Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-11-28
ECLI:NL:CBB:2023:655
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,096 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1773
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2023 in de zaak tussen
Melkveehouderij [naam 1] , te [woonplaats 1]
(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. J. van Horsen)
met als derde partij
Firma [naam 2], te [woonplaats 2](gemachtigde: mr. P. Stehouwer)
Procesverloop
Met het besluit van 9 augustus 2018 heeft de minister aan [naam 1] betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.
Met het besluit van 16 augustus 2022 heeft de minister beslist op het bezwaar van [naam 1] .
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[naam 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De zitting was op 24 oktober 2023. Aan de zitting hebben de gemachtigden van [naam 1] en de minister en namens [naam 2] , [naam 3] , deelgenomen.
Overwegingen
1 Het College gaat uit van het volgende.
1.1
[naam 1] en [naam 2] hebben allebei perceel 19 opgegeven in hun Gecombineerde Opgave (GO) voor het jaar 2015 en daarin verzocht om voor dit perceel betalingsrechten toe te wijzen. Met het besluit van 31 maart 2016 heeft de minister 39,59 betalingsrechten aan [naam 1] toegewezen. Daarbij heeft de minister voor perceel 19 geen betalingsrechten toegewezen aan [naam 1] , omdat dit perceel op 15 mei 2015 niet bij [naam 1] , maar bij [naam 2] in gebruik was. Met het besluit van 17 januari 2017 heeft de minister het hiertegen gemaakte bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard.
1.2
Het College heeft bij uitspraak van 19 juni 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:298) het beroep van [naam 1] tegen het besluit van 17 januari 2017 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van [naam 1] .
1.3
Met het besluit van 9 augustus 2018 heeft de minister beslist op de bezwaren van [naam 1] . In aanvulling op de 39,59 betalingsrechten heeft de minister nog 5,83 betalingsrechten aan [naam 1] toegewezen, waarmee het totaal aantal betalingsrechten voor [naam 1] op 45,42 kwam. Die toegewezen 5,83 betalingsrechten bestaan uit 5,7 voor perceel 19, 0,06 voor perceel 5, 0,04 voor perceel 14 en 0,03 voor perceel 21.
1.4
Bij uitspraak van 2 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:975) heeft het College de uitspraak van 19 juni 2018 vervallen verklaard.
1.5
Bij uitspraak van 26 juli 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:508) heeft het College het beroep van [naam 1] tegen het besluit van 17 januari 2017 ongegrond verklaard. In die uitspraak heeft het College over die procedure en over de beroepsprocedure van [naam 2] geoordeeld dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. Hiertoe heeft het College overwogen dat de minister terecht heeft geoordeeld dat [naam 2] op 15 mei 2015 over het perceel beschikte. [naam 2] was op die datum de eigenaar van het perceel en beschikte dus over een (rechtsgeldige) gebruikstitel om het perceel te gebruiken. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet de eigenaar, maar hij de feitelijke beschikkingsmacht had over het perceel. [naam 1] heeft immers geen pachtovereenkomst gesloten met [naam 2] voor het jaar 2015.
1.6
Met het bestreden besluit heeft de minister beslist op de bezwaren van [naam 1] en het besluit van 9 augustus 2018 in die zin gewijzigd dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. Daarmee kwam het totaal aan toegewezen betalingsrechten voor [naam 1] op 39,72.
2 [naam 1] voert aan dat de minister hem ten onrechte geen betalingsrechten heeft toegewezen voor perceel 19. Op 15 mei 2015 had hij het perceel in beheer, omdat een opzegging door [naam 2] van de gebruiksovereenkomst in 2014 hem niet bekend was en hij in het voorjaar van 2015 het perceel heeft bemest en het grasgewas heeft geoogst.
3 Het College heeft in zijn uitspraak van 26 juli 2022 geoordeeld dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. In wat [naam 1] aanvoert ziet het College geen aanleiding daarover thans anders te oordelen.
