Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2021-07-13
ECLI:NL:CBB:2021:762
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
3,314 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/887
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
13 juli 2021 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante
(gemachtigde: E. Akbas),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman).
Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van een door appellante ingediend Formulier niet aansluitende SBI-code geweigerd appellante een tegemoetkoming te verstrekken op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (Beleidsregel).
Bij besluit van 11 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , bestuurder-directeur van appellante, en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College op 13 juli 2021 uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Appellante heeft een Formulier niet aansluitende SBI-code ingediend. Over de onderneming van appellante was op 15 maart 2020 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) de SBI-code 64.30.2 (‘Beleggingsinstellingen in vaste activa’) opgenomen, en als bedrijfsomschrijving ‘Beheermaatschappij’. Verweerder heeft in het primaire besluit het voorstel van appellante om van een andere SBI-code uit te gaan niet overgenomen en heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
3. Appellante erkent dat zowel de SBI-code als de omschrijving van haar bedrijfsactiviteiten waarmee zij op de peildatum was ingeschreven in het handelsregister niet aansluiten bij haar feitelijke activiteiten. Er heeft volgens appellante geen complete heroverweging plaatsgevonden en het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. De inschrijving in het handelsregister onder een onjuiste SBI-code betreft puur een administratieve vergissing, maar dit is hersteld. Op 30 juni 2020 is de bedrijfsomschrijving met terugwerkende kracht gewijzigd naar ‘Herenmodespeciaalzaak’ en is de SBI-code met terugwerkende kracht aangepast aan de bedrijfsomschrijving (47.71.1 ‘Winkels in herenkleding’). De SBI-code 47.71.1 staat wel in Bijlage 1. Appellant heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule. In bijzondere omstandigheden kan van de Beleidsregel worden afgeweken.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omschrijving van de werkzaamheden zoals die op 15 maart 2020 in het handelsregister stond bepalend is. De SBI-code 64.30.2 waarmee appellante op 15 maart 2020 in het handelsregister stond ingeschreven, staat niet in Bijlage 1 van de Beleidsregel staat. Verder heeft verweerder overwogen dat de bedrijfsomschrijving in het handelsregister niet overeenkomt met een andere SBI-code die wél in Bijlage 1 staat. Dat appellante haar registratie na 15 maart 2020 met terugwerkende kracht heeft gewijzigd, maakt dat niet anders. Verweerder betwist dat geen integrale heroverweging in bezwaar heeft plaatsgevonden. Immers, binnen de reikwijdte van de Beleidsregel is onderzocht of appellante met haar op de peildatum in het handelsregister geregistreerde bedrijfsactiviteiten in aanmerking kon komen voor de tegemoetkoming. De Beleidsregel bevat geen hardheidsclausule. Verweerder heeft beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat van de Beleidsregel dient te worden afgeweken. Hiervan is echter niet gebleken.
4. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat in bezwaar geen integrale heroverweging heeft plaatsgevonden of dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder heeft alle aangevoerde bezwaargronden meegenomen in zijn besluitvorming. Verweerder heeft echter in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding gezien aan appellante alsnog een tegemoetkoming toe te kennen. Het College overweegt daarover als volgt.
5. Het College heeft verschillende uitspraken gedaan over de Beleidsregel. Het College verwijst naar de uitspraken van 22 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:992, ECLI:NL:CBB:2020:993, ECLI:NL:CBB:2020:994 en ECLI:NL:CBB:2020:995). Daarin is onder meer opgenomen dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit houdt in dat de rechter alleen kan toetsen of het beleid op consistente wijze is toegepast. Net als in genoemde uitspraken heeft verweerder zijn beleid in dit geval op consistente wijze toegepast. Niet de feitelijke activiteiten, die niet ter discussie staan, maar wat op de peildatum is geregistreerd in het handelsregister is leidend. Verweerder hoeft geen rekening te houden met wijzigingen die in het handelsregister zijn doorgevoerd na de peildatum, ook niet als het gaat om wijzigingen met terugwerkende kracht. In het geval van appellante heeft verweerder de aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de Beleidsregel dan ook terecht afgewezen omdat de SBI-code waaronder appellante op
15 maart 2020 was geregistreerd, niet is vermeld in Bijlage 1.
6. Bij toepassing van de Beleidsregel toetst verweerder ook of de bedrijfsomschrijving, zoals die op de peildatum was geregistreerd, aanknopingspunten biedt voor een daarbij passende SBI-code die wel op de lijst in die Bijlage is vermeld. Verweerder heeft terecht geconstateerd dat daar in dit geval geen sprake van is. Ook in zoverre heeft verweerder zijn beleid consistent toegepast. Het College volgt verweerder in het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de Beleidsregel rechtvaardigen.
7. Het beroep is ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van
mr. P.E.A. Chao, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2021.
de voorzitter is verhinderd de de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/887
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
13 juli 2021 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante
(gemachtigde: E. Akbas),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman).
Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van een door appellante ingediend Formulier niet aansluitende SBI-code geweigerd appellante een tegemoetkoming te verstrekken op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (Beleidsregel).
Bij besluit van 11 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , bestuurder-directeur van appellante, en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College op 13 juli 2021 uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Appellante heeft een Formulier niet aansluitende SBI-code ingediend. Over de onderneming van appellante was op 15 maart 2020 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) de SBI-code 64.30.2 (‘Beleggingsinstellingen in vaste activa’) opgenomen, en als bedrijfsomschrijving ‘Beheermaatschappij’. Verweerder heeft in het primaire besluit het voorstel van appellante om van een andere SBI-code uit te gaan niet overgenomen en heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
3. Appellante erkent dat zowel de SBI-code als de omschrijving van haar bedrijfsactiviteiten waarmee zij op de peildatum was ingeschreven in het handelsregister niet aansluiten bij haar feitelijke activiteiten. Er heeft volgens appellante geen complete heroverweging plaatsgevonden en het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. De inschrijving in het handelsregister onder een onjuiste SBI-code betreft puur een administratieve vergissing, maar dit is hersteld. Op 30 juni 2020 is de bedrijfsomschrijving met terugwerkende kracht gewijzigd naar ‘Herenmodespeciaalzaak’ en is de SBI-code met terugwerkende kracht aangepast aan de bedrijfsomschrijving (47.71.1 ‘Winkels in herenkleding’). De SBI-code 47.71.1 staat wel in Bijlage 1. Appellant heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule. In bijzondere omstandigheden kan van de Beleidsregel worden afgeweken.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omschrijving van de werkzaamheden zoals die op 15 maart 2020 in het handelsregister stond bepalend is. De SBI-code 64.30.2 waarmee appellante op 15 maart 2020 in het handelsregister stond ingeschreven, staat niet in Bijlage 1 van de Beleidsregel staat. Verder heeft verweerder overwogen dat de bedrijfsomschrijving in het handelsregister niet overeenkomt met een andere SBI-code die wél in Bijlage 1 staat. Dat appellante haar registratie na 15 maart 2020 met terugwerkende kracht heeft gewijzigd, maakt dat niet anders. Verweerder betwist dat geen integrale heroverweging in bezwaar heeft plaatsgevonden. Immers, binnen de reikwijdte van de Beleidsregel is onderzocht of appellante met haar op de peildatum in het handelsregister geregistreerde bedrijfsactiviteiten in aanmerking kon komen voor de tegemoetkoming. De Beleidsregel bevat geen hardheidsclausule. Verweerder heeft beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat van de Beleidsregel dient te worden afgeweken. Hiervan is echter niet gebleken.
4. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat in bezwaar geen integrale heroverweging heeft plaatsgevonden of dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder heeft alle aangevoerde bezwaargronden meegenomen in zijn besluitvorming. Verweerder heeft echter in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding gezien aan appellante alsnog een tegemoetkoming toe te kennen. Het College overweegt daarover als volgt.
5. Het College heeft verschillende uitspraken gedaan over de Beleidsregel. Het College verwijst naar de uitspraken van 22 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:992, ECLI:NL:CBB:2020:993, ECLI:NL:CBB:2020:994 en ECLI:NL:CBB:2020:995). Daarin is onder meer opgenomen dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit houdt in dat de rechter alleen kan toetsen of het beleid op consistente wijze is toegepast. Net als in genoemde uitspraken heeft verweerder zijn beleid in dit geval op consistente wijze toegepast. Niet de feitelijke activiteiten, die niet ter discussie staan, maar wat op de peildatum is geregistreerd in het handelsregister is leidend. Verweerder hoeft geen rekening te houden met wijzigingen die in het handelsregister zijn doorgevoerd na de peildatum, ook niet als het gaat om wijzigingen met terugwerkende kracht. In het geval van appellante heeft verweerder de aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de Beleidsregel dan ook terecht afgewezen omdat de SBI-code waaronder appellante op
15 maart 2020 was geregistreerd, niet is vermeld in Bijlage 1.
6. Bij toepassing van de Beleidsregel toetst verweerder ook of de bedrijfsomschrijving, zoals die op de peildatum was geregistreerd, aanknopingspunten biedt voor een daarbij passende SBI-code die wel op de lijst in die Bijlage is vermeld. Verweerder heeft terecht geconstateerd dat daar in dit geval geen sprake van is. Ook in zoverre heeft verweerder zijn beleid consistent toegepast. Het College volgt verweerder in het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de Beleidsregel rechtvaardigen.
7. Het beroep is ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van
mr. P.E.A. Chao, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2021.
de voorzitter is verhinderd de de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen