam 2] bij e-mail van 10 mei 2023, dat zij de installatie heeft verzorgd, terzijde te schuiven legt de minister hem een onevenredig zware bewijslast op. [naam 1] verwijst in dit verband naar een uitspraak van het College van 21 maart 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:152, onder 3.3). Verder stelt [naam 1] over het ontbreken van foto’s van de installatiewerkzaamheden en de schriftelijke bevestiging van de gemaakte afspraken dat het opmerkelijk is dat de minister hier de nadruk op legt, terwijl er overtuigende facturen zijn waaruit blijkt dat [naam 2] de installatie heeft verzorgd. In de bouw- en installatiesector zijn mondelinge afspraken gebruikelijk. Het ontbreken van foto’s betekent niet dat de installatie niet door [naam 2] is verzorgd. Bovendien was het niet mogelijk om foto’s van de installatiewerkzaamheden te maken, omdat alleen de installateur toen thuis aanwezig was.
Verder zijn de, volgens de minister, tegenstrijdige verklaringen van [naam 1] over zijn bijdrage aan de installatie gebaseerd op een onjuiste interpretatie van zijn verklaring bij de tweede factuur. De toelichting van [naam 1] dat hij “tijdens de installatie” heeft geholpen met het “voltooien” dient namelijk in een bredere context te worden geplaatst. Met het zinsdeel “tijdens de installatie” is niet gerefereerd aan de dag van de installatie, maar aan het gehele proces van de installatie, van het versterken van het dak tot de daadwerkelijke installatie van de zonneboiler. Dit proces besloeg ongeveer een maand tot anderhalve maand. Verder bedoelt [naam 1] met “voltooien” dan ook niet het daadwerkelijk installeren van de zonneboiler maar de genomen voorbereidende maatregelen om de installatie mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat het naar zijn wens kon verlopen. Het gaat hierbij om maatregelen in verband met het versterken en beschermen van de dakbedekking en het aanleveren van de daarvoor benodigde materialen. Dat [naam 1] niet aanwezig was op de dag van de installatie heeft [naam 2] bovendien in de hierboven bedoelde e-mail bevestigd.
Verder voert [naam 1] aan dat de minister, door te wijzen op de door [naam 2] aangeboden doe-het-zelf-pakketten, lijkt te suggereren dat hij voor een dergelijk pakket heeft gekozen. Dit duidt volgens [naam 1] op een vooringenomen houding. Het gaat er niet om welke producten of diensten [naam 2] aanbiedt, maar welke dienst aan hem is geleverd met betrekking tot de zonneboiler.
[naam 1] voert tot slot aan dat, gezien de tekortkomingen in het bestreden besluit met betrekking tot de zorgvuldigheid en de motivering, het besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 De minister stelt zich op het standpunt dat [naam 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] de zonneboiler heeft geïnstalleerd. In de tweede en de derde factuur zijn weliswaar installatiekosten vermeld, maar uit de facturen blijkt nog steeds niet dat arbeidsuren zijn gefactureerd en tegen welk tarief. Aangezien een groot deel van de installatiekosten uit arbeid bestaat mag volgens de minister verwacht worden dat dit op de factuur wordt gespecificeerd. De minister merkt in dit verband op dat hij het niet aannemelijk vindt dat [naam 2] de installatiekosten in de prijs van de zonneboiler heeft verdisconteerd, terwijl de eerste factuur wel in detail vermeldt uit welke achttien componenten het factuurbedrag voor de zonneboiler is opgebouwd. De minister stelt dat de kosten voor de verrichte arbeid met vermelding van het uurtarief hadden moeten worden opgenomen. Het is volgens de minister bovendien onaannemelijk dat in het factuurbedrag van € 2.595,81 (inclusief btw) voor een zonneboiler van 300 liter ook de arbeidskosten zijn verdisconteerd.
Verder stelt de minister dat hij terecht om een aanvullende onderbouwing heeft gevraagd omdat de overgelegde facturen juist twijfels opriepen. De minister merkt in dit verband op dat hij meerdere subsidieaanvragen heeft ontvangen waar [naam 2] bij betrokken was en het daarbij steeds onduidelijk was of de betreffende installaties waren geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf. Om te kunnen beoordelen of [naam 1] de zonneboiler heeft laten installeren door [naam 2] heeft hij om een aanvullende onderbouwing gevraagd. De minister betoogt dat de Regeling hem daar de ruimte voor biedt. In de Regeling is immers voorgeschreven welke informatie een aanvrager ten minste moet aanleveren. Dit betekent dat in geval van twijfel de minister om nadere informatie kan vragen. Hij merkt op dat deze lijn in een uitspraak van het College van 12 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:74, onder 2) is bevestigd. Daarnaast heeft de minister ook op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb de mogelijkheid om aan de aanvrager gegevens en bescheiden te vragen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. De minister heeft op goede gronden gevraagd om nadere informatie. Dat [naam 1] deze informatie niet kon overleggen maakt het verzoek om aanvullend bewijs niet onredelijk.
De minister merkt op dat de uitleg die [naam 1] heeft gegeven over zijn verklaring bij de tweede factuur met betrekking tot zijn rol bij de installatiewerkzaamheden niet aannemelijk is. [naam 1] heeft immers verklaard dat hij tijdens de installatie heeft geholpen met hand- en spandiensten om de installatie te voltooien. Volgens de minister blijkt hieruit duidelijk dat [naam 1] op de dag van de installatie aanwezig was. Deze verklaring is tegenstrijdig met de verklaring van [naam 2] dat [naam 1] tijdens de installatie niet aanwezig was. Door deze tegenstrijdige verklaringen blijft het voor de minister onduidelijk wat de feitelijke omstandigheden waren rond de installatiewerkzaamheden.
4 Aan de orde is de vraag of de minister de subsidieaanvraag van [naam 1] voor een zonneboiler terecht heeft afgewezen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder legt het College uit waarom.
4.1
Artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling bepaalt, voor zover hier relevant, dat subsidie wordt verstrekt voor de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van een zonneboiler. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is ingevoerd met als doel om onkundige installatie zo veel mogelijk te voorkomen (Staatscourant 2020, 65131).
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
w.g. H.S.J. Albers w.g. H. Caglayankaya