4 Het beroep van [naam 1] is dus ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van
mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2023.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1773
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2023 in de zaak tussen
Melkveehouderij [naam 1] , te [woonplaats 1]
(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. J. van Horsen)
met als derde partij
Firma [naam 2], te [woonplaats 2](gemachtigde: mr. P. Stehouwer)
Procesverloop
Met het besluit van 9 augustus 2018 heeft de minister aan [naam 1] betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.
Met het besluit van 16 augustus 2022 heeft de minister beslist op het bezwaar van [naam 1] .
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[naam 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De zitting was op 24 oktober 2023. Aan de zitting hebben de gemachtigden van [naam 1] en de minister en namens [naam 2] , [naam 3] , deelgenomen.
Overwegingen
1 Het College gaat uit van het volgende.
1.1
[naam 1] en [naam 2] hebben allebei perceel 19 opgegeven in hun Gecombineerde Opgave (GO) voor het jaar 2015 en daarin verzocht om voor dit perceel betalingsrechten toe te wijzen. Met het besluit van 31 maart 2016 heeft de minister 39,59 betalingsrechten aan [naam 1] toegewezen. Daarbij heeft de minister voor perceel 19 geen betalingsrechten toegewezen aan [naam 1] , omdat dit perceel op 15 mei 2015 niet bij [naam 1] , maar bij [naam 2] in gebruik was. Met het besluit van 17 januari 2017 heeft de minister het hiertegen gemaakte bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard.
1.2
Het College heeft bij uitspraak van 19 juni 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:298) het beroep van [naam 1] tegen het besluit van 17 januari 2017 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van [naam 1] .
1.3
Met het besluit van 9 augustus 2018 heeft de minister beslist op de bezwaren van [naam 1] . In aanvulling op de 39,59 betalingsrechten heeft de minister nog 5,83 betalingsrechten aan [naam 1] toegewezen, waarmee het totaal aantal betalingsrechten voor [naam 1] op 45,42 kwam. Die toegewezen 5,83 betalingsrechten bestaan uit 5,7 voor perceel 19, 0,06 voor perceel 5, 0,04 voor perceel 14 en 0,03 voor perceel 21.
1.4
Bij uitspraak van 2 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:975) heeft het College de uitspraak van 19 juni 2018 vervallen verklaard.
1.5
Bij uitspraak van 26 juli 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:508) heeft het College het beroep van [naam 1] tegen het besluit van 17 januari 2017 ongegrond verklaard. In die uitspraak heeft het College over die procedure en over de beroepsprocedure van [naam 2] geoordeeld dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. Hiertoe heeft het College overwogen dat de minister terecht heeft geoordeeld dat [naam 2] op 15 mei 2015 over het perceel beschikte. [naam 2] was op die datum de eigenaar van het perceel en beschikte dus over een (rechtsgeldige) gebruikstitel om het perceel te gebruiken. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet de eigenaar, maar hij de feitelijke beschikkingsmacht had over het perceel. [naam 1] heeft immers geen pachtovereenkomst gesloten met [naam 2] voor het jaar 2015.
1.6
Met het bestreden besluit heeft de minister beslist op de bezwaren van [naam 1] en het besluit van 9 augustus 2018 in die zin gewijzigd dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. Daarmee kwam het totaal aan toegewezen betalingsrechten voor [naam 1] op 39,72.
2 [naam 1] voert aan dat de minister hem ten onrechte geen betalingsrechten heeft toegewezen voor perceel 19. Op 15 mei 2015 had hij het perceel in beheer, omdat een opzegging door [naam 2] van de gebruiksovereenkomst in 2014 hem niet bekend was en hij in het voorjaar van 2015 het perceel heeft bemest en het grasgewas heeft geoogst.
3 Het College heeft in zijn uitspraak van 26 juli 2022 geoordeeld dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. In wat [naam 1] aanvoert ziet het College geen aanleiding daarover thans anders te oordelen.
