Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-01-24
ECLI:NL:CBB:2023:37
Bestuursrecht
Herziening
11,990 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/386
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2023 op het verzoek van
Maatschap [naam 1] , te [plaats] , verzoekster
om herziening van de uitspraak van het College van 23 februari 2021 met zaaknummer 19/1290.
Procesverloop
Bij uitspraak van 23 februari 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:175) heeft het College het door verzoekster ingestelde beroep tegen de beslissing van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inzake de fosfaatrechten voor het bedrijf van verzoekster ongegrond verklaard.
Bij brief van 22 december 2021 heeft verzoekster het College verzocht de uitspraak van 23 februari 2021 te herzien.
Bij brief van 14 april 2022 heeft de minister een reactie op het verzoek om herziening gegeven.
Ter zitting van 22 november 2022 is verzoekster, vertegenwoordigd door [naam 2] , gehoord over het verzoek. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. M. Leegsma en C. Zieleman.
Overwegingen
1. Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van het College van 23 februari 2021.
2. In de uitspraak van 23 februari 2021 heeft het College het beroep over het fosfaatrecht voor het bedrijf van verzoekster ongegrond verklaard. Daarbij is de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel voor biologische melkveebedrijven op regelingsniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), verworpen. Hierover heeft het College in deze uitspraak het volgende overwogen:
“6.1.1. Het College is, zoals door verweerder is aangevoerd, van oordeel dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP en dat biologische melkveehouders ook onder het fosfaatrechtenstelsel vallen. Zie de uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1-7, 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291 en 29 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:531, waarin het College dat eerder heeft overwogen.
6.1.2. De beroepsgrond dat biologische melkveehouders in Nederland geen gebruik kunnen maken van de derogatie ter behoud waarvan het fosfaatrechtenstelsel dient, zodat zij daar alleen maar last van hebben en geen voordeel, slaagt niet omdat het behoud van de derogatie het belang van de melkveesector als geheel dient en grondgebonden (biologische) melkveehouders tegemoetgekomen worden doordat zij zijn vrijgesteld van de generieke korting. De beroepsgrond dat in Nederland de kostprijs van biologische melk als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel onaanvaardbaar hoger is dan elders in de Europese Unie (EU) vanwege de kosten voor (extra) grond en (extra) fosfaatrechten en de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met het Unierecht en het stelsel van het vrije verkeer van goederen, personen en diensten belemmert, slagen evenmin, al omdat appellante die onvoldoende heeft onderbouwd. De door appellante in haar pleitnota gegeven fictieve rekenvoorbeelden, leiden het College niet tot een ander oordeel.”.
3. Het College heeft in de uitspraak van 23 februari 2021 ook de beroepsgrond van verzoekster dat sprake is van een individuele en buitensporige last verworpen. Het College overwoog daarover:
“6.2.5. In dat verband is van belang dat appellante van 2012 tot 2014 aanzienlijke investeringen heeft gedaan in de bouw van een nieuwe ligboxenstal en het kopen en pachten van extra grond, met de bedoeling om vervolgens ook haar veestapel uit te breiden. Zij is daarvoor financieringsverplichtingen aangegaan tot een bedrag van € 1,5 miljoen. Niet is gebleken dat daar een bedrijfseconomische noodzaak voor was. Volgens pagina 7 onder 2.4 van het rapport van Countus van 31 juli 2018, is het doel van de uitbreiding de exploitatie van een financieel gezond familiebedrijf. Ter zitting is gebleken dat de uitbreiding te maken had met de toetreding van de zoon tot het bedrijf. Dat zijn reguliere ondernemersbeslissingen. Gezien het tijdstip van de investeringen en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen daarvoor, acht het College de investeringen niet navolgbaar. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft, en een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Vanaf 2009 heeft de overheid maatregelen geïnitieerd en in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellante had ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen.
6.2.6. Nu appellante de noodzaak tot uitbreiding niet aannemelijk heeft gemaakt, onderscheidt zij zich niet van andere melkveehouders die hun beoogde uitbreiding op de peildatum nog niet (volledig) hadden gerealiseerd, en geldt ook voor haar dat zij rekening moest houden met naderende productiebeperkende maatregelen en meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s waarvoor zij zelf verantwoordelijkheid draagt. Dat appellante, zoals zij stelt, de veestapel moest uitbreiden met eigen aanwas omdat biologische melkkoeien biologisch moeten worden opgefokt, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Niet is gesteld of gebleken dat zij geen melkkoeien had kunnen kopen die elders biologisch zijn opgefokt. Het College is daarom van oordeel dat het voor haar risico komt dat zij op de peildatum nog niet over het beoogde aantal dieren beschikte. Dat appellante, zoals zij stelt, door het bestreden besluit de ammoniakmeting niet kan doen waartoe zij op grond van het besluit van 11 april 2012 tot toewijzing van haar proefstalaanvraag is gehouden, leidt het College niet tot een ander dan voormeld oordeel, omdat appellante ter zitting desgevraagd naar de gevolgen, heeft aangegeven niet te weten wat de gevolgen van het niet kunnen doen van die meting voor haar (vergunning) zullen zijn.”.
4. Ook heeft het College in de uitspraak van 23 februari 2021 de beroepsgrond van verzoekster dat zij recht heeft op schadevergoeding wegens onderbezetting van haar stalruimte, verworpen. Daarover heeft het College het volgende overwogen:
“6.3. Met betrekking tot het verzoek van appellante om vergoeding van de hiervoor onder 4.3 gestelde geleden schade, welk verzoek zij ter zitting heeft beperkt tot een bedrag van € 25.000,- omdat het College op grond van artikel 8:89, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot dat bedrag bevoegd is, overweegt het College als volgt. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat verweerder geen onrechtmatig besluit heeft genomen, noch dat sprake is geweest van een andere onrechtmatige handeling als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Het College zal het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen.”.
5. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
6. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening is bedoeld om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt, te herstellen. Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het College kan slechts rekening houden met feiten en omstandigheden die de verzoeker redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraken waarvan herziening wordt gevraagd. Het rechtsmiddel herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Dat betekent onder meer dat een vermeende onjuiste rechtsopvatting niet kan dienen als grond voor herziening. Het rechtsmiddel herziening is ook niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om stukken ter onderbouwing van een standpunt, die in een eerdere procedure naar voren hadden kunnen worden gebracht, alsnog naar voren te brengen en op die manier het debat te heropenen.
Dictum
Het College wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2023.
w.g. I.M. Ludwig w.g. T. Kuiper
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/386
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2023 op het verzoek van
Maatschap [naam 1] , te [plaats] , verzoekster
om herziening van de uitspraak van het College van 23 februari 2021 met zaaknummer 19/1290.
Procesverloop
Bij uitspraak van 23 februari 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:175) heeft het College het door verzoekster ingestelde beroep tegen de beslissing van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inzake de fosfaatrechten voor het bedrijf van verzoekster ongegrond verklaard.
Bij brief van 22 december 2021 heeft verzoekster het College verzocht de uitspraak van 23 februari 2021 te herzien.
Bij brief van 14 april 2022 heeft de minister een reactie op het verzoek om herziening gegeven.
Ter zitting van 22 november 2022 is verzoekster, vertegenwoordigd door [naam 2] , gehoord over het verzoek. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. M. Leegsma en C. Zieleman.
Overwegingen
1. Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van het College van 23 februari 2021.
2. In de uitspraak van 23 februari 2021 heeft het College het beroep over het fosfaatrecht voor het bedrijf van verzoekster ongegrond verklaard. Daarbij is de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel voor biologische melkveebedrijven op regelingsniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), verworpen. Hierover heeft het College in deze uitspraak het volgende overwogen:
“6.1.1. Het College is, zoals door verweerder is aangevoerd, van oordeel dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP en dat biologische melkveehouders ook onder het fosfaatrechtenstelsel vallen. Zie de uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1-7, 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291 en 29 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:531, waarin het College dat eerder heeft overwogen.
6.1.2. De beroepsgrond dat biologische melkveehouders in Nederland geen gebruik kunnen maken van de derogatie ter behoud waarvan het fosfaatrechtenstelsel dient, zodat zij daar alleen maar last van hebben en geen voordeel, slaagt niet omdat het behoud van de derogatie het belang van de melkveesector als geheel dient en grondgebonden (biologische) melkveehouders tegemoetgekomen worden doordat zij zijn vrijgesteld van de generieke korting. De beroepsgrond dat in Nederland de kostprijs van biologische melk als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel onaanvaardbaar hoger is dan elders in de Europese Unie (EU) vanwege de kosten voor (extra) grond en (extra) fosfaatrechten en de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met het Unierecht en het stelsel van het vrije verkeer van goederen, personen en diensten belemmert, slagen evenmin, al omdat appellante die onvoldoende heeft onderbouwd. De door appellante in haar pleitnota gegeven fictieve rekenvoorbeelden, leiden het College niet tot een ander oordeel.”.
3. Het College heeft in de uitspraak van 23 februari 2021 ook de beroepsgrond van verzoekster dat sprake is van een individuele en buitensporige last verworpen. Het College overwoog daarover:
“6.2.5. In dat verband is van belang dat appellante van 2012 tot 2014 aanzienlijke investeringen heeft gedaan in de bouw van een nieuwe ligboxenstal en het kopen en pachten van extra grond, met de bedoeling om vervolgens ook haar veestapel uit te breiden. Zij is daarvoor financieringsverplichtingen aangegaan tot een bedrag van € 1,5 miljoen. Niet is gebleken dat daar een bedrijfseconomische noodzaak voor was. Volgens pagina 7 onder 2.4 van het rapport van Countus van 31 juli 2018, is het doel van de uitbreiding de exploitatie van een financieel gezond familiebedrijf. Ter zitting is gebleken dat de uitbreiding te maken had met de toetreding van de zoon tot het bedrijf. Dat zijn reguliere ondernemersbeslissingen. Gezien het tijdstip van de investeringen en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen daarvoor, acht het College de investeringen niet navolgbaar. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft, en een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Vanaf 2009 heeft de overheid maatregelen geïnitieerd en in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellante had ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen.
6.2.6. Nu appellante de noodzaak tot uitbreiding niet aannemelijk heeft gemaakt, onderscheidt zij zich niet van andere melkveehouders die hun beoogde uitbreiding op de peildatum nog niet (volledig) hadden gerealiseerd, en geldt ook voor haar dat zij rekening moest houden met naderende productiebeperkende maatregelen en meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s waarvoor zij zelf verantwoordelijkheid draagt. Dat appellante, zoals zij stelt, de veestapel moest uitbreiden met eigen aanwas omdat biologische melkkoeien biologisch moeten worden opgefokt, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Niet is gesteld of gebleken dat zij geen melkkoeien had kunnen kopen die elders biologisch zijn opgefokt. Het College is daarom van oordeel dat het voor haar risico komt dat zij op de peildatum nog niet over het beoogde aantal dieren beschikte. Dat appellante, zoals zij stelt, door het bestreden besluit de ammoniakmeting niet kan doen waartoe zij op grond van het besluit van 11 april 2012 tot toewijzing van haar proefstalaanvraag is gehouden, leidt het College niet tot een ander dan voormeld oordeel, omdat appellante ter zitting desgevraagd naar de gevolgen, heeft aangegeven niet te weten wat de gevolgen van het niet kunnen doen van die meting voor haar (vergunning) zullen zijn.”.
4. Ook heeft het College in de uitspraak van 23 februari 2021 de beroepsgrond van verzoekster dat zij recht heeft op schadevergoeding wegens onderbezetting van haar stalruimte, verworpen. Daarover heeft het College het volgende overwogen:
“6.3. Met betrekking tot het verzoek van appellante om vergoeding van de hiervoor onder 4.3 gestelde geleden schade, welk verzoek zij ter zitting heeft beperkt tot een bedrag van € 25.000,- omdat het College op grond van artikel 8:89, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot dat bedrag bevoegd is, overweegt het College als volgt. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat verweerder geen onrechtmatig besluit heeft genomen, noch dat sprake is geweest van een andere onrechtmatige handeling als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Het College zal het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen.”.
5. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
6. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening is bedoeld om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt, te herstellen. Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het College kan slechts rekening houden met feiten en omstandigheden die de verzoeker redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraken waarvan herziening wordt gevraagd. Het rechtsmiddel herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Dat betekent onder meer dat een vermeende onjuiste rechtsopvatting niet kan dienen als grond voor herziening. Het rechtsmiddel herziening is ook niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om stukken ter onderbouwing van een standpunt, die in een eerdere procedure naar voren hadden kunnen worden gebracht, alsnog naar voren te brengen en op die manier het debat te heropenen.
Dictum
Het College wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2023.
w.g. I.M. Ludwig w.g. T. Kuiper
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/386
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2023 op het verzoek van
Maatschap [naam 1] , te [plaats] , verzoekster
om herziening van de uitspraak van het College van 23 februari 2021 met zaaknummer 19/1290.
Procesverloop
Bij uitspraak van 23 februari 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:175) heeft het College het door verzoekster ingestelde beroep tegen de beslissing van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inzake de fosfaatrechten voor het bedrijf van verzoekster ongegrond verklaard.
Bij brief van 22 december 2021 heeft verzoekster het College verzocht de uitspraak van 23 februari 2021 te herzien.
Bij brief van 14 april 2022 heeft de minister een reactie op het verzoek om herziening gegeven.
Ter zitting van 22 november 2022 is verzoekster, vertegenwoordigd door [naam 2] , gehoord over het verzoek. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. M. Leegsma en C. Zieleman.
Overwegingen
1. Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van het College van 23 februari 2021.
2. In de uitspraak van 23 februari 2021 heeft het College het beroep over het fosfaatrecht voor het bedrijf van verzoekster ongegrond verklaard. Daarbij is de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel voor biologische melkveebedrijven op regelingsniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), verworpen. Hierover heeft het College in deze uitspraak het volgende overwogen:
“6.1.1. Het College is, zoals door verweerder is aangevoerd, van oordeel dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP en dat biologische melkveehouders ook onder het fosfaatrechtenstelsel vallen. Zie de uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1-7, 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291 en 29 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:531, waarin het College dat eerder heeft overwogen.
6.1.2. De beroepsgrond dat biologische melkveehouders in Nederland geen gebruik kunnen maken van de derogatie ter behoud waarvan het fosfaatrechtenstelsel dient, zodat zij daar alleen maar last van hebben en geen voordeel, slaagt niet omdat het behoud van de derogatie het belang van de melkveesector als geheel dient en grondgebonden (biologische) melkveehouders tegemoetgekomen worden doordat zij zijn vrijgesteld van de generieke korting. De beroepsgrond dat in Nederland de kostprijs van biologische melk als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel onaanvaardbaar hoger is dan elders in de Europese Unie (EU) vanwege de kosten voor (extra) grond en (extra) fosfaatrechten en de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met het Unierecht en het stelsel van het vrije verkeer van goederen, personen en diensten belemmert, slagen evenmin, al omdat appellante die onvoldoende heeft onderbouwd. De door appellante in haar pleitnota gegeven fictieve rekenvoorbeelden, leiden het College niet tot een ander oordeel.”.
3. Het College heeft in de uitspraak van 23 februari 2021 ook de beroepsgrond van verzoekster dat sprake is van een individuele en buitensporige last verworpen. Het College overwoog daarover:
“6.2.5. In dat verband is van belang dat appellante van 2012 tot 2014 aanzienlijke investeringen heeft gedaan in de bouw van een nieuwe ligboxenstal en het kopen en pachten van extra grond, met de bedoeling om vervolgens ook haar veestapel uit te breiden. Zij is daarvoor financieringsverplichtingen aangegaan tot een bedrag van € 1,5 miljoen. Niet is gebleken dat daar een bedrijfseconomische noodzaak voor was. Volgens pagina 7 onder 2.4 van het rapport van Countus van 31 juli 2018, is het doel van de uitbreiding de exploitatie van een financieel gezond familiebedrijf. Ter zitting is gebleken dat de uitbreiding te maken had met de toetreding van de zoon tot het bedrijf. Dat zijn reguliere ondernemersbeslissingen. Gezien het tijdstip van de investeringen en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen daarvoor, acht het College de investeringen niet navolgbaar. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft, en een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Vanaf 2009 heeft de overheid maatregelen geïnitieerd en in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellante had ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen.
6.2.6. Nu appellante de noodzaak tot uitbreiding niet aannemelijk heeft gemaakt, onderscheidt zij zich niet van andere melkveehouders die hun beoogde uitbreiding op de peildatum nog niet (volledig) hadden gerealiseerd, en geldt ook voor haar dat zij rekening moest houden met naderende productiebeperkende maatregelen en meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s waarvoor zij zelf verantwoordelijkheid draagt. Dat appellante, zoals zij stelt, de veestapel moest uitbreiden met eigen aanwas omdat biologische melkkoeien biologisch moeten worden opgefokt, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Niet is gesteld of gebleken dat zij geen melkkoeien had kunnen kopen die elders biologisch zijn opgefokt. Het College is daarom van oordeel dat het voor haar risico komt dat zij op de peildatum nog niet over het beoogde aantal dieren beschikte. Dat appellante, zoals zij stelt, door het bestreden besluit de ammoniakmeting niet kan doen waartoe zij op grond van het besluit van 11 april 2012 tot toewijzing van haar proefstalaanvraag is gehouden, leidt het College niet tot een ander dan voormeld oordeel, omdat appellante ter zitting desgevraagd naar de gevolgen, heeft aangegeven niet te weten wat de gevolgen van het niet kunnen doen van die meting voor haar (vergunning) zullen zijn.”.
4. Ook heeft het College in de uitspraak van 23 februari 2021 de beroepsgrond van verzoekster dat zij recht heeft op schadevergoeding wegens onderbezetting van haar stalruimte, verworpen. Daarover heeft het College het volgende overwogen:
“6.3. Met betrekking tot het verzoek van appellante om vergoeding van de hiervoor onder 4.3 gestelde geleden schade, welk verzoek zij ter zitting heeft beperkt tot een bedrag van € 25.000,- omdat het College op grond van artikel 8:89, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot dat bedrag bevoegd is, overweegt het College als volgt. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat verweerder geen onrechtmatig besluit heeft genomen, noch dat sprake is geweest van een andere onrechtmatige handeling als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Het College zal het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen.”.
5. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
6. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening is bedoeld om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt, te herstellen. Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het College kan slechts rekening houden met feiten en omstandigheden die de verzoeker redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraken waarvan herziening wordt gevraagd. Het rechtsmiddel herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Dat betekent onder meer dat een vermeende onjuiste rechtsopvatting niet kan dienen als grond voor herziening. Het rechtsmiddel herziening is ook niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om stukken ter onderbouwing van een standpunt, die in een eerdere procedure naar voren hadden kunnen worden gebracht, alsnog naar voren te brengen en op die manier het debat te heropenen.
Dictum
Het College wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2023.
w.g. I.M. Ludwig w.g. T. Kuiper
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/386
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2023 op het verzoek van
Maatschap [naam 1] , te [plaats] , verzoekster
om herziening van de uitspraak van het College van 23 februari 2021 met zaaknummer 19/1290.
Procesverloop
Bij uitspraak van 23 februari 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:175) heeft het College het door verzoekster ingestelde beroep tegen de beslissing van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inzake de fosfaatrechten voor het bedrijf van verzoekster ongegrond verklaard.
Bij brief van 22 december 2021 heeft verzoekster het College verzocht de uitspraak van 23 februari 2021 te herzien.
Bij brief van 14 april 2022 heeft de minister een reactie op het verzoek om herziening gegeven.
Ter zitting van 22 november 2022 is verzoekster, vertegenwoordigd door [naam 2] , gehoord over het verzoek. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. M. Leegsma en C. Zieleman.
Overwegingen
1. Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van het College van 23 februari 2021.
2. In de uitspraak van 23 februari 2021 heeft het College het beroep over het fosfaatrecht voor het bedrijf van verzoekster ongegrond verklaard. Daarbij is de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel voor biologische melkveebedrijven op regelingsniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), verworpen. Hierover heeft het College in deze uitspraak het volgende overwogen:
“6.1.1. Het College is, zoals door verweerder is aangevoerd, van oordeel dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP en dat biologische melkveehouders ook onder het fosfaatrechtenstelsel vallen. Zie de uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1-7, 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291 en 29 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:531, waarin het College dat eerder heeft overwogen.
6.1.2. De beroepsgrond dat biologische melkveehouders in Nederland geen gebruik kunnen maken van de derogatie ter behoud waarvan het fosfaatrechtenstelsel dient, zodat zij daar alleen maar last van hebben en geen voordeel, slaagt niet omdat het behoud van de derogatie het belang van de melkveesector als geheel dient en grondgebonden (biologische) melkveehouders tegemoetgekomen worden doordat zij zijn vrijgesteld van de generieke korting. De beroepsgrond dat in Nederland de kostprijs van biologische melk als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel onaanvaardbaar hoger is dan elders in de Europese Unie (EU) vanwege de kosten voor (extra) grond en (extra) fosfaatrechten en de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met het Unierecht en het stelsel van het vrije verkeer van goederen, personen en diensten belemmert, slagen evenmin, al omdat appellante die onvoldoende heeft onderbouwd. De door appellante in haar pleitnota gegeven fictieve rekenvoorbeelden, leiden het College niet tot een ander oordeel.”.
3. Het College heeft in de uitspraak van 23 februari 2021 ook de beroepsgrond van verzoekster dat sprake is van een individuele en buitensporige last verworpen. Het College overwoog daarover:
“6.2.5. In dat verband is van belang dat appellante van 2012 tot 2014 aanzienlijke investeringen heeft gedaan in de bouw van een nieuwe ligboxenstal en het kopen en pachten van extra grond, met de bedoeling om vervolgens ook haar veestapel uit te breiden. Zij is daarvoor financieringsverplichtingen aangegaan tot een bedrag van € 1,5 miljoen. Niet is gebleken dat daar een bedrijfseconomische noodzaak voor was. Volgens pagina 7 onder 2.4 van het rapport van Countus van 31 juli 2018, is het doel van de uitbreiding de exploitatie van een financieel gezond familiebedrijf. Ter zitting is gebleken dat de uitbreiding te maken had met de toetreding van de zoon tot het bedrijf. Dat zijn reguliere ondernemersbeslissingen. Gezien het tijdstip van de investeringen en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen daarvoor, acht het College de investeringen niet navolgbaar. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft, en een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Vanaf 2009 heeft de overheid maatregelen geïnitieerd en in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellante had ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen.
6.2.6. Nu appellante de noodzaak tot uitbreiding niet aannemelijk heeft gemaakt, onderscheidt zij zich niet van andere melkveehouders die hun beoogde uitbreiding op de peildatum nog niet (volledig) hadden gerealiseerd, en geldt ook voor haar dat zij rekening moest houden met naderende productiebeperkende maatregelen en meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s waarvoor zij zelf verantwoordelijkheid draagt. Dat appellante, zoals zij stelt, de veestapel moest uitbreiden met eigen aanwas omdat biologische melkkoeien biologisch moeten worden opgefokt, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Niet is gesteld of gebleken dat zij geen melkkoeien had kunnen kopen die elders biologisch zijn opgefokt. Het College is daarom van oordeel dat het voor haar risico komt dat zij op de peildatum nog niet over het beoogde aantal dieren beschikte. Dat appellante, zoals zij stelt, door het bestreden besluit de ammoniakmeting niet kan doen waartoe zij op grond van het besluit van 11 april 2012 tot toewijzing van haar proefstalaanvraag is gehouden, leidt het College niet tot een ander dan voormeld oordeel, omdat appellante ter zitting desgevraagd naar de gevolgen, heeft aangegeven niet te weten wat de gevolgen van het niet kunnen doen van die meting voor haar (vergunning) zullen zijn.”.
4. Ook heeft het College in de uitspraak van 23 februari 2021 de beroepsgrond van verzoekster dat zij recht heeft op schadevergoeding wegens onderbezetting van haar stalruimte, verworpen. Daarover heeft het College het volgende overwogen:
“6.3. Met betrekking tot het verzoek van appellante om vergoeding van de hiervoor onder 4.3 gestelde geleden schade, welk verzoek zij ter zitting heeft beperkt tot een bedrag van € 25.000,- omdat het College op grond van artikel 8:89, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot dat bedrag bevoegd is, overweegt het College als volgt. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat verweerder geen onrechtmatig besluit heeft genomen, noch dat sprake is geweest van een andere onrechtmatige handeling als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Het College zal het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen.”.
5. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
6. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening is bedoeld om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt, te herstellen. Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het College kan slechts rekening houden met feiten en omstandigheden die de verzoeker redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraken waarvan herziening wordt gevraagd. Het rechtsmiddel herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Dat betekent onder meer dat een vermeende onjuiste rechtsopvatting niet kan dienen als grond voor herziening. Het rechtsmiddel herziening is ook niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om stukken ter onderbouwing van een standpunt, die in een eerdere procedure naar voren hadden kunnen worden gebracht, alsnog naar voren te brengen en op die manier het debat te heropenen.
Dictum
Het College wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2023.
w.g. I.M. Ludwig w.g. T. Kuiper
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/386
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2023 op het verzoek van
Maatschap [naam 1] , te [plaats] , verzoekster
om herziening van de uitspraak van het College van 23 februari 2021 met zaaknummer 19/1290.
Procesverloop
Bij uitspraak van 23 februari 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:175) heeft het College het door verzoekster ingestelde beroep tegen de beslissing van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inzake de fosfaatrechten voor het bedrijf van verzoekster ongegrond verklaard.
Bij brief van 22 december 2021 heeft verzoekster het College verzocht de uitspraak van 23 februari 2021 te herzien.
Bij brief van 14 april 2022 heeft de minister een reactie op het verzoek om herziening gegeven.
Ter zitting van 22 november 2022 is verzoekster, vertegenwoordigd door [naam 2] , gehoord over het verzoek. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. M. Leegsma en C. Zieleman.
Overwegingen
1. Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van het College van 23 februari 2021.
2. In de uitspraak van 23 februari 2021 heeft het College het beroep over het fosfaatrecht voor het bedrijf van verzoekster ongegrond verklaard. Daarbij is de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel voor biologische melkveebedrijven op regelingsniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), verworpen. Hierover heeft het College in deze uitspraak het volgende overwogen:
“6.1.1. Het College is, zoals door verweerder is aangevoerd, van oordeel dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP en dat biologische melkveehouders ook onder het fosfaatrechtenstelsel vallen. Zie de uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1-7, 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291 en 29 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:531, waarin het College dat eerder heeft overwogen.
6.1.2. De beroepsgrond dat biologische melkveehouders in Nederland geen gebruik kunnen maken van de derogatie ter behoud waarvan het fosfaatrechtenstelsel dient, zodat zij daar alleen maar last van hebben en geen voordeel, slaagt niet omdat het behoud van de derogatie het belang van de melkveesector als geheel dient en grondgebonden (biologische) melkveehouders tegemoetgekomen worden doordat zij zijn vrijgesteld van de generieke korting. De beroepsgrond dat in Nederland de kostprijs van biologische melk als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel onaanvaardbaar hoger is dan elders in de Europese Unie (EU) vanwege de kosten voor (extra) grond en (extra) fosfaatrechten en de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met het Unierecht en het stelsel van het vrije verkeer van goederen, personen en diensten belemmert, slagen evenmin, al omdat appellante die onvoldoende heeft onderbouwd. De door appellante in haar pleitnota gegeven fictieve rekenvoorbeelden, leiden het College niet tot een ander oordeel.”.
3. Het College heeft in de uitspraak van 23 februari 2021 ook de beroepsgrond van verzoekster dat sprake is van een individuele en buitensporige last verworpen. Het College overwoog daarover:
“6.2.5. In dat verband is van belang dat appellante van 2012 tot 2014 aanzienlijke investeringen heeft gedaan in de bouw van een nieuwe ligboxenstal en het kopen en pachten van extra grond, met de bedoeling om vervolgens ook haar veestapel uit te breiden. Zij is daarvoor financieringsverplichtingen aangegaan tot een bedrag van € 1,5 miljoen. Niet is gebleken dat daar een bedrijfseconomische noodzaak voor was. Volgens pagina 7 onder 2.4 van het rapport van Countus van 31 juli 2018, is het doel van de uitbreiding de exploitatie van een financieel gezond familiebedrijf. Ter zitting is gebleken dat de uitbreiding te maken had met de toetreding van de zoon tot het bedrijf. Dat zijn reguliere ondernemersbeslissingen. Gezien het tijdstip van de investeringen en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen daarvoor, acht het College de investeringen niet navolgbaar. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft, en een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Vanaf 2009 heeft de overheid maatregelen geïnitieerd en in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellante had ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen.
6.2.6. Nu appellante de noodzaak tot uitbreiding niet aannemelijk heeft gemaakt, onderscheidt zij zich niet van andere melkveehouders die hun beoogde uitbreiding op de peildatum nog niet (volledig) hadden gerealiseerd, en geldt ook voor haar dat zij rekening moest houden met naderende productiebeperkende maatregelen en meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s waarvoor zij zelf verantwoordelijkheid draagt. Dat appellante, zoals zij stelt, de veestapel moest uitbreiden met eigen aanwas omdat biologische melkkoeien biologisch moeten worden opgefokt, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Niet is gesteld of gebleken dat zij geen melkkoeien had kunnen kopen die elders biologisch zijn opgefokt. Het College is daarom van oordeel dat het voor haar risico komt dat zij op de peildatum nog niet over het beoogde aantal dieren beschikte. Dat appellante, zoals zij stelt, door het bestreden besluit de ammoniakmeting niet kan doen waartoe zij op grond van het besluit van 11 april 2012 tot toewijzing van haar proefstalaanvraag is gehouden, leidt het College niet tot een ander dan voormeld oordeel, omdat appellante ter zitting desgevraagd naar de gevolgen, heeft aangegeven niet te weten wat de gevolgen van het niet kunnen doen van die meting voor haar (vergunning) zullen zijn.”.
4. Ook heeft het College in de uitspraak van 23 februari 2021 de beroepsgrond van verzoekster dat zij recht heeft op schadevergoeding wegens onderbezetting van haar stalruimte, verworpen. Daarover heeft het College het volgende overwogen:
“6.3. Met betrekking tot het verzoek van appellante om vergoeding van de hiervoor onder 4.3 gestelde geleden schade, welk verzoek zij ter zitting heeft beperkt tot een bedrag van € 25.000,- omdat het College op grond van artikel 8:89, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot dat bedrag bevoegd is, overweegt het College als volgt. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat verweerder geen onrechtmatig besluit heeft genomen, noch dat sprake is geweest van een andere onrechtmatige handeling als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Het College zal het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen.”.
5. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
6. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening is bedoeld om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt, te herstellen. Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het College kan slechts rekening houden met feiten en omstandigheden die de verzoeker redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraken waarvan herziening wordt gevraagd. Het rechtsmiddel herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Dat betekent onder meer dat een vermeende onjuiste rechtsopvatting niet kan dienen als grond voor herziening. Het rechtsmiddel herziening is ook niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om stukken ter onderbouwing van een standpunt, die in een eerdere procedure naar voren hadden kunnen worden gebracht, alsnog naar voren te brengen en op die manier het debat te heropenen.
Dictum
Het College wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2023.
w.g. I.M. Ludwig w.g. T. Kuiper