Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-03-14
ECLI:NL:CBB:2024:235
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
4,465 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/234
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 maart 2024
Voorzieningenrechter: mr. T.G.M. Simons
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1]
, te [plaats] (verzoekster)
(gemachtigde: mr. I. Ooms)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. J.H. Verheul-Verkaik en C.Y. Pompe)
Overwegingen
1. Verzoekster is houder van een kat. Zij geeft deze kat te eten en te drinken. De kat leeft buiten. Bij de voordeur van het huis van verzoekster zijn een mand en een kattenhuisje voor de kat aanwezig.
2 Op 23 februari 2024 heeft de inspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, C.Y. Pompe, een controle verricht. Daarbij is vastgesteld dat de hoektand linksonder van de kat er slecht uitzag, dat het tandvlees rondom deze hoektand zeer opgezwollen en rood was en dat op enkele plekken ontstekingen waren van het tandvlees. Ook is vastgesteld dat de vacht, aan één zijde van de rug van de kat, verdikt en verkleefd was. Op de zitting is te kennen gegeven dat dit kan duiden op artrose bij de kat. Naar aanleiding hiervan heeft de minister op 28 februari 2024 aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd.
3 Verzoekster heeft de bevindingen van de inspecteur niet concreet weersproken. Dat de kat volgens haar eet, drinkt, gezond lijkt maar oud is, is geen reden om aan die bevindingen te twijfelen. Dit betekent dat verzoekster de nodige verzorging aan de kat heeft onthouden. Dat is verboden in artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren. Ook heeft verzoekster in strijd met artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Besluit houders van dieren gehandeld door de kat niet onmiddellijk op passende wijze te (laten) verzorgen. De minister was daarom op grond van artikel 8.5 van de Wet dieren bevoegd om aan verzoekster een last onder bestuursdwang op te leggen.
4 Anders dan verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister van die bevoegdheid ook gebruik mocht maken.
Dat verzoekster, zoals zij stelt, de verzorging van de kat en daarmee de zeggenschap over het dier in eigen hand wil houden, blijkt niet voldoende uit haar handelen. Tot nu toe heeft verzoekster immers niet daadwerkelijk een dierenarts bezocht om (het gebit en de vacht van) het dier te laten controleren. De voorzieningenrechter heeft op zichzelf begrip voor de bij verzoekster levende angst dat een dienarts tot de conclusie komt dat de kat niet (meer) behandelbaar is, maar het voorkomen van onnodig lijden van het dier moet hier vooropstaan.
Dat het verzoekster, al dan niet met hulp van anderen, niet lukt om de kat te vangen om het dier naar een dierenarts te brengen omdat het een schuw en getraumatiseerd dier zou zijn, vindt de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Op de zitting heeft de inspecteur namelijk verklaard dat de kat op een vakkundige manier wel is te vangen en dat de inspecteur daartoe in staat is.
5 De conclusie is dat er geen grond is om de last onder dwangsom te schorsen.
6 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. T.G.M. Simons w.g. P.M. Beishuizen
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/234
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 maart 2024
Voorzieningenrechter: mr. T.G.M. Simons
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1]
, te [plaats] (verzoekster)
(gemachtigde: mr. I. Ooms)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. J.H. Verheul-Verkaik en C.Y. Pompe)
Overwegingen
1. Verzoekster is houder van een kat. Zij geeft deze kat te eten en te drinken. De kat leeft buiten. Bij de voordeur van het huis van verzoekster zijn een mand en een kattenhuisje voor de kat aanwezig.
2 Op 23 februari 2024 heeft de inspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, C.Y. Pompe, een controle verricht. Daarbij is vastgesteld dat de hoektand linksonder van de kat er slecht uitzag, dat het tandvlees rondom deze hoektand zeer opgezwollen en rood was en dat op enkele plekken ontstekingen waren van het tandvlees. Ook is vastgesteld dat de vacht, aan één zijde van de rug van de kat, verdikt en verkleefd was. Op de zitting is te kennen gegeven dat dit kan duiden op artrose bij de kat. Naar aanleiding hiervan heeft de minister op 28 februari 2024 aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd.
3 Verzoekster heeft de bevindingen van de inspecteur niet concreet weersproken. Dat de kat volgens haar eet, drinkt, gezond lijkt maar oud is, is geen reden om aan die bevindingen te twijfelen. Dit betekent dat verzoekster de nodige verzorging aan de kat heeft onthouden. Dat is verboden in artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren. Ook heeft verzoekster in strijd met artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Besluit houders van dieren gehandeld door de kat niet onmiddellijk op passende wijze te (laten) verzorgen. De minister was daarom op grond van artikel 8.5 van de Wet dieren bevoegd om aan verzoekster een last onder bestuursdwang op te leggen.
4 Anders dan verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister van die bevoegdheid ook gebruik mocht maken.
Dat verzoekster, zoals zij stelt, de verzorging van de kat en daarmee de zeggenschap over het dier in eigen hand wil houden, blijkt niet voldoende uit haar handelen. Tot nu toe heeft verzoekster immers niet daadwerkelijk een dierenarts bezocht om (het gebit en de vacht van) het dier te laten controleren. De voorzieningenrechter heeft op zichzelf begrip voor de bij verzoekster levende angst dat een dienarts tot de conclusie komt dat de kat niet (meer) behandelbaar is, maar het voorkomen van onnodig lijden van het dier moet hier vooropstaan.
Dat het verzoekster, al dan niet met hulp van anderen, niet lukt om de kat te vangen om het dier naar een dierenarts te brengen omdat het een schuw en getraumatiseerd dier zou zijn, vindt de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Op de zitting heeft de inspecteur namelijk verklaard dat de kat op een vakkundige manier wel is te vangen en dat de inspecteur daartoe in staat is.
5 De conclusie is dat er geen grond is om de last onder dwangsom te schorsen.
6 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. T.G.M. Simons w.g. P.M. Beishuizen
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/234
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 maart 2024
Voorzieningenrechter: mr. T.G.M. Simons
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1]
, te [plaats] (verzoekster)
(gemachtigde: mr. I. Ooms)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. J.H. Verheul-Verkaik en C.Y. Pompe)
Overwegingen
1. Verzoekster is houder van een kat. Zij geeft deze kat te eten en te drinken. De kat leeft buiten. Bij de voordeur van het huis van verzoekster zijn een mand en een kattenhuisje voor de kat aanwezig.
2 Op 23 februari 2024 heeft de inspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, C.Y. Pompe, een controle verricht. Daarbij is vastgesteld dat de hoektand linksonder van de kat er slecht uitzag, dat het tandvlees rondom deze hoektand zeer opgezwollen en rood was en dat op enkele plekken ontstekingen waren van het tandvlees. Ook is vastgesteld dat de vacht, aan één zijde van de rug van de kat, verdikt en verkleefd was. Op de zitting is te kennen gegeven dat dit kan duiden op artrose bij de kat. Naar aanleiding hiervan heeft de minister op 28 februari 2024 aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd.
3 Verzoekster heeft de bevindingen van de inspecteur niet concreet weersproken. Dat de kat volgens haar eet, drinkt, gezond lijkt maar oud is, is geen reden om aan die bevindingen te twijfelen. Dit betekent dat verzoekster de nodige verzorging aan de kat heeft onthouden. Dat is verboden in artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren. Ook heeft verzoekster in strijd met artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Besluit houders van dieren gehandeld door de kat niet onmiddellijk op passende wijze te (laten) verzorgen. De minister was daarom op grond van artikel 8.5 van de Wet dieren bevoegd om aan verzoekster een last onder bestuursdwang op te leggen.
4 Anders dan verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister van die bevoegdheid ook gebruik mocht maken.
Dat verzoekster, zoals zij stelt, de verzorging van de kat en daarmee de zeggenschap over het dier in eigen hand wil houden, blijkt niet voldoende uit haar handelen. Tot nu toe heeft verzoekster immers niet daadwerkelijk een dierenarts bezocht om (het gebit en de vacht van) het dier te laten controleren. De voorzieningenrechter heeft op zichzelf begrip voor de bij verzoekster levende angst dat een dienarts tot de conclusie komt dat de kat niet (meer) behandelbaar is, maar het voorkomen van onnodig lijden van het dier moet hier vooropstaan.
Dat het verzoekster, al dan niet met hulp van anderen, niet lukt om de kat te vangen om het dier naar een dierenarts te brengen omdat het een schuw en getraumatiseerd dier zou zijn, vindt de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Op de zitting heeft de inspecteur namelijk verklaard dat de kat op een vakkundige manier wel is te vangen en dat de inspecteur daartoe in staat is.
5 De conclusie is dat er geen grond is om de last onder dwangsom te schorsen.
6 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. T.G.M. Simons w.g. P.M. Beishuizen
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/234
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 maart 2024
Voorzieningenrechter: mr. T.G.M. Simons
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1]
, te [plaats] (verzoekster)
(gemachtigde: mr. I. Ooms)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. J.H. Verheul-Verkaik en C.Y. Pompe)
Overwegingen
1. Verzoekster is houder van een kat. Zij geeft deze kat te eten en te drinken. De kat leeft buiten. Bij de voordeur van het huis van verzoekster zijn een mand en een kattenhuisje voor de kat aanwezig.
2 Op 23 februari 2024 heeft de inspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, C.Y. Pompe, een controle verricht. Daarbij is vastgesteld dat de hoektand linksonder van de kat er slecht uitzag, dat het tandvlees rondom deze hoektand zeer opgezwollen en rood was en dat op enkele plekken ontstekingen waren van het tandvlees. Ook is vastgesteld dat de vacht, aan één zijde van de rug van de kat, verdikt en verkleefd was. Op de zitting is te kennen gegeven dat dit kan duiden op artrose bij de kat. Naar aanleiding hiervan heeft de minister op 28 februari 2024 aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd.
3 Verzoekster heeft de bevindingen van de inspecteur niet concreet weersproken. Dat de kat volgens haar eet, drinkt, gezond lijkt maar oud is, is geen reden om aan die bevindingen te twijfelen. Dit betekent dat verzoekster de nodige verzorging aan de kat heeft onthouden. Dat is verboden in artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren. Ook heeft verzoekster in strijd met artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Besluit houders van dieren gehandeld door de kat niet onmiddellijk op passende wijze te (laten) verzorgen. De minister was daarom op grond van artikel 8.5 van de Wet dieren bevoegd om aan verzoekster een last onder bestuursdwang op te leggen.
4 Anders dan verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister van die bevoegdheid ook gebruik mocht maken.
Dat verzoekster, zoals zij stelt, de verzorging van de kat en daarmee de zeggenschap over het dier in eigen hand wil houden, blijkt niet voldoende uit haar handelen. Tot nu toe heeft verzoekster immers niet daadwerkelijk een dierenarts bezocht om (het gebit en de vacht van) het dier te laten controleren. De voorzieningenrechter heeft op zichzelf begrip voor de bij verzoekster levende angst dat een dienarts tot de conclusie komt dat de kat niet (meer) behandelbaar is, maar het voorkomen van onnodig lijden van het dier moet hier vooropstaan.
Dat het verzoekster, al dan niet met hulp van anderen, niet lukt om de kat te vangen om het dier naar een dierenarts te brengen omdat het een schuw en getraumatiseerd dier zou zijn, vindt de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Op de zitting heeft de inspecteur namelijk verklaard dat de kat op een vakkundige manier wel is te vangen en dat de inspecteur daartoe in staat is.
5 De conclusie is dat er geen grond is om de last onder dwangsom te schorsen.
6 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. T.G.M. Simons w.g. P.M. Beishuizen
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/234
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 maart 2024
Voorzieningenrechter: mr. T.G.M. Simons
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam 1]
, te [plaats] (verzoekster)
(gemachtigde: mr. I. Ooms)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. J.H. Verheul-Verkaik en C.Y. Pompe)
Overwegingen
1. Verzoekster is houder van een kat. Zij geeft deze kat te eten en te drinken. De kat leeft buiten. Bij de voordeur van het huis van verzoekster zijn een mand en een kattenhuisje voor de kat aanwezig.
2 Op 23 februari 2024 heeft de inspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, C.Y. Pompe, een controle verricht. Daarbij is vastgesteld dat de hoektand linksonder van de kat er slecht uitzag, dat het tandvlees rondom deze hoektand zeer opgezwollen en rood was en dat op enkele plekken ontstekingen waren van het tandvlees. Ook is vastgesteld dat de vacht, aan één zijde van de rug van de kat, verdikt en verkleefd was. Op de zitting is te kennen gegeven dat dit kan duiden op artrose bij de kat. Naar aanleiding hiervan heeft de minister op 28 februari 2024 aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd.
3 Verzoekster heeft de bevindingen van de inspecteur niet concreet weersproken. Dat de kat volgens haar eet, drinkt, gezond lijkt maar oud is, is geen reden om aan die bevindingen te twijfelen. Dit betekent dat verzoekster de nodige verzorging aan de kat heeft onthouden. Dat is verboden in artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren. Ook heeft verzoekster in strijd met artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Besluit houders van dieren gehandeld door de kat niet onmiddellijk op passende wijze te (laten) verzorgen. De minister was daarom op grond van artikel 8.5 van de Wet dieren bevoegd om aan verzoekster een last onder bestuursdwang op te leggen.
4 Anders dan verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister van die bevoegdheid ook gebruik mocht maken.
Dat verzoekster, zoals zij stelt, de verzorging van de kat en daarmee de zeggenschap over het dier in eigen hand wil houden, blijkt niet voldoende uit haar handelen. Tot nu toe heeft verzoekster immers niet daadwerkelijk een dierenarts bezocht om (het gebit en de vacht van) het dier te laten controleren. De voorzieningenrechter heeft op zichzelf begrip voor de bij verzoekster levende angst dat een dienarts tot de conclusie komt dat de kat niet (meer) behandelbaar is, maar het voorkomen van onnodig lijden van het dier moet hier vooropstaan.
Dat het verzoekster, al dan niet met hulp van anderen, niet lukt om de kat te vangen om het dier naar een dierenarts te brengen omdat het een schuw en getraumatiseerd dier zou zijn, vindt de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Op de zitting heeft de inspecteur namelijk verklaard dat de kat op een vakkundige manier wel is te vangen en dat de inspecteur daartoe in staat is.
5 De conclusie is dat er geen grond is om de last onder dwangsom te schorsen.
6 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. T.G.M. Simons w.g. P.M. Beishuizen