4 Het beroep van [naam 1] is dus ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van
mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2023.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1773
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2023 in de zaak tussen
Melkveehouderij [naam 1] , te [woonplaats 1]
(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. J. van Horsen)
met als derde partij
Firma [naam 2], te [woonplaats 2](gemachtigde: mr. P. Stehouwer)
Procesverloop
Met het besluit van 9 augustus 2018 heeft de minister aan [naam 1] betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.
Met het besluit van 16 augustus 2022 heeft de minister beslist op het bezwaar van [naam 1] .
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[naam 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De zitting was op 24 oktober 2023. Aan de zitting hebben de gemachtigden van [naam 1] en de minister en namens [naam 2] , [naam 3] , deelgenomen.
Overwegingen
1 Het College gaat uit van het volgende.
1.1
[naam 1] en [naam 2] hebben allebei perceel 19 opgegeven in hun Gecombineerde Opgave (GO) voor het jaar 2015 en daarin verzocht om voor dit perceel betalingsrechten toe te wijzen. Met het besluit van 31 maart 2016 heeft de minister 39,59 betalingsrechten aan [naam 1] toegewezen. Daarbij heeft de minister voor perceel 19 geen betalingsrechten toegewezen aan [naam 1] , omdat dit perceel op 15 mei 2015 niet bij [naam 1] , maar bij [naam 2] in gebruik was. Met het besluit van 17 januari 2017 heeft de minister het hiertegen gemaakte bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard.
1.2
Het College heeft bij uitspraak van 19 juni 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:298) het beroep van [naam 1] tegen het besluit van 17 januari 2017 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van [naam 1] .
1.3
Met het besluit van 9 augustus 2018 heeft de minister beslist op de bezwaren van [naam 1] . In aanvulling op de 39,59 betalingsrechten heeft de minister nog 5,83 betalingsrechten aan [naam 1] toegewezen, waarmee het totaal aantal betalingsrechten voor [naam 1] op 45,42 kwam. Die toegewezen 5,83 betalingsrechten bestaan uit 5,7 voor perceel 19, 0,06 voor perceel 5, 0,04 voor perceel 14 en 0,03 voor perceel 21.
1.4
Bij uitspraak van 2 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:975) heeft het College de uitspraak van 19 juni 2018 vervallen verklaard.
1.5
Bij uitspraak van 26 juli 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:508) heeft het College het beroep van [naam 1] tegen het besluit van 17 januari 2017 ongegrond verklaard. In die uitspraak heeft het College over die procedure en over de beroepsprocedure van [naam 2] geoordeeld dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. Hiertoe heeft het College overwogen dat de minister terecht heeft geoordeeld dat [naam 2] op 15 mei 2015 over het perceel beschikte. [naam 2] was op die datum de eigenaar van het perceel en beschikte dus over een (rechtsgeldige) gebruikstitel om het perceel te gebruiken. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet de eigenaar, maar hij de feitelijke beschikkingsmacht had over het perceel. [naam 1] heeft immers geen pachtovereenkomst gesloten met [naam 2] voor het jaar 2015.
1.6
Met het bestreden besluit heeft de minister beslist op de bezwaren van [naam 1] en het besluit van 9 augustus 2018 in die zin gewijzigd dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. Daarmee kwam het totaal aan toegewezen betalingsrechten voor [naam 1] op 39,72.
2 [naam 1] voert aan dat de minister hem ten onrechte geen betalingsrechten heeft toegewezen voor perceel 19. Op 15 mei 2015 had hij het perceel in beheer, omdat een opzegging door [naam 2] van de gebruiksovereenkomst in 2014 hem niet bekend was en hij in het voorjaar van 2015 het perceel heeft bemest en het grasgewas heeft geoogst.
3 Het College heeft in zijn uitspraak van 26 juli 2022 geoordeeld dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. In wat [naam 1] aanvoert ziet het College geen aanleiding daarover thans anders te oordelen.
4 Het beroep van [naam 1] is dus ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van
mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2023.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1773
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2023 in de zaak tussen
Melkveehouderij [naam 1] , te [woonplaats 1]
(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. J. van Horsen)
met als derde partij
Firma [naam 2], te [woonplaats 2](gemachtigde: mr. P. Stehouwer)
Procesverloop
Met het besluit van 9 augustus 2018 heeft de minister aan [naam 1] betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.
Met het besluit van 16 augustus 2022 heeft de minister beslist op het bezwaar van [naam 1] .
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[naam 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De zitting was op 24 oktober 2023. Aan de zitting hebben de gemachtigden van [naam 1] en de minister en namens [naam 2] , [naam 3] , deelgenomen.
Overwegingen
1 Het College gaat uit van het volgende.
1.1
[naam 1] en [naam 2] hebben allebei perceel 19 opgegeven in hun Gecombineerde Opgave (GO) voor het jaar 2015 en daarin verzocht om voor dit perceel betalingsrechten toe te wijzen. Met het besluit van 31 maart 2016 heeft de minister 39,59 betalingsrechten aan [naam 1] toegewezen. Daarbij heeft de minister voor perceel 19 geen betalingsrechten toegewezen aan [naam 1] , omdat dit perceel op 15 mei 2015 niet bij [naam 1] , maar bij [naam 2] in gebruik was. Met het besluit van 17 januari 2017 heeft de minister het hiertegen gemaakte bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard.
1.2
Het College heeft bij uitspraak van 19 juni 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:298) het beroep van [naam 1] tegen het besluit van 17 januari 2017 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van [naam 1] .
1.3
Met het besluit van 9 augustus 2018 heeft de minister beslist op de bezwaren van [naam 1] . In aanvulling op de 39,59 betalingsrechten heeft de minister nog 5,83 betalingsrechten aan [naam 1] toegewezen, waarmee het totaal aantal betalingsrechten voor [naam 1] op 45,42 kwam. Die toegewezen 5,83 betalingsrechten bestaan uit 5,7 voor perceel 19, 0,06 voor perceel 5, 0,04 voor perceel 14 en 0,03 voor perceel 21.
1.4
Bij uitspraak van 2 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:975) heeft het College de uitspraak van 19 juni 2018 vervallen verklaard.
1.5
Bij uitspraak van 26 juli 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:508) heeft het College het beroep van [naam 1] tegen het besluit van 17 januari 2017 ongegrond verklaard. In die uitspraak heeft het College over die procedure en over de beroepsprocedure van [naam 2] geoordeeld dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. Hiertoe heeft het College overwogen dat de minister terecht heeft geoordeeld dat [naam 2] op 15 mei 2015 over het perceel beschikte. [naam 2] was op die datum de eigenaar van het perceel en beschikte dus over een (rechtsgeldige) gebruikstitel om het perceel te gebruiken. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet de eigenaar, maar hij de feitelijke beschikkingsmacht had over het perceel. [naam 1] heeft immers geen pachtovereenkomst gesloten met [naam 2] voor het jaar 2015.
1.6
Met het bestreden besluit heeft de minister beslist op de bezwaren van [naam 1] en het besluit van 9 augustus 2018 in die zin gewijzigd dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. Daarmee kwam het totaal aan toegewezen betalingsrechten voor [naam 1] op 39,72.
2 [naam 1] voert aan dat de minister hem ten onrechte geen betalingsrechten heeft toegewezen voor perceel 19. Op 15 mei 2015 had hij het perceel in beheer, omdat een opzegging door [naam 2] van de gebruiksovereenkomst in 2014 hem niet bekend was en hij in het voorjaar van 2015 het perceel heeft bemest en het grasgewas heeft geoogst.
3 Het College heeft in zijn uitspraak van 26 juli 2022 geoordeeld dat [naam 1] geen recht heeft op betalingsrechten voor perceel 19. In wat [naam 1] aanvoert ziet het College geen aanleiding daarover thans anders te oordelen.
4 Het beroep van [naam 1] is dus ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van
mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2023.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton