Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-07-18
ECLI:NL:CBB:2023:381
Bestuursrecht
Verzet
3,790 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/745
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 op het verzet van
[naam 1] , te [plaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister) van 7 maart 2022.
Bij uitspraak van 31 januari 2023 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen de uitspraak van 31 januari 2023 verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 12 juni 2023. [naam 2] heeft aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. Met het besluit van 7 maart 2022 heeft de minister het bezwaar van de ondernemer tegen het eerdere besluit van de minister van 20 augustus 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift (veel) te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (verontschuldigbaar) is. In de uitspraak van 31 januari 2023 heeft het College geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In verzet voert de ondernemer aan dat hij het oneerlijk vindt dat bij de beoordeling van het beroepschrift enkel en alleen is gekeken of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend, terwijl RVO vijf weken te laat was met het indienen van het verweerschrift. Dit getuigt volgens hem van een ongelijke behandeling van mens en overheid.
3. Het in verzet aangevoerde brengt het College niet tot het oordeel dat de uitspraak van 31 januari 2023 onjuist is. De termijnoverschrijding is niet verontschuldigbaar. Overigens acht het College het verwijt van de ondernemer aan de RVO niet terecht. In de brief waarin RVO werd gevraagd om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen, is RVO de mogelijkheid gegeven om een verweerschrift in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Omdat het College het wenselijk achtte dat er toch een verweerschrift werd ingediend, is RVO verzocht om binnen vier weken na 21 juli 2022 alsnog een verweerschrift in te dienen. RVO heeft op 3 augustus 2022, dus binnen de termijn, gehoor gegeven aan dat verzoek. Het verzet moet daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van de vennootschap niet inhoudelijk zal worden behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. M.J. Jacobs De griffier is verhinderd te ondertekenen
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/745
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 op het verzet van
[naam 1] , te [plaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister) van 7 maart 2022.
Bij uitspraak van 31 januari 2023 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen de uitspraak van 31 januari 2023 verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 12 juni 2023. [naam 2] heeft aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. Met het besluit van 7 maart 2022 heeft de minister het bezwaar van de ondernemer tegen het eerdere besluit van de minister van 20 augustus 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift (veel) te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (verontschuldigbaar) is. In de uitspraak van 31 januari 2023 heeft het College geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In verzet voert de ondernemer aan dat hij het oneerlijk vindt dat bij de beoordeling van het beroepschrift enkel en alleen is gekeken of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend, terwijl RVO vijf weken te laat was met het indienen van het verweerschrift. Dit getuigt volgens hem van een ongelijke behandeling van mens en overheid.
3. Het in verzet aangevoerde brengt het College niet tot het oordeel dat de uitspraak van 31 januari 2023 onjuist is. De termijnoverschrijding is niet verontschuldigbaar. Overigens acht het College het verwijt van de ondernemer aan de RVO niet terecht. In de brief waarin RVO werd gevraagd om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen, is RVO de mogelijkheid gegeven om een verweerschrift in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Omdat het College het wenselijk achtte dat er toch een verweerschrift werd ingediend, is RVO verzocht om binnen vier weken na 21 juli 2022 alsnog een verweerschrift in te dienen. RVO heeft op 3 augustus 2022, dus binnen de termijn, gehoor gegeven aan dat verzoek. Het verzet moet daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van de vennootschap niet inhoudelijk zal worden behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. M.J. Jacobs De griffier is verhinderd te ondertekenen
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/745
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 op het verzet van
[naam 1] , te [plaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister) van 7 maart 2022.
Bij uitspraak van 31 januari 2023 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen de uitspraak van 31 januari 2023 verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 12 juni 2023. [naam 2] heeft aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. Met het besluit van 7 maart 2022 heeft de minister het bezwaar van de ondernemer tegen het eerdere besluit van de minister van 20 augustus 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift (veel) te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (verontschuldigbaar) is. In de uitspraak van 31 januari 2023 heeft het College geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In verzet voert de ondernemer aan dat hij het oneerlijk vindt dat bij de beoordeling van het beroepschrift enkel en alleen is gekeken of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend, terwijl RVO vijf weken te laat was met het indienen van het verweerschrift. Dit getuigt volgens hem van een ongelijke behandeling van mens en overheid.
3. Het in verzet aangevoerde brengt het College niet tot het oordeel dat de uitspraak van 31 januari 2023 onjuist is. De termijnoverschrijding is niet verontschuldigbaar. Overigens acht het College het verwijt van de ondernemer aan de RVO niet terecht. In de brief waarin RVO werd gevraagd om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen, is RVO de mogelijkheid gegeven om een verweerschrift in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Omdat het College het wenselijk achtte dat er toch een verweerschrift werd ingediend, is RVO verzocht om binnen vier weken na 21 juli 2022 alsnog een verweerschrift in te dienen. RVO heeft op 3 augustus 2022, dus binnen de termijn, gehoor gegeven aan dat verzoek. Het verzet moet daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van de vennootschap niet inhoudelijk zal worden behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. M.J. Jacobs De griffier is verhinderd te ondertekenen
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/745
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 op het verzet van
[naam 1] , te [plaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister) van 7 maart 2022.
Bij uitspraak van 31 januari 2023 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen de uitspraak van 31 januari 2023 verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 12 juni 2023. [naam 2] heeft aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. Met het besluit van 7 maart 2022 heeft de minister het bezwaar van de ondernemer tegen het eerdere besluit van de minister van 20 augustus 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift (veel) te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (verontschuldigbaar) is. In de uitspraak van 31 januari 2023 heeft het College geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In verzet voert de ondernemer aan dat hij het oneerlijk vindt dat bij de beoordeling van het beroepschrift enkel en alleen is gekeken of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend, terwijl RVO vijf weken te laat was met het indienen van het verweerschrift. Dit getuigt volgens hem van een ongelijke behandeling van mens en overheid.
3. Het in verzet aangevoerde brengt het College niet tot het oordeel dat de uitspraak van 31 januari 2023 onjuist is. De termijnoverschrijding is niet verontschuldigbaar. Overigens acht het College het verwijt van de ondernemer aan de RVO niet terecht. In de brief waarin RVO werd gevraagd om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen, is RVO de mogelijkheid gegeven om een verweerschrift in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Omdat het College het wenselijk achtte dat er toch een verweerschrift werd ingediend, is RVO verzocht om binnen vier weken na 21 juli 2022 alsnog een verweerschrift in te dienen. RVO heeft op 3 augustus 2022, dus binnen de termijn, gehoor gegeven aan dat verzoek. Het verzet moet daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van de vennootschap niet inhoudelijk zal worden behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. M.J. Jacobs De griffier is verhinderd te ondertekenen
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/745
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 op het verzet van
[naam 1] , te [plaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister) van 7 maart 2022.
Bij uitspraak van 31 januari 2023 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen de uitspraak van 31 januari 2023 verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 12 juni 2023. [naam 2] heeft aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. Met het besluit van 7 maart 2022 heeft de minister het bezwaar van de ondernemer tegen het eerdere besluit van de minister van 20 augustus 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift (veel) te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (verontschuldigbaar) is. In de uitspraak van 31 januari 2023 heeft het College geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In verzet voert de ondernemer aan dat hij het oneerlijk vindt dat bij de beoordeling van het beroepschrift enkel en alleen is gekeken of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend, terwijl RVO vijf weken te laat was met het indienen van het verweerschrift. Dit getuigt volgens hem van een ongelijke behandeling van mens en overheid.
3. Het in verzet aangevoerde brengt het College niet tot het oordeel dat de uitspraak van 31 januari 2023 onjuist is. De termijnoverschrijding is niet verontschuldigbaar. Overigens acht het College het verwijt van de ondernemer aan de RVO niet terecht. In de brief waarin RVO werd gevraagd om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen, is RVO de mogelijkheid gegeven om een verweerschrift in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Omdat het College het wenselijk achtte dat er toch een verweerschrift werd ingediend, is RVO verzocht om binnen vier weken na 21 juli 2022 alsnog een verweerschrift in te dienen. RVO heeft op 3 augustus 2022, dus binnen de termijn, gehoor gegeven aan dat verzoek. Het verzet moet daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van de vennootschap niet inhoudelijk zal worden behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. M.J. Jacobs De griffier is verhinderd te ondertekenen