Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-10-03
ECLI:NL:CBB:2023:561
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,416 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/876
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming)
(gemachtigde: [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat,
(gemachtigden: mr. O. Andich en A.M.D. Dijkstra).
Procesverloop
Met het besluit van 23 november 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode januari tot en met maart (Q1) van 2021 aangemerkt als een proformaaanvraag, en deze aanvraag vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 28 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 10 juli 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister. Namens de onderneming is, met bericht, niemand verschenen.
Overwegingen
1 Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2.1
Deze zaak gaat over een TVL-aanvraag die te laat is ingediend. Artikel 2.2.6 van de TVL bepaalt dat ondernemers hun aanvraag voor Q1 van 2021 uiterlijk op 18 mei 2021 voor 17.00 uur konden indienen. Na dat moment sloot het digitale aanvraagsysteem en was het voor ondernemers in beginsel niet meer mogelijk een aanvraag in te dienen via dat systeem. De minister heeft voor ondernemers die te laat waren met hun aanvraag de mogelijkheid geopend om de reden voor de overschrijding van de aanvraagtermijn te melden. Na beoordeling daarvan werd in bepaalde gevallen het digitale aanvraagsysteem voor de betrokken ondernemers tijdelijk opnieuw geopend, zodat zij alsnog een aanvraag konden indienen.
2.2
Geschil
Standpunt van de onderneming
3 De onderneming erkent dat zij te laat een aanvraag heeft gedaan. Het dienstverband met de financieel directeur die verantwoordelijk was voor de aanvraag, is in de loop van februari 2021 beëindigd. De onderneming is er niet in geslaagd om tijdig vervanging aan te trekken en heeft vervolgens besloten om de administrateur eindverantwoordelijk te maken voor het doen van aanvragen in het kader van de TVL. Door onbekendheid met de Regeling heeft de administrateur niet tijdig een aanvraag ingediend voor Q1 van 2021. De onderneming meent dat zij toch in aanmerking komt voor subsidie op grond van de TVL omdat zij daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden van de coronacrisis.
Standpunt van de minister
4 De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de te late aanvraag voor rekening en risico van de onderneming dient te komen. Het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om tijdig een aanvraag in te dienen en dat is ook zo indien sprake is van een medewerker die de aanvraag hoort te doen. Uit de Regeling volgt dat de minister een aanvraag moet afwijzen wanneer deze niet binnen de aanvraagperiode is ingediend. Er zijn geen omstandigheden gebleken waaruit volgt dat het voor de onderneming niet mogelijk was om tijdig een aanvraag te doen. De omstandigheid dat de administrateur niet bekend was met de TVL is geen bijzondere omstandigheid. De minister is van mening dat hij de aanvraag terecht heeft afgewezen.
Beoordeling
5.1
Uit artikel 2.2.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de TVL gelezen in samenhang met artikel 2.2.6 van de TVL, volgt dat de minister afwijzend op de aanvraag beslist als de aanvraag niet tijdig is ingediend. Te late indiening van een TVL-aanvraag is een dwingende afwijzingsgrond in de TVL-regelingen voor alle kwartalen. De Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waarop de TVL is gebaseerd), biedt een grondslag om daarvan af te wijken.
5.2
Voor de wijze waarop de minister omgaat met te late aanvragen, verwijst het College naar de uitspraak van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293, rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 6.4).
5.3
Niet in geschil is dat de onderneming de aanvraag niet voor het in de TVL opgenomen eindtijdstip heeft ingediend. Ook heeft de onderneming geen contact opgenomen met de minister over de aanvraag tijdens de aanvraagperiode. Zij heeft pas na het verstrijken van de aanvraagtermijn voor het eerst contact opgenomen met de minister. Niet is gebleken dat het niet mogelijk was om tijdig een aanvraag in te dienen. De minister heeft er terecht op gewezen dat het de verantwoordelijkheid is van de onderneming om ervoor te zorgen dat zij tijdig een aanvraag indient. De onderneming heeft zelf de keuze gemaakt om iemand verantwoordelijk te maken voor de aanvraag die niet op de hoogte was van de geldende wet- en regelgeving. De gevolgen hiervan komen daarom voor risico van de onderneming. Hoewel het College begrijpt dat de afwijzing van de aanvraag financiële gevolgen heeft voor de onderneming, maakt dit niet dat de aanvraag alsnog in behandeling moet worden genomen.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2023.
w.g. H.S.J. Albers w.g. F. Willems
BIJLAGE
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.2.4. van de TVL bepaalt dat:
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;
[…]
Artikel 2.2.6. van de TVL bepaalt dat:
1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 15 februari 2021 tot en met 18 mei 2021.
2. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 12.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/876
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming)
(gemachtigde: [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat,
(gemachtigden: mr. O. Andich en A.M.D. Dijkstra).
Procesverloop
Met het besluit van 23 november 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode januari tot en met maart (Q1) van 2021 aangemerkt als een proformaaanvraag, en deze aanvraag vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 28 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 10 juli 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister. Namens de onderneming is, met bericht, niemand verschenen.
Overwegingen
1 Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2.1
Deze zaak gaat over een TVL-aanvraag die te laat is ingediend. Artikel 2.2.6 van de TVL bepaalt dat ondernemers hun aanvraag voor Q1 van 2021 uiterlijk op 18 mei 2021 voor 17.00 uur konden indienen. Na dat moment sloot het digitale aanvraagsysteem en was het voor ondernemers in beginsel niet meer mogelijk een aanvraag in te dienen via dat systeem. De minister heeft voor ondernemers die te laat waren met hun aanvraag de mogelijkheid geopend om de reden voor de overschrijding van de aanvraagtermijn te melden. Na beoordeling daarvan werd in bepaalde gevallen het digitale aanvraagsysteem voor de betrokken ondernemers tijdelijk opnieuw geopend, zodat zij alsnog een aanvraag konden indienen.
2.2
Geschil
Standpunt van de onderneming
3 De onderneming erkent dat zij te laat een aanvraag heeft gedaan. Het dienstverband met de financieel directeur die verantwoordelijk was voor de aanvraag, is in de loop van februari 2021 beëindigd. De onderneming is er niet in geslaagd om tijdig vervanging aan te trekken en heeft vervolgens besloten om de administrateur eindverantwoordelijk te maken voor het doen van aanvragen in het kader van de TVL. Door onbekendheid met de Regeling heeft de administrateur niet tijdig een aanvraag ingediend voor Q1 van 2021. De onderneming meent dat zij toch in aanmerking komt voor subsidie op grond van de TVL omdat zij daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden van de coronacrisis.
Standpunt van de minister
4 De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de te late aanvraag voor rekening en risico van de onderneming dient te komen. Het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om tijdig een aanvraag in te dienen en dat is ook zo indien sprake is van een medewerker die de aanvraag hoort te doen. Uit de Regeling volgt dat de minister een aanvraag moet afwijzen wanneer deze niet binnen de aanvraagperiode is ingediend. Er zijn geen omstandigheden gebleken waaruit volgt dat het voor de onderneming niet mogelijk was om tijdig een aanvraag te doen. De omstandigheid dat de administrateur niet bekend was met de TVL is geen bijzondere omstandigheid. De minister is van mening dat hij de aanvraag terecht heeft afgewezen.
Beoordeling
5.1
Uit artikel 2.2.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de TVL gelezen in samenhang met artikel 2.2.6 van de TVL, volgt dat de minister afwijzend op de aanvraag beslist als de aanvraag niet tijdig is ingediend. Te late indiening van een TVL-aanvraag is een dwingende afwijzingsgrond in de TVL-regelingen voor alle kwartalen. De Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waarop de TVL is gebaseerd), biedt een grondslag om daarvan af te wijken.
5.2
Voor de wijze waarop de minister omgaat met te late aanvragen, verwijst het College naar de uitspraak van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293, rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 6.4).
5.3
Niet in geschil is dat de onderneming de aanvraag niet voor het in de TVL opgenomen eindtijdstip heeft ingediend. Ook heeft de onderneming geen contact opgenomen met de minister over de aanvraag tijdens de aanvraagperiode. Zij heeft pas na het verstrijken van de aanvraagtermijn voor het eerst contact opgenomen met de minister. Niet is gebleken dat het niet mogelijk was om tijdig een aanvraag in te dienen. De minister heeft er terecht op gewezen dat het de verantwoordelijkheid is van de onderneming om ervoor te zorgen dat zij tijdig een aanvraag indient. De onderneming heeft zelf de keuze gemaakt om iemand verantwoordelijk te maken voor de aanvraag die niet op de hoogte was van de geldende wet- en regelgeving. De gevolgen hiervan komen daarom voor risico van de onderneming. Hoewel het College begrijpt dat de afwijzing van de aanvraag financiële gevolgen heeft voor de onderneming, maakt dit niet dat de aanvraag alsnog in behandeling moet worden genomen.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2023.
w.g. H.S.J. Albers w.g. F. Willems
BIJLAGE
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.2.4. van de TVL bepaalt dat:
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;
[…]
Artikel 2.2.6. van de TVL bepaalt dat:
1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 15 februari 2021 tot en met 18 mei 2021.
2. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 12.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/876
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming)
(gemachtigde: [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat,
(gemachtigden: mr. O. Andich en A.M.D. Dijkstra).
Procesverloop
Met het besluit van 23 november 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode januari tot en met maart (Q1) van 2021 aangemerkt als een proformaaanvraag, en deze aanvraag vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 28 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 10 juli 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister. Namens de onderneming is, met bericht, niemand verschenen.
Overwegingen
1 Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2.1
Deze zaak gaat over een TVL-aanvraag die te laat is ingediend. Artikel 2.2.6 van de TVL bepaalt dat ondernemers hun aanvraag voor Q1 van 2021 uiterlijk op 18 mei 2021 voor 17.00 uur konden indienen. Na dat moment sloot het digitale aanvraagsysteem en was het voor ondernemers in beginsel niet meer mogelijk een aanvraag in te dienen via dat systeem. De minister heeft voor ondernemers die te laat waren met hun aanvraag de mogelijkheid geopend om de reden voor de overschrijding van de aanvraagtermijn te melden. Na beoordeling daarvan werd in bepaalde gevallen het digitale aanvraagsysteem voor de betrokken ondernemers tijdelijk opnieuw geopend, zodat zij alsnog een aanvraag konden indienen.
2.2
Geschil
Standpunt van de onderneming
3 De onderneming erkent dat zij te laat een aanvraag heeft gedaan. Het dienstverband met de financieel directeur die verantwoordelijk was voor de aanvraag, is in de loop van februari 2021 beëindigd. De onderneming is er niet in geslaagd om tijdig vervanging aan te trekken en heeft vervolgens besloten om de administrateur eindverantwoordelijk te maken voor het doen van aanvragen in het kader van de TVL. Door onbekendheid met de Regeling heeft de administrateur niet tijdig een aanvraag ingediend voor Q1 van 2021. De onderneming meent dat zij toch in aanmerking komt voor subsidie op grond van de TVL omdat zij daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden van de coronacrisis.
Standpunt van de minister
4 De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de te late aanvraag voor rekening en risico van de onderneming dient te komen. Het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om tijdig een aanvraag in te dienen en dat is ook zo indien sprake is van een medewerker die de aanvraag hoort te doen. Uit de Regeling volgt dat de minister een aanvraag moet afwijzen wanneer deze niet binnen de aanvraagperiode is ingediend. Er zijn geen omstandigheden gebleken waaruit volgt dat het voor de onderneming niet mogelijk was om tijdig een aanvraag te doen. De omstandigheid dat de administrateur niet bekend was met de TVL is geen bijzondere omstandigheid. De minister is van mening dat hij de aanvraag terecht heeft afgewezen.
Beoordeling
5.1
Uit artikel 2.2.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de TVL gelezen in samenhang met artikel 2.2.6 van de TVL, volgt dat de minister afwijzend op de aanvraag beslist als de aanvraag niet tijdig is ingediend. Te late indiening van een TVL-aanvraag is een dwingende afwijzingsgrond in de TVL-regelingen voor alle kwartalen. De Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waarop de TVL is gebaseerd), biedt een grondslag om daarvan af te wijken.
5.2
Voor de wijze waarop de minister omgaat met te late aanvragen, verwijst het College naar de uitspraak van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293, rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 6.4).
5.3
Niet in geschil is dat de onderneming de aanvraag niet voor het in de TVL opgenomen eindtijdstip heeft ingediend. Ook heeft de onderneming geen contact opgenomen met de minister over de aanvraag tijdens de aanvraagperiode. Zij heeft pas na het verstrijken van de aanvraagtermijn voor het eerst contact opgenomen met de minister. Niet is gebleken dat het niet mogelijk was om tijdig een aanvraag in te dienen. De minister heeft er terecht op gewezen dat het de verantwoordelijkheid is van de onderneming om ervoor te zorgen dat zij tijdig een aanvraag indient. De onderneming heeft zelf de keuze gemaakt om iemand verantwoordelijk te maken voor de aanvraag die niet op de hoogte was van de geldende wet- en regelgeving. De gevolgen hiervan komen daarom voor risico van de onderneming. Hoewel het College begrijpt dat de afwijzing van de aanvraag financiële gevolgen heeft voor de onderneming, maakt dit niet dat de aanvraag alsnog in behandeling moet worden genomen.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2023.
w.g. H.S.J. Albers w.g. F. Willems
BIJLAGE
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.2.4. van de TVL bepaalt dat:
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;
[…]
Artikel 2.2.6. van de TVL bepaalt dat:
1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 15 februari 2021 tot en met 18 mei 2021.
2. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 12.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/876
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming)
(gemachtigde: [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat,
(gemachtigden: mr. O. Andich en A.M.D. Dijkstra).
Procesverloop
Met het besluit van 23 november 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode januari tot en met maart (Q1) van 2021 aangemerkt als een proformaaanvraag, en deze aanvraag vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 28 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 10 juli 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister. Namens de onderneming is, met bericht, niemand verschenen.
Overwegingen
1 Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2.1
Deze zaak gaat over een TVL-aanvraag die te laat is ingediend. Artikel 2.2.6 van de TVL bepaalt dat ondernemers hun aanvraag voor Q1 van 2021 uiterlijk op 18 mei 2021 voor 17.00 uur konden indienen. Na dat moment sloot het digitale aanvraagsysteem en was het voor ondernemers in beginsel niet meer mogelijk een aanvraag in te dienen via dat systeem. De minister heeft voor ondernemers die te laat waren met hun aanvraag de mogelijkheid geopend om de reden voor de overschrijding van de aanvraagtermijn te melden. Na beoordeling daarvan werd in bepaalde gevallen het digitale aanvraagsysteem voor de betrokken ondernemers tijdelijk opnieuw geopend, zodat zij alsnog een aanvraag konden indienen.
2.2
Geschil
Standpunt van de onderneming
3 De onderneming erkent dat zij te laat een aanvraag heeft gedaan. Het dienstverband met de financieel directeur die verantwoordelijk was voor de aanvraag, is in de loop van februari 2021 beëindigd. De onderneming is er niet in geslaagd om tijdig vervanging aan te trekken en heeft vervolgens besloten om de administrateur eindverantwoordelijk te maken voor het doen van aanvragen in het kader van de TVL. Door onbekendheid met de Regeling heeft de administrateur niet tijdig een aanvraag ingediend voor Q1 van 2021. De onderneming meent dat zij toch in aanmerking komt voor subsidie op grond van de TVL omdat zij daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden van de coronacrisis.
Standpunt van de minister
4 De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de te late aanvraag voor rekening en risico van de onderneming dient te komen. Het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om tijdig een aanvraag in te dienen en dat is ook zo indien sprake is van een medewerker die de aanvraag hoort te doen. Uit de Regeling volgt dat de minister een aanvraag moet afwijzen wanneer deze niet binnen de aanvraagperiode is ingediend. Er zijn geen omstandigheden gebleken waaruit volgt dat het voor de onderneming niet mogelijk was om tijdig een aanvraag te doen. De omstandigheid dat de administrateur niet bekend was met de TVL is geen bijzondere omstandigheid. De minister is van mening dat hij de aanvraag terecht heeft afgewezen.
Beoordeling
5.1
Uit artikel 2.2.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de TVL gelezen in samenhang met artikel 2.2.6 van de TVL, volgt dat de minister afwijzend op de aanvraag beslist als de aanvraag niet tijdig is ingediend. Te late indiening van een TVL-aanvraag is een dwingende afwijzingsgrond in de TVL-regelingen voor alle kwartalen. De Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waarop de TVL is gebaseerd), biedt een grondslag om daarvan af te wijken.
5.2
Voor de wijze waarop de minister omgaat met te late aanvragen, verwijst het College naar de uitspraak van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293, rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 6.4).
5.3
Niet in geschil is dat de onderneming de aanvraag niet voor het in de TVL opgenomen eindtijdstip heeft ingediend. Ook heeft de onderneming geen contact opgenomen met de minister over de aanvraag tijdens de aanvraagperiode. Zij heeft pas na het verstrijken van de aanvraagtermijn voor het eerst contact opgenomen met de minister. Niet is gebleken dat het niet mogelijk was om tijdig een aanvraag in te dienen. De minister heeft er terecht op gewezen dat het de verantwoordelijkheid is van de onderneming om ervoor te zorgen dat zij tijdig een aanvraag indient. De onderneming heeft zelf de keuze gemaakt om iemand verantwoordelijk te maken voor de aanvraag die niet op de hoogte was van de geldende wet- en regelgeving. De gevolgen hiervan komen daarom voor risico van de onderneming. Hoewel het College begrijpt dat de afwijzing van de aanvraag financiële gevolgen heeft voor de onderneming, maakt dit niet dat de aanvraag alsnog in behandeling moet worden genomen.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2023.
w.g. H.S.J. Albers w.g. F. Willems
BIJLAGE
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.2.4. van de TVL bepaalt dat:
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;
[…]
Artikel 2.2.6. van de TVL bepaalt dat:
1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 15 februari 2021 tot en met 18 mei 2021.
2. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 12.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.