Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-10-31
ECLI:NL:CBB:2023:614
Bestuursrecht
Proceskostenveroordeling
3,916 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1371
uitspraak zonder zitting van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ,
gemachtigde: mr. P.F.M. Gulickx,
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda
Samenvatting
In deze uitspraak veroordeelt de voorzieningenrechter het college tot vergoeding van de proceskosten omdat het college aan [naam] is tegemoetgekomen.
Beoordeling
1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat hij over voldoende informatie beschikt om het college te veroordelen in de proceskosten. Artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam] het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (het verzoek) met de brief van 17 juli 2023 heeft ingetrokken en daarbij verzocht heeft het college in de proceskosten te veroordelen. Reden hiervoor is dat het college met het gegrond verklaren van het bezwaar en het daarmee intrekken van het besluit van 21 februari 2023 tot intrekking van de KTB-vergunning aan [naam] is tegemoetgekomen. Hierdoor heeft [naam] geen belang meer bij het verzoek.
5 Volgens het college moet het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen omdat niet is tegemoet gekomen aan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van de indiener. Bovendien is dit verzoek niet de reden voor intrekking van het besluit tot intrekking van de KTB-vergunning.
6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college met de intrekking van de KTBvergunning aan het verzoek van [naam] is tegemoetgekomen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, dat de gemachtigde namens [naam] heeft ingediend, strekte er immers toe dat het besluit tot intrekking van de KTBvergunning van [naam] werd geschorst.
7 Nu het college [naam] pas ten tijde van de bezwaarprocedure en het daarmee samenhangende verzoek is tegemoetgekomen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het college tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. Deze kosten worden vastgesteld op € 837,- (1 punt ter waarde van € 837,- voor het indienen van het verzoekschrift met een wegingsfactor 1,0).
8 De voorzieningenrechter draagt het college op grond van artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb op het griffierecht ten bedrage van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
veroordeelt het college in de proceskosten van [naam] tot een bedrag van € 837,-.
draagt het college op het griffierecht ten bedrage van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2023.
w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel
Afschrift verzonden aan partijen op:
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1371
uitspraak zonder zitting van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ,
gemachtigde: mr. P.F.M. Gulickx,
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda
Samenvatting
In deze uitspraak veroordeelt de voorzieningenrechter het college tot vergoeding van de proceskosten omdat het college aan [naam] is tegemoetgekomen.
Beoordeling
1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat hij over voldoende informatie beschikt om het college te veroordelen in de proceskosten. Artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam] het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (het verzoek) met de brief van 17 juli 2023 heeft ingetrokken en daarbij verzocht heeft het college in de proceskosten te veroordelen. Reden hiervoor is dat het college met het gegrond verklaren van het bezwaar en het daarmee intrekken van het besluit van 21 februari 2023 tot intrekking van de KTB-vergunning aan [naam] is tegemoetgekomen. Hierdoor heeft [naam] geen belang meer bij het verzoek.
5 Volgens het college moet het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen omdat niet is tegemoet gekomen aan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van de indiener. Bovendien is dit verzoek niet de reden voor intrekking van het besluit tot intrekking van de KTB-vergunning.
6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college met de intrekking van de KTBvergunning aan het verzoek van [naam] is tegemoetgekomen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, dat de gemachtigde namens [naam] heeft ingediend, strekte er immers toe dat het besluit tot intrekking van de KTBvergunning van [naam] werd geschorst.
7 Nu het college [naam] pas ten tijde van de bezwaarprocedure en het daarmee samenhangende verzoek is tegemoetgekomen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het college tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. Deze kosten worden vastgesteld op € 837,- (1 punt ter waarde van € 837,- voor het indienen van het verzoekschrift met een wegingsfactor 1,0).
8 De voorzieningenrechter draagt het college op grond van artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb op het griffierecht ten bedrage van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
veroordeelt het college in de proceskosten van [naam] tot een bedrag van € 837,-.
draagt het college op het griffierecht ten bedrage van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2023.
w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel
Afschrift verzonden aan partijen op:
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1371
uitspraak zonder zitting van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ,
gemachtigde: mr. P.F.M. Gulickx,
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda
Samenvatting
In deze uitspraak veroordeelt de voorzieningenrechter het college tot vergoeding van de proceskosten omdat het college aan [naam] is tegemoetgekomen.
Beoordeling
1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat hij over voldoende informatie beschikt om het college te veroordelen in de proceskosten. Artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam] het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (het verzoek) met de brief van 17 juli 2023 heeft ingetrokken en daarbij verzocht heeft het college in de proceskosten te veroordelen. Reden hiervoor is dat het college met het gegrond verklaren van het bezwaar en het daarmee intrekken van het besluit van 21 februari 2023 tot intrekking van de KTB-vergunning aan [naam] is tegemoetgekomen. Hierdoor heeft [naam] geen belang meer bij het verzoek.
5 Volgens het college moet het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen omdat niet is tegemoet gekomen aan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van de indiener. Bovendien is dit verzoek niet de reden voor intrekking van het besluit tot intrekking van de KTB-vergunning.
6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college met de intrekking van de KTBvergunning aan het verzoek van [naam] is tegemoetgekomen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, dat de gemachtigde namens [naam] heeft ingediend, strekte er immers toe dat het besluit tot intrekking van de KTBvergunning van [naam] werd geschorst.
7 Nu het college [naam] pas ten tijde van de bezwaarprocedure en het daarmee samenhangende verzoek is tegemoetgekomen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het college tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. Deze kosten worden vastgesteld op € 837,- (1 punt ter waarde van € 837,- voor het indienen van het verzoekschrift met een wegingsfactor 1,0).
8 De voorzieningenrechter draagt het college op grond van artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb op het griffierecht ten bedrage van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
veroordeelt het college in de proceskosten van [naam] tot een bedrag van € 837,-.
draagt het college op het griffierecht ten bedrage van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2023.
w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel
Afschrift verzonden aan partijen op:
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1371
uitspraak zonder zitting van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ,
gemachtigde: mr. P.F.M. Gulickx,
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda
Samenvatting
In deze uitspraak veroordeelt de voorzieningenrechter het college tot vergoeding van de proceskosten omdat het college aan [naam] is tegemoetgekomen.
Beoordeling
1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat hij over voldoende informatie beschikt om het college te veroordelen in de proceskosten. Artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam] het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (het verzoek) met de brief van 17 juli 2023 heeft ingetrokken en daarbij verzocht heeft het college in de proceskosten te veroordelen. Reden hiervoor is dat het college met het gegrond verklaren van het bezwaar en het daarmee intrekken van het besluit van 21 februari 2023 tot intrekking van de KTB-vergunning aan [naam] is tegemoetgekomen. Hierdoor heeft [naam] geen belang meer bij het verzoek.
5 Volgens het college moet het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen omdat niet is tegemoet gekomen aan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van de indiener. Bovendien is dit verzoek niet de reden voor intrekking van het besluit tot intrekking van de KTB-vergunning.
6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college met de intrekking van de KTBvergunning aan het verzoek van [naam] is tegemoetgekomen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, dat de gemachtigde namens [naam] heeft ingediend, strekte er immers toe dat het besluit tot intrekking van de KTBvergunning van [naam] werd geschorst.
7 Nu het college [naam] pas ten tijde van de bezwaarprocedure en het daarmee samenhangende verzoek is tegemoetgekomen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het college tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. Deze kosten worden vastgesteld op € 837,- (1 punt ter waarde van € 837,- voor het indienen van het verzoekschrift met een wegingsfactor 1,0).
8 De voorzieningenrechter draagt het college op grond van artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb op het griffierecht ten bedrage van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
veroordeelt het college in de proceskosten van [naam] tot een bedrag van € 837,-.
draagt het college op het griffierecht ten bedrage van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2023.
w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel
Afschrift verzonden aan partijen op: