Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-07-18
ECLI:NL:CBB:2023:368
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,455 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/452
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ,
en
de minister voor Klimaat en Energie,
(gemachtigde: mr. M. Wullink).
Procesverloop
Met het besluit van 15 oktober 2021 heeft de minister de aanvraag van [naam] om subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor de aanschaf van een warmtepomp afgewezen.
Met het besluit van 28 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam] en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1.1.
[naam] heeft op 8 juli 2021 subsidie aangevraagd voor de aanschaf van een warmtepomp. Bij deze aanvraag heeft hij onder andere gevoegd een factuur van de aanschaf van de warmtepomp en een factuur van het vervangen van de CV verdelers.
1.2.
Uit een telefoonnotitie van 13 oktober 2021 blijkt dat [naam] de warmtepomp zelf heeft geïnstalleerd en dat een installateur de warmtepomp heeft gecontroleerd en in bedrijf heeft gesteld.
2. Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan het vereiste dat de warmtepomp (volledig) is geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf, zoals vanaf 2021 is vereist op grond van artikel 4.5.2., tweede lid, van de Regeling. Dat de warmtepomp is gecontroleerd en in bedrijf is gesteld door een erkend bouwinstallatiebedrijf, maakt dit volgens de minister niet anders. De (gehele) installatie dient plaats te vinden door een bouwinstallatiebedrijf omdat ondeskundige installatie moet worden voorkomen. Het is niet mogelijk om een uitzondering te maken voor subsidieaanvragers die zelf bekwaam zijn om een warmtepomp te installeren. Bovendien klopt het subsidiebedrag dan niet met de lagere kosten die de aanvrager maakt omdat hij de installatie zelf heeft gedaan.
3.1.
[naam] voert aan dat hij zich voorafgaand aan de aanschaf van de warmtepomp heeft verdiept in de regelgeving. Hij heeft een warmtepomp aangeschaft die door de RVO is goedgekeurd en in de subsidieregeling is opgenomen. Het is hem niet opgevallen dat de regels in de tussentijd waren gewijzigd. De communicatie vanuit de overheid veranderde ook niet. Men bleef spreken over een warmtepomp en de subsidie, maar niet over een warmtepomp die door een erkend bouwinstallatiebedrijf geïnstalleerd moest worden. In goed vertrouwen heeft hij vervolgens in maart 2021 de warmtepomp aangeschaft. [naam] betwist niet dat hij de warmtepomp zelf heeft geïnstalleerd, maar wijst erop dat hij net zo heeft gehandeld als een erkend bouwinstallatiebedrijf. Zijn bedrijf staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK) en hij heeft volgens de door hem overgelegde bestemmingsomschrijving van het plan [Plan] buitengebied 2007 (status: voorontwerp) op zijn adres onder andere ook toestemming om een bouwbedrijf te voeren. Hij is zelf in staat om een warmtepomp te installeren. Daar komt bij dat de installatie door een erkend bouwinstallatiebedrijf is gecontroleerd en goedgekeurd.
3.2.
Verder voert [naam] aan dat hij veel kosten heeft gemaakt voor de (installatie van de) warmtepomp en voor overige energiebesparende maatregelen die hij heeft genomen, zodat de minister er ten onrechte van uitgaat dat de kosten niet stroken met het subsidiebedrag. Daarnaast is er volgens hem sprake van rechtsongelijkheid die ontstaat doordat er niet op locatie gecontroleerd wordt. Volgens [naam] is het makkelijk om een aanvraag op papier zo aan te passen dat wordt voldaan aan de vereisten, omdat er onvoldoende toezicht is.
Beoordeling
4. Het gaat in deze zaak om de vraag of is voldaan aan het vereiste van artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling. Hierin is bepaald dat de subsidie wordt verstrekt voor de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van, in dit geval, een warmtepomp. Volgens artikel 4.5.1 van de Regeling wordt onder een bouwinstallatiebedrijf verstaan een bedrijf dat in het handelsregister is ingeschreven in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. Dit vereiste is ingevoerd per 1 januari 2021. Het College stelt vast dat dit vereiste van toepassing is op de aanvraag van [naam] , omdat [naam] de subsidie heeft aangevraagd in 2021. Dat hij niet wist dat de Regeling was veranderd, maakt dit niet anders. De minister kan hierop geen uitzondering maken en moet de aanvraag beoordelen op het moment dat die is ingediend.
5.1.
Het College stelt verder vast dat [naam] op het moment van de installatie van de warmtepomp niet was ingeschreven in het handelsregister in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. Uit het door [naam] overgelegde uittreksel van de KvK blijkt dat zijn bedrijf is ingeschreven onder de activiteit Overige dienstverlening. Naar het oordeel van het college is hiermee geen sprake van een inschrijving in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. [naam] of zijn bedrijf kan dan ook niet worden aangemerkt als een bouwinstallatiebedrijf als bedoeld in de Regeling. Dat hij, naar hij stelt, op zijn adres ook toestemming heeft om daar een bouwbedrijf te voeren, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. De installatie van de warmtepomp voldoet daarom niet aan het in artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling gestelde vereiste. Dat wordt niet anders doordat de installatie door een erkend bouwinstallatiebedrijf is gecontroleerd en goedgekeurd. De Regeling bevat geen hardheidsclausule en biedt de minister geen ruimte voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.2.
Dat geen sprake is van beoordelingsruimte geldt ook voor de kosten die [naam] voor de installatie en overige energiebesparende maatregelen heeft gemaakt. De minister heeft over deze kosten opgemerkt dat het redelijk is te veronderstellen dat iemand die de warmtepomp zelf installeert, goedkoper uit is dan iemand die dat laat doen en dat de subsidiebedragen zijn gebaseerd op het laatste geval opdat de installatie op een deskundige wijze plaatsvindt. Maar wat daar ook van zij, dat [naam] stelt dat hij nog extra energiebesparende maatregelen heeft getroffen en extra kosten voor (de installatie van) de warmtepomp heeft gemaakt, maakt naar het oordeel van het College niet dat de subsidie alsnog moet worden verleend. Als niet is voldaan aan (een van de) vereisten van de Regeling is de minister gehouden om de aanvraag af te wijzen.
6. Over het betoog van [naam] dat hij zelf in staat is om een warmtepomp te installeren en dat het zonder een controle ter plaatste makkelijker zou kunnen worden om een aanvraag zo aan te passen dat wordt voldaan aan de vereisten, overweegt het College als volgt. Het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is ingevoerd met als doel om onkundige installatie zoveel mogelijk te voorkomen. Het College acht de keuze van de regelgever voor het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf in verband met de uitvoerbaarheid van de Regeling begrijpelijk. Dat hiermee mogelijk niet kan worden gegarandeerd dat iedere installatie voldoende vakkundig geschiedt, zoals appellant stelt, kan zo zijn, maar dit geeft geen aanleiding om af te wijken van de in de Regeling neergelegde norm en afbreuk te doen aan de uitvoerbaarheid van de Regeling.
7. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. H.S.J. Albers w.g. F. Willems
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/452
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ,
en
de minister voor Klimaat en Energie,
(gemachtigde: mr. M. Wullink).
Procesverloop
Met het besluit van 15 oktober 2021 heeft de minister de aanvraag van [naam] om subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor de aanschaf van een warmtepomp afgewezen.
Met het besluit van 28 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam] en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1.1.
[naam] heeft op 8 juli 2021 subsidie aangevraagd voor de aanschaf van een warmtepomp. Bij deze aanvraag heeft hij onder andere gevoegd een factuur van de aanschaf van de warmtepomp en een factuur van het vervangen van de CV verdelers.
1.2.
Uit een telefoonnotitie van 13 oktober 2021 blijkt dat [naam] de warmtepomp zelf heeft geïnstalleerd en dat een installateur de warmtepomp heeft gecontroleerd en in bedrijf heeft gesteld.
2. Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan het vereiste dat de warmtepomp (volledig) is geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf, zoals vanaf 2021 is vereist op grond van artikel 4.5.2., tweede lid, van de Regeling. Dat de warmtepomp is gecontroleerd en in bedrijf is gesteld door een erkend bouwinstallatiebedrijf, maakt dit volgens de minister niet anders. De (gehele) installatie dient plaats te vinden door een bouwinstallatiebedrijf omdat ondeskundige installatie moet worden voorkomen. Het is niet mogelijk om een uitzondering te maken voor subsidieaanvragers die zelf bekwaam zijn om een warmtepomp te installeren. Bovendien klopt het subsidiebedrag dan niet met de lagere kosten die de aanvrager maakt omdat hij de installatie zelf heeft gedaan.
3.1.
[naam] voert aan dat hij zich voorafgaand aan de aanschaf van de warmtepomp heeft verdiept in de regelgeving. Hij heeft een warmtepomp aangeschaft die door de RVO is goedgekeurd en in de subsidieregeling is opgenomen. Het is hem niet opgevallen dat de regels in de tussentijd waren gewijzigd. De communicatie vanuit de overheid veranderde ook niet. Men bleef spreken over een warmtepomp en de subsidie, maar niet over een warmtepomp die door een erkend bouwinstallatiebedrijf geïnstalleerd moest worden. In goed vertrouwen heeft hij vervolgens in maart 2021 de warmtepomp aangeschaft. [naam] betwist niet dat hij de warmtepomp zelf heeft geïnstalleerd, maar wijst erop dat hij net zo heeft gehandeld als een erkend bouwinstallatiebedrijf. Zijn bedrijf staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK) en hij heeft volgens de door hem overgelegde bestemmingsomschrijving van het plan [Plan] buitengebied 2007 (status: voorontwerp) op zijn adres onder andere ook toestemming om een bouwbedrijf te voeren. Hij is zelf in staat om een warmtepomp te installeren. Daar komt bij dat de installatie door een erkend bouwinstallatiebedrijf is gecontroleerd en goedgekeurd.
3.2.
Verder voert [naam] aan dat hij veel kosten heeft gemaakt voor de (installatie van de) warmtepomp en voor overige energiebesparende maatregelen die hij heeft genomen, zodat de minister er ten onrechte van uitgaat dat de kosten niet stroken met het subsidiebedrag. Daarnaast is er volgens hem sprake van rechtsongelijkheid die ontstaat doordat er niet op locatie gecontroleerd wordt. Volgens [naam] is het makkelijk om een aanvraag op papier zo aan te passen dat wordt voldaan aan de vereisten, omdat er onvoldoende toezicht is.
Beoordeling
4. Het gaat in deze zaak om de vraag of is voldaan aan het vereiste van artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling. Hierin is bepaald dat de subsidie wordt verstrekt voor de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van, in dit geval, een warmtepomp. Volgens artikel 4.5.1 van de Regeling wordt onder een bouwinstallatiebedrijf verstaan een bedrijf dat in het handelsregister is ingeschreven in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. Dit vereiste is ingevoerd per 1 januari 2021. Het College stelt vast dat dit vereiste van toepassing is op de aanvraag van [naam] , omdat [naam] de subsidie heeft aangevraagd in 2021. Dat hij niet wist dat de Regeling was veranderd, maakt dit niet anders. De minister kan hierop geen uitzondering maken en moet de aanvraag beoordelen op het moment dat die is ingediend.
5.1.
Het College stelt verder vast dat [naam] op het moment van de installatie van de warmtepomp niet was ingeschreven in het handelsregister in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. Uit het door [naam] overgelegde uittreksel van de KvK blijkt dat zijn bedrijf is ingeschreven onder de activiteit Overige dienstverlening. Naar het oordeel van het college is hiermee geen sprake van een inschrijving in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. [naam] of zijn bedrijf kan dan ook niet worden aangemerkt als een bouwinstallatiebedrijf als bedoeld in de Regeling. Dat hij, naar hij stelt, op zijn adres ook toestemming heeft om daar een bouwbedrijf te voeren, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. De installatie van de warmtepomp voldoet daarom niet aan het in artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling gestelde vereiste. Dat wordt niet anders doordat de installatie door een erkend bouwinstallatiebedrijf is gecontroleerd en goedgekeurd. De Regeling bevat geen hardheidsclausule en biedt de minister geen ruimte voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.2.
Dat geen sprake is van beoordelingsruimte geldt ook voor de kosten die [naam] voor de installatie en overige energiebesparende maatregelen heeft gemaakt. De minister heeft over deze kosten opgemerkt dat het redelijk is te veronderstellen dat iemand die de warmtepomp zelf installeert, goedkoper uit is dan iemand die dat laat doen en dat de subsidiebedragen zijn gebaseerd op het laatste geval opdat de installatie op een deskundige wijze plaatsvindt. Maar wat daar ook van zij, dat [naam] stelt dat hij nog extra energiebesparende maatregelen heeft getroffen en extra kosten voor (de installatie van) de warmtepomp heeft gemaakt, maakt naar het oordeel van het College niet dat de subsidie alsnog moet worden verleend. Als niet is voldaan aan (een van de) vereisten van de Regeling is de minister gehouden om de aanvraag af te wijzen.
6. Over het betoog van [naam] dat hij zelf in staat is om een warmtepomp te installeren en dat het zonder een controle ter plaatste makkelijker zou kunnen worden om een aanvraag zo aan te passen dat wordt voldaan aan de vereisten, overweegt het College als volgt. Het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is ingevoerd met als doel om onkundige installatie zoveel mogelijk te voorkomen. Het College acht de keuze van de regelgever voor het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf in verband met de uitvoerbaarheid van de Regeling begrijpelijk. Dat hiermee mogelijk niet kan worden gegarandeerd dat iedere installatie voldoende vakkundig geschiedt, zoals appellant stelt, kan zo zijn, maar dit geeft geen aanleiding om af te wijken van de in de Regeling neergelegde norm en afbreuk te doen aan de uitvoerbaarheid van de Regeling.
7. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. H.S.J. Albers w.g. F. Willems
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/452
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ,
en
de minister voor Klimaat en Energie,
(gemachtigde: mr. M. Wullink).
Procesverloop
Met het besluit van 15 oktober 2021 heeft de minister de aanvraag van [naam] om subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor de aanschaf van een warmtepomp afgewezen.
Met het besluit van 28 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam] en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1.1.
[naam] heeft op 8 juli 2021 subsidie aangevraagd voor de aanschaf van een warmtepomp. Bij deze aanvraag heeft hij onder andere gevoegd een factuur van de aanschaf van de warmtepomp en een factuur van het vervangen van de CV verdelers.
1.2.
Uit een telefoonnotitie van 13 oktober 2021 blijkt dat [naam] de warmtepomp zelf heeft geïnstalleerd en dat een installateur de warmtepomp heeft gecontroleerd en in bedrijf heeft gesteld.
2. Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan het vereiste dat de warmtepomp (volledig) is geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf, zoals vanaf 2021 is vereist op grond van artikel 4.5.2., tweede lid, van de Regeling. Dat de warmtepomp is gecontroleerd en in bedrijf is gesteld door een erkend bouwinstallatiebedrijf, maakt dit volgens de minister niet anders. De (gehele) installatie dient plaats te vinden door een bouwinstallatiebedrijf omdat ondeskundige installatie moet worden voorkomen. Het is niet mogelijk om een uitzondering te maken voor subsidieaanvragers die zelf bekwaam zijn om een warmtepomp te installeren. Bovendien klopt het subsidiebedrag dan niet met de lagere kosten die de aanvrager maakt omdat hij de installatie zelf heeft gedaan.
3.1.
[naam] voert aan dat hij zich voorafgaand aan de aanschaf van de warmtepomp heeft verdiept in de regelgeving. Hij heeft een warmtepomp aangeschaft die door de RVO is goedgekeurd en in de subsidieregeling is opgenomen. Het is hem niet opgevallen dat de regels in de tussentijd waren gewijzigd. De communicatie vanuit de overheid veranderde ook niet. Men bleef spreken over een warmtepomp en de subsidie, maar niet over een warmtepomp die door een erkend bouwinstallatiebedrijf geïnstalleerd moest worden. In goed vertrouwen heeft hij vervolgens in maart 2021 de warmtepomp aangeschaft. [naam] betwist niet dat hij de warmtepomp zelf heeft geïnstalleerd, maar wijst erop dat hij net zo heeft gehandeld als een erkend bouwinstallatiebedrijf. Zijn bedrijf staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK) en hij heeft volgens de door hem overgelegde bestemmingsomschrijving van het plan [Plan] buitengebied 2007 (status: voorontwerp) op zijn adres onder andere ook toestemming om een bouwbedrijf te voeren. Hij is zelf in staat om een warmtepomp te installeren. Daar komt bij dat de installatie door een erkend bouwinstallatiebedrijf is gecontroleerd en goedgekeurd.
3.2.
Verder voert [naam] aan dat hij veel kosten heeft gemaakt voor de (installatie van de) warmtepomp en voor overige energiebesparende maatregelen die hij heeft genomen, zodat de minister er ten onrechte van uitgaat dat de kosten niet stroken met het subsidiebedrag. Daarnaast is er volgens hem sprake van rechtsongelijkheid die ontstaat doordat er niet op locatie gecontroleerd wordt. Volgens [naam] is het makkelijk om een aanvraag op papier zo aan te passen dat wordt voldaan aan de vereisten, omdat er onvoldoende toezicht is.
Beoordeling
4. Het gaat in deze zaak om de vraag of is voldaan aan het vereiste van artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling. Hierin is bepaald dat de subsidie wordt verstrekt voor de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van, in dit geval, een warmtepomp. Volgens artikel 4.5.1 van de Regeling wordt onder een bouwinstallatiebedrijf verstaan een bedrijf dat in het handelsregister is ingeschreven in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. Dit vereiste is ingevoerd per 1 januari 2021. Het College stelt vast dat dit vereiste van toepassing is op de aanvraag van [naam] , omdat [naam] de subsidie heeft aangevraagd in 2021. Dat hij niet wist dat de Regeling was veranderd, maakt dit niet anders. De minister kan hierop geen uitzondering maken en moet de aanvraag beoordelen op het moment dat die is ingediend.
5.1.
Het College stelt verder vast dat [naam] op het moment van de installatie van de warmtepomp niet was ingeschreven in het handelsregister in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. Uit het door [naam] overgelegde uittreksel van de KvK blijkt dat zijn bedrijf is ingeschreven onder de activiteit Overige dienstverlening. Naar het oordeel van het college is hiermee geen sprake van een inschrijving in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. [naam] of zijn bedrijf kan dan ook niet worden aangemerkt als een bouwinstallatiebedrijf als bedoeld in de Regeling. Dat hij, naar hij stelt, op zijn adres ook toestemming heeft om daar een bouwbedrijf te voeren, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. De installatie van de warmtepomp voldoet daarom niet aan het in artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling gestelde vereiste. Dat wordt niet anders doordat de installatie door een erkend bouwinstallatiebedrijf is gecontroleerd en goedgekeurd. De Regeling bevat geen hardheidsclausule en biedt de minister geen ruimte voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.2.
Dat geen sprake is van beoordelingsruimte geldt ook voor de kosten die [naam] voor de installatie en overige energiebesparende maatregelen heeft gemaakt. De minister heeft over deze kosten opgemerkt dat het redelijk is te veronderstellen dat iemand die de warmtepomp zelf installeert, goedkoper uit is dan iemand die dat laat doen en dat de subsidiebedragen zijn gebaseerd op het laatste geval opdat de installatie op een deskundige wijze plaatsvindt. Maar wat daar ook van zij, dat [naam] stelt dat hij nog extra energiebesparende maatregelen heeft getroffen en extra kosten voor (de installatie van) de warmtepomp heeft gemaakt, maakt naar het oordeel van het College niet dat de subsidie alsnog moet worden verleend. Als niet is voldaan aan (een van de) vereisten van de Regeling is de minister gehouden om de aanvraag af te wijzen.
6. Over het betoog van [naam] dat hij zelf in staat is om een warmtepomp te installeren en dat het zonder een controle ter plaatste makkelijker zou kunnen worden om een aanvraag zo aan te passen dat wordt voldaan aan de vereisten, overweegt het College als volgt. Het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is ingevoerd met als doel om onkundige installatie zoveel mogelijk te voorkomen. Het College acht de keuze van de regelgever voor het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf in verband met de uitvoerbaarheid van de Regeling begrijpelijk. Dat hiermee mogelijk niet kan worden gegarandeerd dat iedere installatie voldoende vakkundig geschiedt, zoals appellant stelt, kan zo zijn, maar dit geeft geen aanleiding om af te wijken van de in de Regeling neergelegde norm en afbreuk te doen aan de uitvoerbaarheid van de Regeling.
7. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. H.S.J. Albers w.g. F. Willems
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/452
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ,
en
de minister voor Klimaat en Energie,
(gemachtigde: mr. M. Wullink).
Procesverloop
Met het besluit van 15 oktober 2021 heeft de minister de aanvraag van [naam] om subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor de aanschaf van een warmtepomp afgewezen.
Met het besluit van 28 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam] en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1.1.
[naam] heeft op 8 juli 2021 subsidie aangevraagd voor de aanschaf van een warmtepomp. Bij deze aanvraag heeft hij onder andere gevoegd een factuur van de aanschaf van de warmtepomp en een factuur van het vervangen van de CV verdelers.
1.2.
Uit een telefoonnotitie van 13 oktober 2021 blijkt dat [naam] de warmtepomp zelf heeft geïnstalleerd en dat een installateur de warmtepomp heeft gecontroleerd en in bedrijf heeft gesteld.
2. Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan het vereiste dat de warmtepomp (volledig) is geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf, zoals vanaf 2021 is vereist op grond van artikel 4.5.2., tweede lid, van de Regeling. Dat de warmtepomp is gecontroleerd en in bedrijf is gesteld door een erkend bouwinstallatiebedrijf, maakt dit volgens de minister niet anders. De (gehele) installatie dient plaats te vinden door een bouwinstallatiebedrijf omdat ondeskundige installatie moet worden voorkomen. Het is niet mogelijk om een uitzondering te maken voor subsidieaanvragers die zelf bekwaam zijn om een warmtepomp te installeren. Bovendien klopt het subsidiebedrag dan niet met de lagere kosten die de aanvrager maakt omdat hij de installatie zelf heeft gedaan.
3.1.
[naam] voert aan dat hij zich voorafgaand aan de aanschaf van de warmtepomp heeft verdiept in de regelgeving. Hij heeft een warmtepomp aangeschaft die door de RVO is goedgekeurd en in de subsidieregeling is opgenomen. Het is hem niet opgevallen dat de regels in de tussentijd waren gewijzigd. De communicatie vanuit de overheid veranderde ook niet. Men bleef spreken over een warmtepomp en de subsidie, maar niet over een warmtepomp die door een erkend bouwinstallatiebedrijf geïnstalleerd moest worden. In goed vertrouwen heeft hij vervolgens in maart 2021 de warmtepomp aangeschaft. [naam] betwist niet dat hij de warmtepomp zelf heeft geïnstalleerd, maar wijst erop dat hij net zo heeft gehandeld als een erkend bouwinstallatiebedrijf. Zijn bedrijf staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK) en hij heeft volgens de door hem overgelegde bestemmingsomschrijving van het plan [Plan] buitengebied 2007 (status: voorontwerp) op zijn adres onder andere ook toestemming om een bouwbedrijf te voeren. Hij is zelf in staat om een warmtepomp te installeren. Daar komt bij dat de installatie door een erkend bouwinstallatiebedrijf is gecontroleerd en goedgekeurd.
3.2.
Verder voert [naam] aan dat hij veel kosten heeft gemaakt voor de (installatie van de) warmtepomp en voor overige energiebesparende maatregelen die hij heeft genomen, zodat de minister er ten onrechte van uitgaat dat de kosten niet stroken met het subsidiebedrag. Daarnaast is er volgens hem sprake van rechtsongelijkheid die ontstaat doordat er niet op locatie gecontroleerd wordt. Volgens [naam] is het makkelijk om een aanvraag op papier zo aan te passen dat wordt voldaan aan de vereisten, omdat er onvoldoende toezicht is.
Beoordeling
4. Het gaat in deze zaak om de vraag of is voldaan aan het vereiste van artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling. Hierin is bepaald dat de subsidie wordt verstrekt voor de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van, in dit geval, een warmtepomp. Volgens artikel 4.5.1 van de Regeling wordt onder een bouwinstallatiebedrijf verstaan een bedrijf dat in het handelsregister is ingeschreven in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. Dit vereiste is ingevoerd per 1 januari 2021. Het College stelt vast dat dit vereiste van toepassing is op de aanvraag van [naam] , omdat [naam] de subsidie heeft aangevraagd in 2021. Dat hij niet wist dat de Regeling was veranderd, maakt dit niet anders. De minister kan hierop geen uitzondering maken en moet de aanvraag beoordelen op het moment dat die is ingediend.
5.1.
Het College stelt verder vast dat [naam] op het moment van de installatie van de warmtepomp niet was ingeschreven in het handelsregister in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. Uit het door [naam] overgelegde uittreksel van de KvK blijkt dat zijn bedrijf is ingeschreven onder de activiteit Overige dienstverlening. Naar het oordeel van het college is hiermee geen sprake van een inschrijving in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. [naam] of zijn bedrijf kan dan ook niet worden aangemerkt als een bouwinstallatiebedrijf als bedoeld in de Regeling. Dat hij, naar hij stelt, op zijn adres ook toestemming heeft om daar een bouwbedrijf te voeren, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. De installatie van de warmtepomp voldoet daarom niet aan het in artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling gestelde vereiste. Dat wordt niet anders doordat de installatie door een erkend bouwinstallatiebedrijf is gecontroleerd en goedgekeurd. De Regeling bevat geen hardheidsclausule en biedt de minister geen ruimte voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.2.
Dat geen sprake is van beoordelingsruimte geldt ook voor de kosten die [naam] voor de installatie en overige energiebesparende maatregelen heeft gemaakt. De minister heeft over deze kosten opgemerkt dat het redelijk is te veronderstellen dat iemand die de warmtepomp zelf installeert, goedkoper uit is dan iemand die dat laat doen en dat de subsidiebedragen zijn gebaseerd op het laatste geval opdat de installatie op een deskundige wijze plaatsvindt. Maar wat daar ook van zij, dat [naam] stelt dat hij nog extra energiebesparende maatregelen heeft getroffen en extra kosten voor (de installatie van) de warmtepomp heeft gemaakt, maakt naar het oordeel van het College niet dat de subsidie alsnog moet worden verleend. Als niet is voldaan aan (een van de) vereisten van de Regeling is de minister gehouden om de aanvraag af te wijzen.
6. Over het betoog van [naam] dat hij zelf in staat is om een warmtepomp te installeren en dat het zonder een controle ter plaatste makkelijker zou kunnen worden om een aanvraag zo aan te passen dat wordt voldaan aan de vereisten, overweegt het College als volgt. Het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is ingevoerd met als doel om onkundige installatie zoveel mogelijk te voorkomen. Het College acht de keuze van de regelgever voor het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf in verband met de uitvoerbaarheid van de Regeling begrijpelijk. Dat hiermee mogelijk niet kan worden gegarandeerd dat iedere installatie voldoende vakkundig geschiedt, zoals appellant stelt, kan zo zijn, maar dit geeft geen aanleiding om af te wijken van de in de Regeling neergelegde norm en afbreuk te doen aan de uitvoerbaarheid van de Regeling.
7. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. H.S.J. Albers w.g. F. Willems
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/452
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] ,
en
de minister voor Klimaat en Energie,
(gemachtigde: mr. M. Wullink).
Procesverloop
Met het besluit van 15 oktober 2021 heeft de minister de aanvraag van [naam] om subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor de aanschaf van een warmtepomp afgewezen.
Met het besluit van 28 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam] en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1.1.
[naam] heeft op 8 juli 2021 subsidie aangevraagd voor de aanschaf van een warmtepomp. Bij deze aanvraag heeft hij onder andere gevoegd een factuur van de aanschaf van de warmtepomp en een factuur van het vervangen van de CV verdelers.
1.2.
Uit een telefoonnotitie van 13 oktober 2021 blijkt dat [naam] de warmtepomp zelf heeft geïnstalleerd en dat een installateur de warmtepomp heeft gecontroleerd en in bedrijf heeft gesteld.
2. Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan het vereiste dat de warmtepomp (volledig) is geïnstalleerd door een bouwinstallatiebedrijf, zoals vanaf 2021 is vereist op grond van artikel 4.5.2., tweede lid, van de Regeling. Dat de warmtepomp is gecontroleerd en in bedrijf is gesteld door een erkend bouwinstallatiebedrijf, maakt dit volgens de minister niet anders. De (gehele) installatie dient plaats te vinden door een bouwinstallatiebedrijf omdat ondeskundige installatie moet worden voorkomen. Het is niet mogelijk om een uitzondering te maken voor subsidieaanvragers die zelf bekwaam zijn om een warmtepomp te installeren. Bovendien klopt het subsidiebedrag dan niet met de lagere kosten die de aanvrager maakt omdat hij de installatie zelf heeft gedaan.
3.1.
[naam] voert aan dat hij zich voorafgaand aan de aanschaf van de warmtepomp heeft verdiept in de regelgeving. Hij heeft een warmtepomp aangeschaft die door de RVO is goedgekeurd en in de subsidieregeling is opgenomen. Het is hem niet opgevallen dat de regels in de tussentijd waren gewijzigd. De communicatie vanuit de overheid veranderde ook niet. Men bleef spreken over een warmtepomp en de subsidie, maar niet over een warmtepomp die door een erkend bouwinstallatiebedrijf geïnstalleerd moest worden. In goed vertrouwen heeft hij vervolgens in maart 2021 de warmtepomp aangeschaft. [naam] betwist niet dat hij de warmtepomp zelf heeft geïnstalleerd, maar wijst erop dat hij net zo heeft gehandeld als een erkend bouwinstallatiebedrijf. Zijn bedrijf staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK) en hij heeft volgens de door hem overgelegde bestemmingsomschrijving van het plan [Plan] buitengebied 2007 (status: voorontwerp) op zijn adres onder andere ook toestemming om een bouwbedrijf te voeren. Hij is zelf in staat om een warmtepomp te installeren. Daar komt bij dat de installatie door een erkend bouwinstallatiebedrijf is gecontroleerd en goedgekeurd.
3.2.
Verder voert [naam] aan dat hij veel kosten heeft gemaakt voor de (installatie van de) warmtepomp en voor overige energiebesparende maatregelen die hij heeft genomen, zodat de minister er ten onrechte van uitgaat dat de kosten niet stroken met het subsidiebedrag. Daarnaast is er volgens hem sprake van rechtsongelijkheid die ontstaat doordat er niet op locatie gecontroleerd wordt. Volgens [naam] is het makkelijk om een aanvraag op papier zo aan te passen dat wordt voldaan aan de vereisten, omdat er onvoldoende toezicht is.
Beoordeling
4. Het gaat in deze zaak om de vraag of is voldaan aan het vereiste van artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling. Hierin is bepaald dat de subsidie wordt verstrekt voor de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van, in dit geval, een warmtepomp. Volgens artikel 4.5.1 van de Regeling wordt onder een bouwinstallatiebedrijf verstaan een bedrijf dat in het handelsregister is ingeschreven in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. Dit vereiste is ingevoerd per 1 januari 2021. Het College stelt vast dat dit vereiste van toepassing is op de aanvraag van [naam] , omdat [naam] de subsidie heeft aangevraagd in 2021. Dat hij niet wist dat de Regeling was veranderd, maakt dit niet anders. De minister kan hierop geen uitzondering maken en moet de aanvraag beoordelen op het moment dat die is ingediend.
5.1.
Het College stelt verder vast dat [naam] op het moment van de installatie van de warmtepomp niet was ingeschreven in het handelsregister in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. Uit het door [naam] overgelegde uittreksel van de KvK blijkt dat zijn bedrijf is ingeschreven onder de activiteit Overige dienstverlening. Naar het oordeel van het college is hiermee geen sprake van een inschrijving in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie. [naam] of zijn bedrijf kan dan ook niet worden aangemerkt als een bouwinstallatiebedrijf als bedoeld in de Regeling. Dat hij, naar hij stelt, op zijn adres ook toestemming heeft om daar een bouwbedrijf te voeren, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. De installatie van de warmtepomp voldoet daarom niet aan het in artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling gestelde vereiste. Dat wordt niet anders doordat de installatie door een erkend bouwinstallatiebedrijf is gecontroleerd en goedgekeurd. De Regeling bevat geen hardheidsclausule en biedt de minister geen ruimte voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.2.
Dat geen sprake is van beoordelingsruimte geldt ook voor de kosten die [naam] voor de installatie en overige energiebesparende maatregelen heeft gemaakt. De minister heeft over deze kosten opgemerkt dat het redelijk is te veronderstellen dat iemand die de warmtepomp zelf installeert, goedkoper uit is dan iemand die dat laat doen en dat de subsidiebedragen zijn gebaseerd op het laatste geval opdat de installatie op een deskundige wijze plaatsvindt. Maar wat daar ook van zij, dat [naam] stelt dat hij nog extra energiebesparende maatregelen heeft getroffen en extra kosten voor (de installatie van) de warmtepomp heeft gemaakt, maakt naar het oordeel van het College niet dat de subsidie alsnog moet worden verleend. Als niet is voldaan aan (een van de) vereisten van de Regeling is de minister gehouden om de aanvraag af te wijzen.
6. Over het betoog van [naam] dat hij zelf in staat is om een warmtepomp te installeren en dat het zonder een controle ter plaatste makkelijker zou kunnen worden om een aanvraag zo aan te passen dat wordt voldaan aan de vereisten, overweegt het College als volgt. Het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is ingevoerd met als doel om onkundige installatie zoveel mogelijk te voorkomen. Het College acht de keuze van de regelgever voor het vereiste van installatie door een bouwinstallatiebedrijf in verband met de uitvoerbaarheid van de Regeling begrijpelijk. Dat hiermee mogelijk niet kan worden gegarandeerd dat iedere installatie voldoende vakkundig geschiedt, zoals appellant stelt, kan zo zijn, maar dit geeft geen aanleiding om af te wijken van de in de Regeling neergelegde norm en afbreuk te doen aan de uitvoerbaarheid van de Regeling.
7. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. H.S.J. Albers w.g. F. Willems