Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-04-02
ECLI:NL:CBB:2024:253
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,035 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1383
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: mr. M.P. Beudeker en M.J.H. van der Burgt)
Procesverloop
Met het besluit van 6 december 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode juli t/m september (Q3) 2021 afgewezen.
Met het besluit van 30 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 7 augustus 2023. Aan de zitting hebben [naam 2] en [naam 3] namens de onderneming en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
De behandeling van de zaak is op de zitting aangehouden om de onderneming in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen. De onderneming heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Het College heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake dient te zijn van een omzetverlies van ten minste 30%.
2 Het is niet in geschil dat, als wordt uitgegaan van de aangifte omzetbelasting voor Q3 2021, voor dat kwartaal geen recht op TVL bestaat. De onderneming vindt echter dat de minister ten onrechte uitgaat van de omzet conform de aangifte omzetbelasting voor Q3 2021.
In haar beroepschrift heeft de onderneming aangeboden om aan de hand van haar omzetgegevens aan te tonen dat er sprake was van vooruitgeschoven omzet, waardoor de feitelijke omzet niet overeenkomt met de aangifte omzetbelasting.
3 Op de zitting is besproken dat het twijfelachtig is dat er in Q3 2021 ook met de wijze waarop de onderneming haar omzetverlies wil berekenen wel een relevant omzetverlies was. De onderneming kon dit op de zitting niet duidelijk maken. De onderneming is vervolgens in de gelegenheid gesteld om alsnog te onderbouwen dat er met haar berekeningswijze wel sprake was van een relevant omzetverlies. De onderneming heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
4 Onder deze omstandigheden neemt het College aan dat de onderneming geen belang meer heeft bij een uitspraak van het College. Het College zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
w.g. J.H. de Wildt de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1383
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: mr. M.P. Beudeker en M.J.H. van der Burgt)
Procesverloop
Met het besluit van 6 december 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode juli t/m september (Q3) 2021 afgewezen.
Met het besluit van 30 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 7 augustus 2023. Aan de zitting hebben [naam 2] en [naam 3] namens de onderneming en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
De behandeling van de zaak is op de zitting aangehouden om de onderneming in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen. De onderneming heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Het College heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake dient te zijn van een omzetverlies van ten minste 30%.
2 Het is niet in geschil dat, als wordt uitgegaan van de aangifte omzetbelasting voor Q3 2021, voor dat kwartaal geen recht op TVL bestaat. De onderneming vindt echter dat de minister ten onrechte uitgaat van de omzet conform de aangifte omzetbelasting voor Q3 2021.
In haar beroepschrift heeft de onderneming aangeboden om aan de hand van haar omzetgegevens aan te tonen dat er sprake was van vooruitgeschoven omzet, waardoor de feitelijke omzet niet overeenkomt met de aangifte omzetbelasting.
3 Op de zitting is besproken dat het twijfelachtig is dat er in Q3 2021 ook met de wijze waarop de onderneming haar omzetverlies wil berekenen wel een relevant omzetverlies was. De onderneming kon dit op de zitting niet duidelijk maken. De onderneming is vervolgens in de gelegenheid gesteld om alsnog te onderbouwen dat er met haar berekeningswijze wel sprake was van een relevant omzetverlies. De onderneming heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
4 Onder deze omstandigheden neemt het College aan dat de onderneming geen belang meer heeft bij een uitspraak van het College. Het College zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
w.g. J.H. de Wildt de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1383
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: mr. M.P. Beudeker en M.J.H. van der Burgt)
Procesverloop
Met het besluit van 6 december 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode juli t/m september (Q3) 2021 afgewezen.
Met het besluit van 30 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 7 augustus 2023. Aan de zitting hebben [naam 2] en [naam 3] namens de onderneming en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
De behandeling van de zaak is op de zitting aangehouden om de onderneming in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen. De onderneming heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Het College heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake dient te zijn van een omzetverlies van ten minste 30%.
2 Het is niet in geschil dat, als wordt uitgegaan van de aangifte omzetbelasting voor Q3 2021, voor dat kwartaal geen recht op TVL bestaat. De onderneming vindt echter dat de minister ten onrechte uitgaat van de omzet conform de aangifte omzetbelasting voor Q3 2021.
In haar beroepschrift heeft de onderneming aangeboden om aan de hand van haar omzetgegevens aan te tonen dat er sprake was van vooruitgeschoven omzet, waardoor de feitelijke omzet niet overeenkomt met de aangifte omzetbelasting.
3 Op de zitting is besproken dat het twijfelachtig is dat er in Q3 2021 ook met de wijze waarop de onderneming haar omzetverlies wil berekenen wel een relevant omzetverlies was. De onderneming kon dit op de zitting niet duidelijk maken. De onderneming is vervolgens in de gelegenheid gesteld om alsnog te onderbouwen dat er met haar berekeningswijze wel sprake was van een relevant omzetverlies. De onderneming heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
4 Onder deze omstandigheden neemt het College aan dat de onderneming geen belang meer heeft bij een uitspraak van het College. Het College zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
w.g. J.H. de Wildt de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1383
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: mr. M.P. Beudeker en M.J.H. van der Burgt)
Procesverloop
Met het besluit van 6 december 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode juli t/m september (Q3) 2021 afgewezen.
Met het besluit van 30 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 7 augustus 2023. Aan de zitting hebben [naam 2] en [naam 3] namens de onderneming en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
De behandeling van de zaak is op de zitting aangehouden om de onderneming in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen. De onderneming heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Het College heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake dient te zijn van een omzetverlies van ten minste 30%.
2 Het is niet in geschil dat, als wordt uitgegaan van de aangifte omzetbelasting voor Q3 2021, voor dat kwartaal geen recht op TVL bestaat. De onderneming vindt echter dat de minister ten onrechte uitgaat van de omzet conform de aangifte omzetbelasting voor Q3 2021.
In haar beroepschrift heeft de onderneming aangeboden om aan de hand van haar omzetgegevens aan te tonen dat er sprake was van vooruitgeschoven omzet, waardoor de feitelijke omzet niet overeenkomt met de aangifte omzetbelasting.
3 Op de zitting is besproken dat het twijfelachtig is dat er in Q3 2021 ook met de wijze waarop de onderneming haar omzetverlies wil berekenen wel een relevant omzetverlies was. De onderneming kon dit op de zitting niet duidelijk maken. De onderneming is vervolgens in de gelegenheid gesteld om alsnog te onderbouwen dat er met haar berekeningswijze wel sprake was van een relevant omzetverlies. De onderneming heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
4 Onder deze omstandigheden neemt het College aan dat de onderneming geen belang meer heeft bij een uitspraak van het College. Het College zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
w.g. J.H. de Wildt de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1383
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: mr. M.P. Beudeker en M.J.H. van der Burgt)
Procesverloop
Met het besluit van 6 december 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode juli t/m september (Q3) 2021 afgewezen.
Met het besluit van 30 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 7 augustus 2023. Aan de zitting hebben [naam 2] en [naam 3] namens de onderneming en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
De behandeling van de zaak is op de zitting aangehouden om de onderneming in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen. De onderneming heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Het College heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake dient te zijn van een omzetverlies van ten minste 30%.
2 Het is niet in geschil dat, als wordt uitgegaan van de aangifte omzetbelasting voor Q3 2021, voor dat kwartaal geen recht op TVL bestaat. De onderneming vindt echter dat de minister ten onrechte uitgaat van de omzet conform de aangifte omzetbelasting voor Q3 2021.
In haar beroepschrift heeft de onderneming aangeboden om aan de hand van haar omzetgegevens aan te tonen dat er sprake was van vooruitgeschoven omzet, waardoor de feitelijke omzet niet overeenkomt met de aangifte omzetbelasting.
3 Op de zitting is besproken dat het twijfelachtig is dat er in Q3 2021 ook met de wijze waarop de onderneming haar omzetverlies wil berekenen wel een relevant omzetverlies was. De onderneming kon dit op de zitting niet duidelijk maken. De onderneming is vervolgens in de gelegenheid gesteld om alsnog te onderbouwen dat er met haar berekeningswijze wel sprake was van een relevant omzetverlies. De onderneming heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
4 Onder deze omstandigheden neemt het College aan dat de onderneming geen belang meer heeft bij een uitspraak van het College. Het College zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
w.g. J.H. de Wildt de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen