Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-04-18
ECLI:NL:CBB:2024:336
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
2,630 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/393
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2024
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu
Overwegingen
1. Volgens de onderneming had de minister bij het vaststellen van de subsidie moeten uitgaan van de eigen administratie, omdat zij omzet heeft uit het buitenland die niet wordt opgenomen in de aangifte omzetbelasting. Uit de stukken blijkt evenwel dat de door de onderneming bedoelde buitenlandse omzet wel is opgenomen in aangifte omzetbelasting. De minister heeft deze omzet dan ook betrokken in zijn berekening van de hoogte van de subsidie. Niet is gebleken dat sprake is van (andere) omzet die niet in de aangifte omzetbelasting is opgenomen. De minister is dan ook voor de berekening van de hoogte van de subsidie terecht uitgegaan van de aangifte omzetbelasting.
2 Dat deze wijze van berekening in het geval van de onderneming tot gevolg heeft dat zij niet in aanmerking komt voor een hogere subsidie, maakt niet dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De onderneming heeft niet onderbouwd dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het besluit onevenredig nadelig uitpakt.
3 Het College is het niet met de onderneming eens dat zij in haar belangen is geschaad doordat de minister het verslag van de hoorzitting pas heeft opgestuurd toen er al beroep was ingesteld. De onderneming kon aan de hand van het bestreden besluit een weloverwogen keuze maken om al dan niet beroep in te stellen. De late toezending van het verslag is geen reden om het beroep gegrond te verklaren.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/393
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2024
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu
Overwegingen
1. Volgens de onderneming had de minister bij het vaststellen van de subsidie moeten uitgaan van de eigen administratie, omdat zij omzet heeft uit het buitenland die niet wordt opgenomen in de aangifte omzetbelasting. Uit de stukken blijkt evenwel dat de door de onderneming bedoelde buitenlandse omzet wel is opgenomen in aangifte omzetbelasting. De minister heeft deze omzet dan ook betrokken in zijn berekening van de hoogte van de subsidie. Niet is gebleken dat sprake is van (andere) omzet die niet in de aangifte omzetbelasting is opgenomen. De minister is dan ook voor de berekening van de hoogte van de subsidie terecht uitgegaan van de aangifte omzetbelasting.
2 Dat deze wijze van berekening in het geval van de onderneming tot gevolg heeft dat zij niet in aanmerking komt voor een hogere subsidie, maakt niet dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De onderneming heeft niet onderbouwd dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het besluit onevenredig nadelig uitpakt.
3 Het College is het niet met de onderneming eens dat zij in haar belangen is geschaad doordat de minister het verslag van de hoorzitting pas heeft opgestuurd toen er al beroep was ingesteld. De onderneming kon aan de hand van het bestreden besluit een weloverwogen keuze maken om al dan niet beroep in te stellen. De late toezending van het verslag is geen reden om het beroep gegrond te verklaren.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/393
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2024
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu
Overwegingen
1. Volgens de onderneming had de minister bij het vaststellen van de subsidie moeten uitgaan van de eigen administratie, omdat zij omzet heeft uit het buitenland die niet wordt opgenomen in de aangifte omzetbelasting. Uit de stukken blijkt evenwel dat de door de onderneming bedoelde buitenlandse omzet wel is opgenomen in aangifte omzetbelasting. De minister heeft deze omzet dan ook betrokken in zijn berekening van de hoogte van de subsidie. Niet is gebleken dat sprake is van (andere) omzet die niet in de aangifte omzetbelasting is opgenomen. De minister is dan ook voor de berekening van de hoogte van de subsidie terecht uitgegaan van de aangifte omzetbelasting.
2 Dat deze wijze van berekening in het geval van de onderneming tot gevolg heeft dat zij niet in aanmerking komt voor een hogere subsidie, maakt niet dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De onderneming heeft niet onderbouwd dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het besluit onevenredig nadelig uitpakt.
3 Het College is het niet met de onderneming eens dat zij in haar belangen is geschaad doordat de minister het verslag van de hoorzitting pas heeft opgestuurd toen er al beroep was ingesteld. De onderneming kon aan de hand van het bestreden besluit een weloverwogen keuze maken om al dan niet beroep in te stellen. De late toezending van het verslag is geen reden om het beroep gegrond te verklaren.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/393
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2024
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu
Overwegingen
1. Volgens de onderneming had de minister bij het vaststellen van de subsidie moeten uitgaan van de eigen administratie, omdat zij omzet heeft uit het buitenland die niet wordt opgenomen in de aangifte omzetbelasting. Uit de stukken blijkt evenwel dat de door de onderneming bedoelde buitenlandse omzet wel is opgenomen in aangifte omzetbelasting. De minister heeft deze omzet dan ook betrokken in zijn berekening van de hoogte van de subsidie. Niet is gebleken dat sprake is van (andere) omzet die niet in de aangifte omzetbelasting is opgenomen. De minister is dan ook voor de berekening van de hoogte van de subsidie terecht uitgegaan van de aangifte omzetbelasting.
2 Dat deze wijze van berekening in het geval van de onderneming tot gevolg heeft dat zij niet in aanmerking komt voor een hogere subsidie, maakt niet dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De onderneming heeft niet onderbouwd dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het besluit onevenredig nadelig uitpakt.
3 Het College is het niet met de onderneming eens dat zij in haar belangen is geschaad doordat de minister het verslag van de hoorzitting pas heeft opgestuurd toen er al beroep was ingesteld. De onderneming kon aan de hand van het bestreden besluit een weloverwogen keuze maken om al dan niet beroep in te stellen. De late toezending van het verslag is geen reden om het beroep gegrond te verklaren.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/393
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2024
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu
Overwegingen
1. Volgens de onderneming had de minister bij het vaststellen van de subsidie moeten uitgaan van de eigen administratie, omdat zij omzet heeft uit het buitenland die niet wordt opgenomen in de aangifte omzetbelasting. Uit de stukken blijkt evenwel dat de door de onderneming bedoelde buitenlandse omzet wel is opgenomen in aangifte omzetbelasting. De minister heeft deze omzet dan ook betrokken in zijn berekening van de hoogte van de subsidie. Niet is gebleken dat sprake is van (andere) omzet die niet in de aangifte omzetbelasting is opgenomen. De minister is dan ook voor de berekening van de hoogte van de subsidie terecht uitgegaan van de aangifte omzetbelasting.
2 Dat deze wijze van berekening in het geval van de onderneming tot gevolg heeft dat zij niet in aanmerking komt voor een hogere subsidie, maakt niet dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De onderneming heeft niet onderbouwd dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het besluit onevenredig nadelig uitpakt.
3 Het College is het niet met de onderneming eens dat zij in haar belangen is geschaad doordat de minister het verslag van de hoorzitting pas heeft opgestuurd toen er al beroep was ingesteld. De onderneming kon aan de hand van het bestreden besluit een weloverwogen keuze maken om al dan niet beroep in te stellen. De late toezending van het verslag is geen reden om het beroep gegrond te verklaren.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems