Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-12-11
ECLI:NL:CBB:2023:741
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
2,356 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2083
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2023
Raadsheer: mr R.W.L. Koopmans
Griffier: mr C.E.C.M. van Roosmalen
Partijen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2] , gevestigd te [plaats] (de ondernemer),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. P. van Veen en mr. W. Dam.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat de aanvraag om TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 te laat is ingediend. De TVL-regeling bepaalt dat de aanvraag dan moet worden afgewezen.
2 Het afwijzen van de aanvraag is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De aanvraagperiode voor het eerste kwartaal van 2022 blijkt duidelijk uit de TVL en de informatie op de website van RVO. Van een ondernemer mag worden verwacht dat die in de gaten houdt wanneer de aanvraag voor een TVL-subsidie moet worden ingediend. Dat de ondernemer op de uiterste datum dat de aanvraag kon worden ingediend (31 maart 2022) nog niet op de hoogte was van de exacte omzet in de subsidieperiode, maakt niet dat de minister moet afwijken van de dwingendrechtelijke afwijzingsgrond.
3 De minister is niet verplicht om ondernemers die eerder een TVL-subsidie hebben aangevraagd op de hoogte te stellen van de afwijkende, kortere aanvraagperiode voor deze subsidieperiode, anders dan via de website of een servicebericht waarvoor zij zich kunnen melden op de website van RVO. Deze kortere aanvraagperiode houdt verband met het aflopen van de Tijdelijke kaderregeling met ingang van 1 juli 2022. Dat deze kortere aanvraagperiode is gehanteerd om tijdig te kunnen beslissen op alle ingediende TVL-aanvragen, is niet onredelijk.
4 De minister heeft de aanvraag om een TVL-subsidie dan ook terecht afgewezen.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. C.E.C.M. van Roosmalen
Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I).
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2083
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2023
Raadsheer: mr R.W.L. Koopmans
Griffier: mr C.E.C.M. van Roosmalen
Partijen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2] , gevestigd te [plaats] (de ondernemer),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. P. van Veen en mr. W. Dam.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat de aanvraag om TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 te laat is ingediend. De TVL-regeling bepaalt dat de aanvraag dan moet worden afgewezen.
2 Het afwijzen van de aanvraag is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De aanvraagperiode voor het eerste kwartaal van 2022 blijkt duidelijk uit de TVL en de informatie op de website van RVO. Van een ondernemer mag worden verwacht dat die in de gaten houdt wanneer de aanvraag voor een TVL-subsidie moet worden ingediend. Dat de ondernemer op de uiterste datum dat de aanvraag kon worden ingediend (31 maart 2022) nog niet op de hoogte was van de exacte omzet in de subsidieperiode, maakt niet dat de minister moet afwijken van de dwingendrechtelijke afwijzingsgrond.
3 De minister is niet verplicht om ondernemers die eerder een TVL-subsidie hebben aangevraagd op de hoogte te stellen van de afwijkende, kortere aanvraagperiode voor deze subsidieperiode, anders dan via de website of een servicebericht waarvoor zij zich kunnen melden op de website van RVO. Deze kortere aanvraagperiode houdt verband met het aflopen van de Tijdelijke kaderregeling met ingang van 1 juli 2022. Dat deze kortere aanvraagperiode is gehanteerd om tijdig te kunnen beslissen op alle ingediende TVL-aanvragen, is niet onredelijk.
4 De minister heeft de aanvraag om een TVL-subsidie dan ook terecht afgewezen.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. C.E.C.M. van Roosmalen
Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I).
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2083
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2023
Raadsheer: mr R.W.L. Koopmans
Griffier: mr C.E.C.M. van Roosmalen
Partijen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2] , gevestigd te [plaats] (de ondernemer),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. P. van Veen en mr. W. Dam.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat de aanvraag om TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 te laat is ingediend. De TVL-regeling bepaalt dat de aanvraag dan moet worden afgewezen.
2 Het afwijzen van de aanvraag is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De aanvraagperiode voor het eerste kwartaal van 2022 blijkt duidelijk uit de TVL en de informatie op de website van RVO. Van een ondernemer mag worden verwacht dat die in de gaten houdt wanneer de aanvraag voor een TVL-subsidie moet worden ingediend. Dat de ondernemer op de uiterste datum dat de aanvraag kon worden ingediend (31 maart 2022) nog niet op de hoogte was van de exacte omzet in de subsidieperiode, maakt niet dat de minister moet afwijken van de dwingendrechtelijke afwijzingsgrond.
3 De minister is niet verplicht om ondernemers die eerder een TVL-subsidie hebben aangevraagd op de hoogte te stellen van de afwijkende, kortere aanvraagperiode voor deze subsidieperiode, anders dan via de website of een servicebericht waarvoor zij zich kunnen melden op de website van RVO. Deze kortere aanvraagperiode houdt verband met het aflopen van de Tijdelijke kaderregeling met ingang van 1 juli 2022. Dat deze kortere aanvraagperiode is gehanteerd om tijdig te kunnen beslissen op alle ingediende TVL-aanvragen, is niet onredelijk.
4 De minister heeft de aanvraag om een TVL-subsidie dan ook terecht afgewezen.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. C.E.C.M. van Roosmalen
Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I).
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2083
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2023
Raadsheer: mr R.W.L. Koopmans
Griffier: mr C.E.C.M. van Roosmalen
Partijen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2] , gevestigd te [plaats] (de ondernemer),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. P. van Veen en mr. W. Dam.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat de aanvraag om TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 te laat is ingediend. De TVL-regeling bepaalt dat de aanvraag dan moet worden afgewezen.
2 Het afwijzen van de aanvraag is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De aanvraagperiode voor het eerste kwartaal van 2022 blijkt duidelijk uit de TVL en de informatie op de website van RVO. Van een ondernemer mag worden verwacht dat die in de gaten houdt wanneer de aanvraag voor een TVL-subsidie moet worden ingediend. Dat de ondernemer op de uiterste datum dat de aanvraag kon worden ingediend (31 maart 2022) nog niet op de hoogte was van de exacte omzet in de subsidieperiode, maakt niet dat de minister moet afwijken van de dwingendrechtelijke afwijzingsgrond.
3 De minister is niet verplicht om ondernemers die eerder een TVL-subsidie hebben aangevraagd op de hoogte te stellen van de afwijkende, kortere aanvraagperiode voor deze subsidieperiode, anders dan via de website of een servicebericht waarvoor zij zich kunnen melden op de website van RVO. Deze kortere aanvraagperiode houdt verband met het aflopen van de Tijdelijke kaderregeling met ingang van 1 juli 2022. Dat deze kortere aanvraagperiode is gehanteerd om tijdig te kunnen beslissen op alle ingediende TVL-aanvragen, is niet onredelijk.
4 De minister heeft de aanvraag om een TVL-subsidie dan ook terecht afgewezen.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. C.E.C.M. van Roosmalen
Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I).