Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-03-25
ECLI:NL:CBB:2024:280
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,715 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2504
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer), vertegenwoordigd door de ondernemer en J. Lont
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Overwegingen
1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld. De minister heeft volgens de ondernemer er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de omzet in de referentieperiode (Q1 van 2019) is gebaseerd op het kasstelsel en de omzet in de subsidieperiode op het factuurstelsel.
2 Het College geeft de ondernemer geen gelijk. De minister heeft de TVL goed toegepast door bij de berekening van het omzetverlies uit te gaan van de aangiften omzetbelasting. Hoewel dit nadelig uitpakt voor de ondernemer, biedt de TVL geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. De regelgever heeft namelijk geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL. Niet is gebleken dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het bestreden besluit onevenredig nadelig uitpakt, zodat de minister alsnog een uitzondering moest maken. De wijziging die de ondernemer om praktische redenen heeft doorgevoerd in zijn administratie, is hiervoor onvoldoende.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister was daarom bevoegd om op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil vast te stellen.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2504
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer), vertegenwoordigd door de ondernemer en J. Lont
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Overwegingen
1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld. De minister heeft volgens de ondernemer er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de omzet in de referentieperiode (Q1 van 2019) is gebaseerd op het kasstelsel en de omzet in de subsidieperiode op het factuurstelsel.
2 Het College geeft de ondernemer geen gelijk. De minister heeft de TVL goed toegepast door bij de berekening van het omzetverlies uit te gaan van de aangiften omzetbelasting. Hoewel dit nadelig uitpakt voor de ondernemer, biedt de TVL geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. De regelgever heeft namelijk geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL. Niet is gebleken dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het bestreden besluit onevenredig nadelig uitpakt, zodat de minister alsnog een uitzondering moest maken. De wijziging die de ondernemer om praktische redenen heeft doorgevoerd in zijn administratie, is hiervoor onvoldoende.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister was daarom bevoegd om op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil vast te stellen.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2504
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer), vertegenwoordigd door de ondernemer en J. Lont
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Overwegingen
1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld. De minister heeft volgens de ondernemer er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de omzet in de referentieperiode (Q1 van 2019) is gebaseerd op het kasstelsel en de omzet in de subsidieperiode op het factuurstelsel.
2 Het College geeft de ondernemer geen gelijk. De minister heeft de TVL goed toegepast door bij de berekening van het omzetverlies uit te gaan van de aangiften omzetbelasting. Hoewel dit nadelig uitpakt voor de ondernemer, biedt de TVL geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. De regelgever heeft namelijk geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL. Niet is gebleken dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het bestreden besluit onevenredig nadelig uitpakt, zodat de minister alsnog een uitzondering moest maken. De wijziging die de ondernemer om praktische redenen heeft doorgevoerd in zijn administratie, is hiervoor onvoldoende.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister was daarom bevoegd om op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil vast te stellen.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2504
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer), vertegenwoordigd door de ondernemer en J. Lont
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Overwegingen
1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld. De minister heeft volgens de ondernemer er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de omzet in de referentieperiode (Q1 van 2019) is gebaseerd op het kasstelsel en de omzet in de subsidieperiode op het factuurstelsel.
2 Het College geeft de ondernemer geen gelijk. De minister heeft de TVL goed toegepast door bij de berekening van het omzetverlies uit te gaan van de aangiften omzetbelasting. Hoewel dit nadelig uitpakt voor de ondernemer, biedt de TVL geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. De regelgever heeft namelijk geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL. Niet is gebleken dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het bestreden besluit onevenredig nadelig uitpakt, zodat de minister alsnog een uitzondering moest maken. De wijziging die de ondernemer om praktische redenen heeft doorgevoerd in zijn administratie, is hiervoor onvoldoende.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister was daarom bevoegd om op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil vast te stellen.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2504
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024
Raadsheer: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer), vertegenwoordigd door de ondernemer en J. Lont
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes
Overwegingen
1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld. De minister heeft volgens de ondernemer er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de omzet in de referentieperiode (Q1 van 2019) is gebaseerd op het kasstelsel en de omzet in de subsidieperiode op het factuurstelsel.
2 Het College geeft de ondernemer geen gelijk. De minister heeft de TVL goed toegepast door bij de berekening van het omzetverlies uit te gaan van de aangiften omzetbelasting. Hoewel dit nadelig uitpakt voor de ondernemer, biedt de TVL geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. De regelgever heeft namelijk geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL. Niet is gebleken dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het bestreden besluit onevenredig nadelig uitpakt, zodat de minister alsnog een uitzondering moest maken. De wijziging die de ondernemer om praktische redenen heeft doorgevoerd in zijn administratie, is hiervoor onvoldoende.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister was daarom bevoegd om op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil vast te stellen.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems