Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-04-02
ECLI:NL:CBB:2024:246
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,520 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1286
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats 1]
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 1 december 2022 (besluit op aanvraag) heeft de minister de aanvraag van [naam] voor een subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor dak-, gevel- en vloerisolatie afgewezen.
Met het besluit van 12 mei 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door [naam] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 maart 2024. Daaraan hebben [naam] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1.1
[naam] heeft subsidie aangevraagd voor investeringen in dak-, gevel- en vloerisolatie voor een appartement in [plaats 1] . Op het moment van de aanvraag woonde [naam] nog in [plaats 2] . In zijn aanvraag heeft hij aangegeven dat hij het appartement in [plaats 1] direct na de renovatie zou betrekken.
1.2
De minister heeft de subsidieaanvraag op grond van artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling afgewezen, omdat [naam] niet de hoofdbewoner is van de woning waarvoor subsidie is aangevraagd.
1.3
In de bezwaarfase heeft [naam] aangevoerd dat hij in afwachting van de renovatie van zijn appartement tijdelijk in een huurwoning woont, dat hij eigenaar is van het appartement en dat het appartement na de renovatie zijn hoofdverblijf wordt. Vanwege de kosten heeft [naam] besloten het appartement te splitsen in drie appartementen, met nummers [… 1] , [… 2] en [… 3] . Zelf is hij uiteindelijk op nummer [… 2] gaan wonen en in de andere twee appartementen wonen derden.
1.4
In de bezwaarfase heeft overleg plaatsgehad tussen medewerkers van de minister en [naam] . In een telefoonnotitie (van 9 mei 2023) van een gesprek tussen een medewerker van de minister en [naam] staat dat tot de conclusie is gekomen dat [naam] niet als eigenaar-bewoner kan worden aangemerkt omdat de woning – zo blijkt uit de bouwtekeningen – is opgedeeld in drie appartementen en dat op grond van deze informatie het voornemen bestaat de aanvraag af te wijzen.
1.5
Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de subsidie gehandhaafd. Volgens de minister is [naam] niet aan te merken als eigenaar-bewoner van het appartement waar de isolatiemaatregelen zijn uitgevoerd (artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling). De minister heeft vastgesteld dat het appartement wordt verbouwd naar drie appartementen. Het is niet mogelijk om drie appartementen tegelijkertijd als hoofdverblijf te hebben en daarom is niet aannemelijk dat [naam] na de renovaties hoofdbewoner zal zijn van het appartement.
2 Volgens [naam] is hij eigenaar-bewoner als bedoeld in artikel 4.5.1 van de Regeling. Hij is namelijk een natuurlijke persoon die het appartement in eigendom heeft en er na de renovatie ook zijn hoofdverblijf heeft. [naam] betoogt dat het appartement in lijn met artikel 4.5.1 van de Regeling een zelfstandige woongelegenheid was voordat hij de investeringen deed en dat hij daarmee voldoet aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen.
Oordeel van het College
3 Op grond van artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling verstrekt de minister alleen subsidie voor isolatiemaatregelen aan eigenaar-bewoners. Volgens artikel 4.5.1 van de Regeling is een ‘eigenaar-bewoner’ een natuurlijke persoon die een woning in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie zal hebben, of die gerechtigde is van een bestaand appartement en in dat appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie zal hebben. Het College stelt vast dat [naam] op het moment van de subsidieaanvraag weliswaar gerechtigde was van een bestaand appartement, maar dat hij na de renovatie in dát appartement niet zijn hoofdverblijf heeft. Het appartement is namelijk gesplitst en bestaat als zodanig niet meer. [naam] is dus niet aan te merken als eigenaar-bewoner van het appartement waarvoor hij subsidie heeft aangevraagd en in zoverre heeft de minister de subsidie terecht afgewezen.
4 Op de zitting heeft de minister echter aangegeven dat er ruimte zou zijn geweest om de aanvraag in de bezwaarfase te beoordelen voor alleen het appartement waarin [naam] zou gaan wonen als de minister zou hebben geweten dat [naam] in een van de drie nieuwe appartementen zou gaan wonen. De minister ging ervan uit dat [naam] het appartement zou splitsen, de nieuwe appartementen zou verkopen en er zelf niet zou gaan wonen. In dat licht bestond, zo heeft de minister toegelicht, geen aanleiding te beoordelen of voor alleen het appartement waarin [naam] zou gaan wonen subsidie kon worden verleend, maar is, zo volgt ook uit de telefoonnotitie van 9 mei 2023, besloten de aanvraag (volledig) af te wijzen. Het College stelt vast dat dit een onjuist uitgangspunt is. In zijn aanvraag heeft [naam] al aangegeven dat zijn intentie was om in het nieuwe appartement te gaan wonen. Tijdens de bezwaarfase heeft [naam] besloten het appartement te splitsen, maar uit de stukken blijkt niet dat zijn intentie is gewijzigd om het appartement, althans een van de drie nieuwe appartementen, te gaan bewonen. Integendeel, uit een telefoonnotitie van 24 april 2023 blijkt juist dat [naam] voorzag dat hij in september van dat jaar in zijn nieuwe appartement zou trekken. Voor zover de minister desondanks twijfelde aan de intenties van [naam] , had het op zijn weg gelegen om, gelet op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, navraag te doen bij [naam] . Vervolgens had de minister de aanvraag in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar kunnen beoordelen voor zover die aanvraag zag op het gedeelte van het oorspronkelijke appartement waarin [naam] zijn intrek zou nemen.
5 Het bestreden besluit is op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Er is geen aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien omdat het College onvoldoende gegevens heeft om de subsidieaanvraag van [naam] te beoordelen voor zover die aanvraag ziet op het appartement waarin hij inmiddels woont. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van acht weken.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. T.D. Geldof
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1286
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats 1]
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 1 december 2022 (besluit op aanvraag) heeft de minister de aanvraag van [naam] voor een subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor dak-, gevel- en vloerisolatie afgewezen.
Met het besluit van 12 mei 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door [naam] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 maart 2024. Daaraan hebben [naam] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1.1
[naam] heeft subsidie aangevraagd voor investeringen in dak-, gevel- en vloerisolatie voor een appartement in [plaats 1] . Op het moment van de aanvraag woonde [naam] nog in [plaats 2] . In zijn aanvraag heeft hij aangegeven dat hij het appartement in [plaats 1] direct na de renovatie zou betrekken.
1.2
De minister heeft de subsidieaanvraag op grond van artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling afgewezen, omdat [naam] niet de hoofdbewoner is van de woning waarvoor subsidie is aangevraagd.
1.3
In de bezwaarfase heeft [naam] aangevoerd dat hij in afwachting van de renovatie van zijn appartement tijdelijk in een huurwoning woont, dat hij eigenaar is van het appartement en dat het appartement na de renovatie zijn hoofdverblijf wordt. Vanwege de kosten heeft [naam] besloten het appartement te splitsen in drie appartementen, met nummers [… 1] , [… 2] en [… 3] . Zelf is hij uiteindelijk op nummer [… 2] gaan wonen en in de andere twee appartementen wonen derden.
1.4
In de bezwaarfase heeft overleg plaatsgehad tussen medewerkers van de minister en [naam] . In een telefoonnotitie (van 9 mei 2023) van een gesprek tussen een medewerker van de minister en [naam] staat dat tot de conclusie is gekomen dat [naam] niet als eigenaar-bewoner kan worden aangemerkt omdat de woning – zo blijkt uit de bouwtekeningen – is opgedeeld in drie appartementen en dat op grond van deze informatie het voornemen bestaat de aanvraag af te wijzen.
1.5
Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de subsidie gehandhaafd. Volgens de minister is [naam] niet aan te merken als eigenaar-bewoner van het appartement waar de isolatiemaatregelen zijn uitgevoerd (artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling). De minister heeft vastgesteld dat het appartement wordt verbouwd naar drie appartementen. Het is niet mogelijk om drie appartementen tegelijkertijd als hoofdverblijf te hebben en daarom is niet aannemelijk dat [naam] na de renovaties hoofdbewoner zal zijn van het appartement.
2 Volgens [naam] is hij eigenaar-bewoner als bedoeld in artikel 4.5.1 van de Regeling. Hij is namelijk een natuurlijke persoon die het appartement in eigendom heeft en er na de renovatie ook zijn hoofdverblijf heeft. [naam] betoogt dat het appartement in lijn met artikel 4.5.1 van de Regeling een zelfstandige woongelegenheid was voordat hij de investeringen deed en dat hij daarmee voldoet aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen.
Oordeel van het College
3 Op grond van artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling verstrekt de minister alleen subsidie voor isolatiemaatregelen aan eigenaar-bewoners. Volgens artikel 4.5.1 van de Regeling is een ‘eigenaar-bewoner’ een natuurlijke persoon die een woning in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie zal hebben, of die gerechtigde is van een bestaand appartement en in dat appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie zal hebben. Het College stelt vast dat [naam] op het moment van de subsidieaanvraag weliswaar gerechtigde was van een bestaand appartement, maar dat hij na de renovatie in dát appartement niet zijn hoofdverblijf heeft. Het appartement is namelijk gesplitst en bestaat als zodanig niet meer. [naam] is dus niet aan te merken als eigenaar-bewoner van het appartement waarvoor hij subsidie heeft aangevraagd en in zoverre heeft de minister de subsidie terecht afgewezen.
4 Op de zitting heeft de minister echter aangegeven dat er ruimte zou zijn geweest om de aanvraag in de bezwaarfase te beoordelen voor alleen het appartement waarin [naam] zou gaan wonen als de minister zou hebben geweten dat [naam] in een van de drie nieuwe appartementen zou gaan wonen. De minister ging ervan uit dat [naam] het appartement zou splitsen, de nieuwe appartementen zou verkopen en er zelf niet zou gaan wonen. In dat licht bestond, zo heeft de minister toegelicht, geen aanleiding te beoordelen of voor alleen het appartement waarin [naam] zou gaan wonen subsidie kon worden verleend, maar is, zo volgt ook uit de telefoonnotitie van 9 mei 2023, besloten de aanvraag (volledig) af te wijzen. Het College stelt vast dat dit een onjuist uitgangspunt is. In zijn aanvraag heeft [naam] al aangegeven dat zijn intentie was om in het nieuwe appartement te gaan wonen. Tijdens de bezwaarfase heeft [naam] besloten het appartement te splitsen, maar uit de stukken blijkt niet dat zijn intentie is gewijzigd om het appartement, althans een van de drie nieuwe appartementen, te gaan bewonen. Integendeel, uit een telefoonnotitie van 24 april 2023 blijkt juist dat [naam] voorzag dat hij in september van dat jaar in zijn nieuwe appartement zou trekken. Voor zover de minister desondanks twijfelde aan de intenties van [naam] , had het op zijn weg gelegen om, gelet op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, navraag te doen bij [naam] . Vervolgens had de minister de aanvraag in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar kunnen beoordelen voor zover die aanvraag zag op het gedeelte van het oorspronkelijke appartement waarin [naam] zijn intrek zou nemen.
5 Het bestreden besluit is op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Er is geen aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien omdat het College onvoldoende gegevens heeft om de subsidieaanvraag van [naam] te beoordelen voor zover die aanvraag ziet op het appartement waarin hij inmiddels woont. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van acht weken.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. T.D. Geldof
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1286
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats 1]
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 1 december 2022 (besluit op aanvraag) heeft de minister de aanvraag van [naam] voor een subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor dak-, gevel- en vloerisolatie afgewezen.
Met het besluit van 12 mei 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door [naam] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 maart 2024. Daaraan hebben [naam] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1.1
[naam] heeft subsidie aangevraagd voor investeringen in dak-, gevel- en vloerisolatie voor een appartement in [plaats 1] . Op het moment van de aanvraag woonde [naam] nog in [plaats 2] . In zijn aanvraag heeft hij aangegeven dat hij het appartement in [plaats 1] direct na de renovatie zou betrekken.
1.2
De minister heeft de subsidieaanvraag op grond van artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling afgewezen, omdat [naam] niet de hoofdbewoner is van de woning waarvoor subsidie is aangevraagd.
1.3
In de bezwaarfase heeft [naam] aangevoerd dat hij in afwachting van de renovatie van zijn appartement tijdelijk in een huurwoning woont, dat hij eigenaar is van het appartement en dat het appartement na de renovatie zijn hoofdverblijf wordt. Vanwege de kosten heeft [naam] besloten het appartement te splitsen in drie appartementen, met nummers [… 1] , [… 2] en [… 3] . Zelf is hij uiteindelijk op nummer [… 2] gaan wonen en in de andere twee appartementen wonen derden.
1.4
In de bezwaarfase heeft overleg plaatsgehad tussen medewerkers van de minister en [naam] . In een telefoonnotitie (van 9 mei 2023) van een gesprek tussen een medewerker van de minister en [naam] staat dat tot de conclusie is gekomen dat [naam] niet als eigenaar-bewoner kan worden aangemerkt omdat de woning – zo blijkt uit de bouwtekeningen – is opgedeeld in drie appartementen en dat op grond van deze informatie het voornemen bestaat de aanvraag af te wijzen.
1.5
Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de subsidie gehandhaafd. Volgens de minister is [naam] niet aan te merken als eigenaar-bewoner van het appartement waar de isolatiemaatregelen zijn uitgevoerd (artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling). De minister heeft vastgesteld dat het appartement wordt verbouwd naar drie appartementen. Het is niet mogelijk om drie appartementen tegelijkertijd als hoofdverblijf te hebben en daarom is niet aannemelijk dat [naam] na de renovaties hoofdbewoner zal zijn van het appartement.
2 Volgens [naam] is hij eigenaar-bewoner als bedoeld in artikel 4.5.1 van de Regeling. Hij is namelijk een natuurlijke persoon die het appartement in eigendom heeft en er na de renovatie ook zijn hoofdverblijf heeft. [naam] betoogt dat het appartement in lijn met artikel 4.5.1 van de Regeling een zelfstandige woongelegenheid was voordat hij de investeringen deed en dat hij daarmee voldoet aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen.
Oordeel van het College
3 Op grond van artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling verstrekt de minister alleen subsidie voor isolatiemaatregelen aan eigenaar-bewoners. Volgens artikel 4.5.1 van de Regeling is een ‘eigenaar-bewoner’ een natuurlijke persoon die een woning in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie zal hebben, of die gerechtigde is van een bestaand appartement en in dat appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie zal hebben. Het College stelt vast dat [naam] op het moment van de subsidieaanvraag weliswaar gerechtigde was van een bestaand appartement, maar dat hij na de renovatie in dát appartement niet zijn hoofdverblijf heeft. Het appartement is namelijk gesplitst en bestaat als zodanig niet meer. [naam] is dus niet aan te merken als eigenaar-bewoner van het appartement waarvoor hij subsidie heeft aangevraagd en in zoverre heeft de minister de subsidie terecht afgewezen.
4 Op de zitting heeft de minister echter aangegeven dat er ruimte zou zijn geweest om de aanvraag in de bezwaarfase te beoordelen voor alleen het appartement waarin [naam] zou gaan wonen als de minister zou hebben geweten dat [naam] in een van de drie nieuwe appartementen zou gaan wonen. De minister ging ervan uit dat [naam] het appartement zou splitsen, de nieuwe appartementen zou verkopen en er zelf niet zou gaan wonen. In dat licht bestond, zo heeft de minister toegelicht, geen aanleiding te beoordelen of voor alleen het appartement waarin [naam] zou gaan wonen subsidie kon worden verleend, maar is, zo volgt ook uit de telefoonnotitie van 9 mei 2023, besloten de aanvraag (volledig) af te wijzen. Het College stelt vast dat dit een onjuist uitgangspunt is. In zijn aanvraag heeft [naam] al aangegeven dat zijn intentie was om in het nieuwe appartement te gaan wonen. Tijdens de bezwaarfase heeft [naam] besloten het appartement te splitsen, maar uit de stukken blijkt niet dat zijn intentie is gewijzigd om het appartement, althans een van de drie nieuwe appartementen, te gaan bewonen. Integendeel, uit een telefoonnotitie van 24 april 2023 blijkt juist dat [naam] voorzag dat hij in september van dat jaar in zijn nieuwe appartement zou trekken. Voor zover de minister desondanks twijfelde aan de intenties van [naam] , had het op zijn weg gelegen om, gelet op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, navraag te doen bij [naam] . Vervolgens had de minister de aanvraag in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar kunnen beoordelen voor zover die aanvraag zag op het gedeelte van het oorspronkelijke appartement waarin [naam] zijn intrek zou nemen.
5 Het bestreden besluit is op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Er is geen aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien omdat het College onvoldoende gegevens heeft om de subsidieaanvraag van [naam] te beoordelen voor zover die aanvraag ziet op het appartement waarin hij inmiddels woont. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van acht weken.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. T.D. Geldof
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1286
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats 1]
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 1 december 2022 (besluit op aanvraag) heeft de minister de aanvraag van [naam] voor een subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor dak-, gevel- en vloerisolatie afgewezen.
Met het besluit van 12 mei 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door [naam] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 maart 2024. Daaraan hebben [naam] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1.1
[naam] heeft subsidie aangevraagd voor investeringen in dak-, gevel- en vloerisolatie voor een appartement in [plaats 1] . Op het moment van de aanvraag woonde [naam] nog in [plaats 2] . In zijn aanvraag heeft hij aangegeven dat hij het appartement in [plaats 1] direct na de renovatie zou betrekken.
1.2
De minister heeft de subsidieaanvraag op grond van artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling afgewezen, omdat [naam] niet de hoofdbewoner is van de woning waarvoor subsidie is aangevraagd.
1.3
In de bezwaarfase heeft [naam] aangevoerd dat hij in afwachting van de renovatie van zijn appartement tijdelijk in een huurwoning woont, dat hij eigenaar is van het appartement en dat het appartement na de renovatie zijn hoofdverblijf wordt. Vanwege de kosten heeft [naam] besloten het appartement te splitsen in drie appartementen, met nummers [… 1] , [… 2] en [… 3] . Zelf is hij uiteindelijk op nummer [… 2] gaan wonen en in de andere twee appartementen wonen derden.
1.4
In de bezwaarfase heeft overleg plaatsgehad tussen medewerkers van de minister en [naam] . In een telefoonnotitie (van 9 mei 2023) van een gesprek tussen een medewerker van de minister en [naam] staat dat tot de conclusie is gekomen dat [naam] niet als eigenaar-bewoner kan worden aangemerkt omdat de woning – zo blijkt uit de bouwtekeningen – is opgedeeld in drie appartementen en dat op grond van deze informatie het voornemen bestaat de aanvraag af te wijzen.
1.5
Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de subsidie gehandhaafd. Volgens de minister is [naam] niet aan te merken als eigenaar-bewoner van het appartement waar de isolatiemaatregelen zijn uitgevoerd (artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling). De minister heeft vastgesteld dat het appartement wordt verbouwd naar drie appartementen. Het is niet mogelijk om drie appartementen tegelijkertijd als hoofdverblijf te hebben en daarom is niet aannemelijk dat [naam] na de renovaties hoofdbewoner zal zijn van het appartement.
2 Volgens [naam] is hij eigenaar-bewoner als bedoeld in artikel 4.5.1 van de Regeling. Hij is namelijk een natuurlijke persoon die het appartement in eigendom heeft en er na de renovatie ook zijn hoofdverblijf heeft. [naam] betoogt dat het appartement in lijn met artikel 4.5.1 van de Regeling een zelfstandige woongelegenheid was voordat hij de investeringen deed en dat hij daarmee voldoet aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen.
Oordeel van het College
3 Op grond van artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling verstrekt de minister alleen subsidie voor isolatiemaatregelen aan eigenaar-bewoners. Volgens artikel 4.5.1 van de Regeling is een ‘eigenaar-bewoner’ een natuurlijke persoon die een woning in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie zal hebben, of die gerechtigde is van een bestaand appartement en in dat appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie zal hebben. Het College stelt vast dat [naam] op het moment van de subsidieaanvraag weliswaar gerechtigde was van een bestaand appartement, maar dat hij na de renovatie in dát appartement niet zijn hoofdverblijf heeft. Het appartement is namelijk gesplitst en bestaat als zodanig niet meer. [naam] is dus niet aan te merken als eigenaar-bewoner van het appartement waarvoor hij subsidie heeft aangevraagd en in zoverre heeft de minister de subsidie terecht afgewezen.
4 Op de zitting heeft de minister echter aangegeven dat er ruimte zou zijn geweest om de aanvraag in de bezwaarfase te beoordelen voor alleen het appartement waarin [naam] zou gaan wonen als de minister zou hebben geweten dat [naam] in een van de drie nieuwe appartementen zou gaan wonen. De minister ging ervan uit dat [naam] het appartement zou splitsen, de nieuwe appartementen zou verkopen en er zelf niet zou gaan wonen. In dat licht bestond, zo heeft de minister toegelicht, geen aanleiding te beoordelen of voor alleen het appartement waarin [naam] zou gaan wonen subsidie kon worden verleend, maar is, zo volgt ook uit de telefoonnotitie van 9 mei 2023, besloten de aanvraag (volledig) af te wijzen. Het College stelt vast dat dit een onjuist uitgangspunt is. In zijn aanvraag heeft [naam] al aangegeven dat zijn intentie was om in het nieuwe appartement te gaan wonen. Tijdens de bezwaarfase heeft [naam] besloten het appartement te splitsen, maar uit de stukken blijkt niet dat zijn intentie is gewijzigd om het appartement, althans een van de drie nieuwe appartementen, te gaan bewonen. Integendeel, uit een telefoonnotitie van 24 april 2023 blijkt juist dat [naam] voorzag dat hij in september van dat jaar in zijn nieuwe appartement zou trekken. Voor zover de minister desondanks twijfelde aan de intenties van [naam] , had het op zijn weg gelegen om, gelet op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, navraag te doen bij [naam] . Vervolgens had de minister de aanvraag in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar kunnen beoordelen voor zover die aanvraag zag op het gedeelte van het oorspronkelijke appartement waarin [naam] zijn intrek zou nemen.
5 Het bestreden besluit is op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Er is geen aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien omdat het College onvoldoende gegevens heeft om de subsidieaanvraag van [naam] te beoordelen voor zover die aanvraag ziet op het appartement waarin hij inmiddels woont. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van acht weken.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. T.D. Geldof
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1286
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats 1]
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 1 december 2022 (besluit op aanvraag) heeft de minister de aanvraag van [naam] voor een subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor dak-, gevel- en vloerisolatie afgewezen.
Met het besluit van 12 mei 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door [naam] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 maart 2024. Daaraan hebben [naam] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1.1
[naam] heeft subsidie aangevraagd voor investeringen in dak-, gevel- en vloerisolatie voor een appartement in [plaats 1] . Op het moment van de aanvraag woonde [naam] nog in [plaats 2] . In zijn aanvraag heeft hij aangegeven dat hij het appartement in [plaats 1] direct na de renovatie zou betrekken.
1.2
De minister heeft de subsidieaanvraag op grond van artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling afgewezen, omdat [naam] niet de hoofdbewoner is van de woning waarvoor subsidie is aangevraagd.
1.3
In de bezwaarfase heeft [naam] aangevoerd dat hij in afwachting van de renovatie van zijn appartement tijdelijk in een huurwoning woont, dat hij eigenaar is van het appartement en dat het appartement na de renovatie zijn hoofdverblijf wordt. Vanwege de kosten heeft [naam] besloten het appartement te splitsen in drie appartementen, met nummers [… 1] , [… 2] en [… 3] . Zelf is hij uiteindelijk op nummer [… 2] gaan wonen en in de andere twee appartementen wonen derden.
1.4
In de bezwaarfase heeft overleg plaatsgehad tussen medewerkers van de minister en [naam] . In een telefoonnotitie (van 9 mei 2023) van een gesprek tussen een medewerker van de minister en [naam] staat dat tot de conclusie is gekomen dat [naam] niet als eigenaar-bewoner kan worden aangemerkt omdat de woning – zo blijkt uit de bouwtekeningen – is opgedeeld in drie appartementen en dat op grond van deze informatie het voornemen bestaat de aanvraag af te wijzen.
1.5
Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de subsidie gehandhaafd. Volgens de minister is [naam] niet aan te merken als eigenaar-bewoner van het appartement waar de isolatiemaatregelen zijn uitgevoerd (artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling). De minister heeft vastgesteld dat het appartement wordt verbouwd naar drie appartementen. Het is niet mogelijk om drie appartementen tegelijkertijd als hoofdverblijf te hebben en daarom is niet aannemelijk dat [naam] na de renovaties hoofdbewoner zal zijn van het appartement.
2 Volgens [naam] is hij eigenaar-bewoner als bedoeld in artikel 4.5.1 van de Regeling. Hij is namelijk een natuurlijke persoon die het appartement in eigendom heeft en er na de renovatie ook zijn hoofdverblijf heeft. [naam] betoogt dat het appartement in lijn met artikel 4.5.1 van de Regeling een zelfstandige woongelegenheid was voordat hij de investeringen deed en dat hij daarmee voldoet aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen.
Oordeel van het College
3 Op grond van artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling verstrekt de minister alleen subsidie voor isolatiemaatregelen aan eigenaar-bewoners. Volgens artikel 4.5.1 van de Regeling is een ‘eigenaar-bewoner’ een natuurlijke persoon die een woning in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie zal hebben, of die gerechtigde is van een bestaand appartement en in dat appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie zal hebben. Het College stelt vast dat [naam] op het moment van de subsidieaanvraag weliswaar gerechtigde was van een bestaand appartement, maar dat hij na de renovatie in dát appartement niet zijn hoofdverblijf heeft. Het appartement is namelijk gesplitst en bestaat als zodanig niet meer. [naam] is dus niet aan te merken als eigenaar-bewoner van het appartement waarvoor hij subsidie heeft aangevraagd en in zoverre heeft de minister de subsidie terecht afgewezen.
4 Op de zitting heeft de minister echter aangegeven dat er ruimte zou zijn geweest om de aanvraag in de bezwaarfase te beoordelen voor alleen het appartement waarin [naam] zou gaan wonen als de minister zou hebben geweten dat [naam] in een van de drie nieuwe appartementen zou gaan wonen. De minister ging ervan uit dat [naam] het appartement zou splitsen, de nieuwe appartementen zou verkopen en er zelf niet zou gaan wonen. In dat licht bestond, zo heeft de minister toegelicht, geen aanleiding te beoordelen of voor alleen het appartement waarin [naam] zou gaan wonen subsidie kon worden verleend, maar is, zo volgt ook uit de telefoonnotitie van 9 mei 2023, besloten de aanvraag (volledig) af te wijzen. Het College stelt vast dat dit een onjuist uitgangspunt is. In zijn aanvraag heeft [naam] al aangegeven dat zijn intentie was om in het nieuwe appartement te gaan wonen. Tijdens de bezwaarfase heeft [naam] besloten het appartement te splitsen, maar uit de stukken blijkt niet dat zijn intentie is gewijzigd om het appartement, althans een van de drie nieuwe appartementen, te gaan bewonen. Integendeel, uit een telefoonnotitie van 24 april 2023 blijkt juist dat [naam] voorzag dat hij in september van dat jaar in zijn nieuwe appartement zou trekken. Voor zover de minister desondanks twijfelde aan de intenties van [naam] , had het op zijn weg gelegen om, gelet op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, navraag te doen bij [naam] . Vervolgens had de minister de aanvraag in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar kunnen beoordelen voor zover die aanvraag zag op het gedeelte van het oorspronkelijke appartement waarin [naam] zijn intrek zou nemen.
5 Het bestreden besluit is op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Er is geen aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien omdat het College onvoldoende gegevens heeft om de subsidieaanvraag van [naam] te beoordelen voor zover die aanvraag ziet op het appartement waarin hij inmiddels woont. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van acht weken.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. T.D. Geldof