Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-04-03
ECLI:NL:CBB:2024:278
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,715 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1111
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ( [naam] )
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 23 januari 2023 heeft de minister de aanvraag van een investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (investeringssubsidie) in het kader van titel 4.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor een luchtluchtwarmtepomp afgewezen.
Met het besluit van 22 maart 2023 heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 3 april 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] en de minister, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing zijn als volgt.
Overwegingen
1. Om voor een investeringssubsidie voor een warmtepomp op grond van de Regeling in aanmerking te komen, moet het gaan om een ruimteverwarmingstoestel of een waterverwarmingstoestel dat is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp, een grondwaterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp (artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Regeling). Uit de definitie van een ruimteverwarmingstoestel in de Regeling volgt dat het gaat om een ruimteverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in bijlage I, onderdeel 3 of onderdeel 4, van verordening (EU) nr. 811/2013, niet zijnde een lucht-luchtwarmtepomp (artikel 4.5.1 van de Regeling).
2 Naar het oordeel van het College heeft de minister de subsidieaanvraag terecht afgewezen, omdat een lucht-luchtwarmtepomp op grond van de Regeling niet in aanmerking komt voor investeringssubsidie. De Regeling sluit lucht-luchtwarmtepompen uitdrukkelijk uit als ruimteverwarmingstoestel (artikel 4.5.1 van de Regeling). Uitsluiting van luchtluchtwarmtepompen is volgens de minister een bewuste keuze geweest van de wetgever, omdat deze apparaten ook voor koeling of ventilatie kunnen worden gebruikt. Het College acht die keuze niet onevenredig. Dat [naam] zijn lucht-luchtwarmtewarmtepomp niet gebruikt om te koelen, maar om te verwarmen, maakt dat niet anders.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024.
w.g. D. Brugman w.g. L. ten Hove
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1111
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ( [naam] )
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 23 januari 2023 heeft de minister de aanvraag van een investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (investeringssubsidie) in het kader van titel 4.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor een luchtluchtwarmtepomp afgewezen.
Met het besluit van 22 maart 2023 heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 3 april 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] en de minister, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing zijn als volgt.
Overwegingen
1. Om voor een investeringssubsidie voor een warmtepomp op grond van de Regeling in aanmerking te komen, moet het gaan om een ruimteverwarmingstoestel of een waterverwarmingstoestel dat is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp, een grondwaterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp (artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Regeling). Uit de definitie van een ruimteverwarmingstoestel in de Regeling volgt dat het gaat om een ruimteverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in bijlage I, onderdeel 3 of onderdeel 4, van verordening (EU) nr. 811/2013, niet zijnde een lucht-luchtwarmtepomp (artikel 4.5.1 van de Regeling).
2 Naar het oordeel van het College heeft de minister de subsidieaanvraag terecht afgewezen, omdat een lucht-luchtwarmtepomp op grond van de Regeling niet in aanmerking komt voor investeringssubsidie. De Regeling sluit lucht-luchtwarmtepompen uitdrukkelijk uit als ruimteverwarmingstoestel (artikel 4.5.1 van de Regeling). Uitsluiting van luchtluchtwarmtepompen is volgens de minister een bewuste keuze geweest van de wetgever, omdat deze apparaten ook voor koeling of ventilatie kunnen worden gebruikt. Het College acht die keuze niet onevenredig. Dat [naam] zijn lucht-luchtwarmtewarmtepomp niet gebruikt om te koelen, maar om te verwarmen, maakt dat niet anders.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024.
w.g. D. Brugman w.g. L. ten Hove
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1111
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ( [naam] )
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 23 januari 2023 heeft de minister de aanvraag van een investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (investeringssubsidie) in het kader van titel 4.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor een luchtluchtwarmtepomp afgewezen.
Met het besluit van 22 maart 2023 heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 3 april 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] en de minister, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing zijn als volgt.
Overwegingen
1. Om voor een investeringssubsidie voor een warmtepomp op grond van de Regeling in aanmerking te komen, moet het gaan om een ruimteverwarmingstoestel of een waterverwarmingstoestel dat is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp, een grondwaterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp (artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Regeling). Uit de definitie van een ruimteverwarmingstoestel in de Regeling volgt dat het gaat om een ruimteverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in bijlage I, onderdeel 3 of onderdeel 4, van verordening (EU) nr. 811/2013, niet zijnde een lucht-luchtwarmtepomp (artikel 4.5.1 van de Regeling).
2 Naar het oordeel van het College heeft de minister de subsidieaanvraag terecht afgewezen, omdat een lucht-luchtwarmtepomp op grond van de Regeling niet in aanmerking komt voor investeringssubsidie. De Regeling sluit lucht-luchtwarmtepompen uitdrukkelijk uit als ruimteverwarmingstoestel (artikel 4.5.1 van de Regeling). Uitsluiting van luchtluchtwarmtepompen is volgens de minister een bewuste keuze geweest van de wetgever, omdat deze apparaten ook voor koeling of ventilatie kunnen worden gebruikt. Het College acht die keuze niet onevenredig. Dat [naam] zijn lucht-luchtwarmtewarmtepomp niet gebruikt om te koelen, maar om te verwarmen, maakt dat niet anders.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024.
w.g. D. Brugman w.g. L. ten Hove
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1111
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ( [naam] )
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 23 januari 2023 heeft de minister de aanvraag van een investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (investeringssubsidie) in het kader van titel 4.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor een luchtluchtwarmtepomp afgewezen.
Met het besluit van 22 maart 2023 heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 3 april 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] en de minister, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing zijn als volgt.
Overwegingen
1. Om voor een investeringssubsidie voor een warmtepomp op grond van de Regeling in aanmerking te komen, moet het gaan om een ruimteverwarmingstoestel of een waterverwarmingstoestel dat is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp, een grondwaterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp (artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Regeling). Uit de definitie van een ruimteverwarmingstoestel in de Regeling volgt dat het gaat om een ruimteverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in bijlage I, onderdeel 3 of onderdeel 4, van verordening (EU) nr. 811/2013, niet zijnde een lucht-luchtwarmtepomp (artikel 4.5.1 van de Regeling).
2 Naar het oordeel van het College heeft de minister de subsidieaanvraag terecht afgewezen, omdat een lucht-luchtwarmtepomp op grond van de Regeling niet in aanmerking komt voor investeringssubsidie. De Regeling sluit lucht-luchtwarmtepompen uitdrukkelijk uit als ruimteverwarmingstoestel (artikel 4.5.1 van de Regeling). Uitsluiting van luchtluchtwarmtepompen is volgens de minister een bewuste keuze geweest van de wetgever, omdat deze apparaten ook voor koeling of ventilatie kunnen worden gebruikt. Het College acht die keuze niet onevenredig. Dat [naam] zijn lucht-luchtwarmtewarmtepomp niet gebruikt om te koelen, maar om te verwarmen, maakt dat niet anders.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024.
w.g. D. Brugman w.g. L. ten Hove
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1111
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ( [naam] )
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 23 januari 2023 heeft de minister de aanvraag van een investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (investeringssubsidie) in het kader van titel 4.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor een luchtluchtwarmtepomp afgewezen.
Met het besluit van 22 maart 2023 heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 3 april 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] en de minister, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing zijn als volgt.
Overwegingen
1. Om voor een investeringssubsidie voor een warmtepomp op grond van de Regeling in aanmerking te komen, moet het gaan om een ruimteverwarmingstoestel of een waterverwarmingstoestel dat is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp, een grondwaterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp (artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Regeling). Uit de definitie van een ruimteverwarmingstoestel in de Regeling volgt dat het gaat om een ruimteverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in bijlage I, onderdeel 3 of onderdeel 4, van verordening (EU) nr. 811/2013, niet zijnde een lucht-luchtwarmtepomp (artikel 4.5.1 van de Regeling).
2 Naar het oordeel van het College heeft de minister de subsidieaanvraag terecht afgewezen, omdat een lucht-luchtwarmtepomp op grond van de Regeling niet in aanmerking komt voor investeringssubsidie. De Regeling sluit lucht-luchtwarmtepompen uitdrukkelijk uit als ruimteverwarmingstoestel (artikel 4.5.1 van de Regeling). Uitsluiting van luchtluchtwarmtepompen is volgens de minister een bewuste keuze geweest van de wetgever, omdat deze apparaten ook voor koeling of ventilatie kunnen worden gebruikt. Het College acht die keuze niet onevenredig. Dat [naam] zijn lucht-luchtwarmtewarmtepomp niet gebruikt om te koelen, maar om te verwarmen, maakt dat niet anders.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024.
w.g. D. Brugman w.g. L. ten Hove