Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2021-03-02
ECLI:NL:CBB:2021:218
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,705 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/516
uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. K.J. Defares),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. T.D. van der Wal).
Procesverloop
Appellante heeft, samen met verschillende andere appellanten, tegen ongeveer 400 besluiten op bezwaar van verweerder over gehanteerde tarieven voor officiële keuringen in slachthuizen (de bestreden besluiten) beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het College, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk gegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedures van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.
2. Appellante heeft, samen met verschillende andere appelanten, op drie verschillende momenten (3 april 2017, 24 april 2017 en 29 juni 2017) ongeveer 400 beroepen ingediend. In een groot deel van deze beroepen is op 20 oktober 2020 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Awb uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2020:709). Daarbij is per abuis niet tevens uitspraak gedaan op het onderhavige beroep omdat toen over het hoofd is gezien dat dit beroep mede behoort tot genoemde groep beroepen. Het College ziet hierin aanleiding om thans afzonderlijk op dit beroep uitspraak te doen.
3. Alle beroepen zien op dezelfde materie en zijn door dezelfde gemachtigde ingediend. Op 14 juni 2017 zijn partijen tijdens een regiezitting overeengekomen dat er vier beroepen zullen worden behandeld als zogenaamde pilotzaken (zaaknummers 17/488, 17/511, 17/669 en 17/684) en dat de rest van de zaken zal worden aangehouden. De pilotzaken zijn behandeld ter zitting van 30 november 2017. Deze zaken zijn vervolgens met de verwijzingsuitspraak van 17 juli 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:340) voor de beantwoording van prejudiciële vragen verwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie). Het Hof van Justitie heeft de prejudiciële vragen beantwoord bij arrest van 19 december 2019 in de gevoegde zaken C-477/18 en C-478/18 (ECLI:EU:C:2019:1126). Vervolgens zijn de pilotzaken opnieuw op zitting behandeld op 17 juli 2020. Het College heeft bij uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:707) einduitspraak gedaan in de pilotzaken. De beroepen zijn gegrond verklaard, de betreffende bestreden besluiten zijn vernietigd en bepaald is dat verweerder binnen 26 weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar moet nemen.
4. De geschilpunten in de onderhavige zaak zijn identiek aan de geschilpunten in de pilotzaken. Het College neemt al hetgeen dienaangaande is overwogen in de einduitspraak in de pilotzaken van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:707) hier over.
5. Dit leidt er toe dat het College aanleiding ziet om het beroep in de onderhavige zaak kennelijk gegrond te verklaren, het hierin bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, met inachtneming van de hiervoor in 4 bedoelde overwegingen. In aansluiting op de in genoemde uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:709) daartoe bepaalde termijn, stelt het College de termijn voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar in deze zaak vast op 33 weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
7. Het College heeft verweerder in de uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:709) veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten voor de op 3 april 2017, 24 april 2017 en 29 juni 2017 ingediende beroepen. Er is daarom geen aanleiding om dat voor deze zaak nogmaals te doen.
8. Voor deze zaak is geen griffierecht geheven.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen 33 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
te ondertekenen te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/516
uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. K.J. Defares),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. T.D. van der Wal).
Procesverloop
Appellante heeft, samen met verschillende andere appellanten, tegen ongeveer 400 besluiten op bezwaar van verweerder over gehanteerde tarieven voor officiële keuringen in slachthuizen (de bestreden besluiten) beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het College, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk gegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedures van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.
2. Appellante heeft, samen met verschillende andere appelanten, op drie verschillende momenten (3 april 2017, 24 april 2017 en 29 juni 2017) ongeveer 400 beroepen ingediend. In een groot deel van deze beroepen is op 20 oktober 2020 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Awb uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2020:709). Daarbij is per abuis niet tevens uitspraak gedaan op het onderhavige beroep omdat toen over het hoofd is gezien dat dit beroep mede behoort tot genoemde groep beroepen. Het College ziet hierin aanleiding om thans afzonderlijk op dit beroep uitspraak te doen.
3. Alle beroepen zien op dezelfde materie en zijn door dezelfde gemachtigde ingediend. Op 14 juni 2017 zijn partijen tijdens een regiezitting overeengekomen dat er vier beroepen zullen worden behandeld als zogenaamde pilotzaken (zaaknummers 17/488, 17/511, 17/669 en 17/684) en dat de rest van de zaken zal worden aangehouden. De pilotzaken zijn behandeld ter zitting van 30 november 2017. Deze zaken zijn vervolgens met de verwijzingsuitspraak van 17 juli 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:340) voor de beantwoording van prejudiciële vragen verwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie). Het Hof van Justitie heeft de prejudiciële vragen beantwoord bij arrest van 19 december 2019 in de gevoegde zaken C-477/18 en C-478/18 (ECLI:EU:C:2019:1126). Vervolgens zijn de pilotzaken opnieuw op zitting behandeld op 17 juli 2020. Het College heeft bij uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:707) einduitspraak gedaan in de pilotzaken. De beroepen zijn gegrond verklaard, de betreffende bestreden besluiten zijn vernietigd en bepaald is dat verweerder binnen 26 weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar moet nemen.
4. De geschilpunten in de onderhavige zaak zijn identiek aan de geschilpunten in de pilotzaken. Het College neemt al hetgeen dienaangaande is overwogen in de einduitspraak in de pilotzaken van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:707) hier over.
5. Dit leidt er toe dat het College aanleiding ziet om het beroep in de onderhavige zaak kennelijk gegrond te verklaren, het hierin bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, met inachtneming van de hiervoor in 4 bedoelde overwegingen. In aansluiting op de in genoemde uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:709) daartoe bepaalde termijn, stelt het College de termijn voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar in deze zaak vast op 33 weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
7. Het College heeft verweerder in de uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:709) veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten voor de op 3 april 2017, 24 april 2017 en 29 juni 2017 ingediende beroepen. Er is daarom geen aanleiding om dat voor deze zaak nogmaals te doen.
8. Voor deze zaak is geen griffierecht geheven.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen 33 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
te ondertekenen te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/516
uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. K.J. Defares),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. T.D. van der Wal).
Procesverloop
Appellante heeft, samen met verschillende andere appellanten, tegen ongeveer 400 besluiten op bezwaar van verweerder over gehanteerde tarieven voor officiële keuringen in slachthuizen (de bestreden besluiten) beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het College, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk gegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedures van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.
2. Appellante heeft, samen met verschillende andere appelanten, op drie verschillende momenten (3 april 2017, 24 april 2017 en 29 juni 2017) ongeveer 400 beroepen ingediend. In een groot deel van deze beroepen is op 20 oktober 2020 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Awb uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2020:709). Daarbij is per abuis niet tevens uitspraak gedaan op het onderhavige beroep omdat toen over het hoofd is gezien dat dit beroep mede behoort tot genoemde groep beroepen. Het College ziet hierin aanleiding om thans afzonderlijk op dit beroep uitspraak te doen.
3. Alle beroepen zien op dezelfde materie en zijn door dezelfde gemachtigde ingediend. Op 14 juni 2017 zijn partijen tijdens een regiezitting overeengekomen dat er vier beroepen zullen worden behandeld als zogenaamde pilotzaken (zaaknummers 17/488, 17/511, 17/669 en 17/684) en dat de rest van de zaken zal worden aangehouden. De pilotzaken zijn behandeld ter zitting van 30 november 2017. Deze zaken zijn vervolgens met de verwijzingsuitspraak van 17 juli 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:340) voor de beantwoording van prejudiciële vragen verwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie). Het Hof van Justitie heeft de prejudiciële vragen beantwoord bij arrest van 19 december 2019 in de gevoegde zaken C-477/18 en C-478/18 (ECLI:EU:C:2019:1126). Vervolgens zijn de pilotzaken opnieuw op zitting behandeld op 17 juli 2020. Het College heeft bij uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:707) einduitspraak gedaan in de pilotzaken. De beroepen zijn gegrond verklaard, de betreffende bestreden besluiten zijn vernietigd en bepaald is dat verweerder binnen 26 weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar moet nemen.
4. De geschilpunten in de onderhavige zaak zijn identiek aan de geschilpunten in de pilotzaken. Het College neemt al hetgeen dienaangaande is overwogen in de einduitspraak in de pilotzaken van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:707) hier over.
5. Dit leidt er toe dat het College aanleiding ziet om het beroep in de onderhavige zaak kennelijk gegrond te verklaren, het hierin bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, met inachtneming van de hiervoor in 4 bedoelde overwegingen. In aansluiting op de in genoemde uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:709) daartoe bepaalde termijn, stelt het College de termijn voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar in deze zaak vast op 33 weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
7. Het College heeft verweerder in de uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:709) veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten voor de op 3 april 2017, 24 april 2017 en 29 juni 2017 ingediende beroepen. Er is daarom geen aanleiding om dat voor deze zaak nogmaals te doen.
8. Voor deze zaak is geen griffierecht geheven.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen 33 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
te ondertekenen te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/516
uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. K.J. Defares),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. T.D. van der Wal).
Procesverloop
Appellante heeft, samen met verschillende andere appellanten, tegen ongeveer 400 besluiten op bezwaar van verweerder over gehanteerde tarieven voor officiële keuringen in slachthuizen (de bestreden besluiten) beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het College, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk gegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedures van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.
2. Appellante heeft, samen met verschillende andere appelanten, op drie verschillende momenten (3 april 2017, 24 april 2017 en 29 juni 2017) ongeveer 400 beroepen ingediend. In een groot deel van deze beroepen is op 20 oktober 2020 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Awb uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2020:709). Daarbij is per abuis niet tevens uitspraak gedaan op het onderhavige beroep omdat toen over het hoofd is gezien dat dit beroep mede behoort tot genoemde groep beroepen. Het College ziet hierin aanleiding om thans afzonderlijk op dit beroep uitspraak te doen.
3. Alle beroepen zien op dezelfde materie en zijn door dezelfde gemachtigde ingediend. Op 14 juni 2017 zijn partijen tijdens een regiezitting overeengekomen dat er vier beroepen zullen worden behandeld als zogenaamde pilotzaken (zaaknummers 17/488, 17/511, 17/669 en 17/684) en dat de rest van de zaken zal worden aangehouden. De pilotzaken zijn behandeld ter zitting van 30 november 2017. Deze zaken zijn vervolgens met de verwijzingsuitspraak van 17 juli 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:340) voor de beantwoording van prejudiciële vragen verwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie). Het Hof van Justitie heeft de prejudiciële vragen beantwoord bij arrest van 19 december 2019 in de gevoegde zaken C-477/18 en C-478/18 (ECLI:EU:C:2019:1126). Vervolgens zijn de pilotzaken opnieuw op zitting behandeld op 17 juli 2020. Het College heeft bij uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:707) einduitspraak gedaan in de pilotzaken. De beroepen zijn gegrond verklaard, de betreffende bestreden besluiten zijn vernietigd en bepaald is dat verweerder binnen 26 weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar moet nemen.
4. De geschilpunten in de onderhavige zaak zijn identiek aan de geschilpunten in de pilotzaken. Het College neemt al hetgeen dienaangaande is overwogen in de einduitspraak in de pilotzaken van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:707) hier over.
5. Dit leidt er toe dat het College aanleiding ziet om het beroep in de onderhavige zaak kennelijk gegrond te verklaren, het hierin bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, met inachtneming van de hiervoor in 4 bedoelde overwegingen. In aansluiting op de in genoemde uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:709) daartoe bepaalde termijn, stelt het College de termijn voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar in deze zaak vast op 33 weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
7. Het College heeft verweerder in de uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:709) veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten voor de op 3 april 2017, 24 april 2017 en 29 juni 2017 ingediende beroepen. Er is daarom geen aanleiding om dat voor deze zaak nogmaals te doen.
8. Voor deze zaak is geen griffierecht geheven.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen 33 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
te ondertekenen te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/516
uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. K.J. Defares),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. T.D. van der Wal).
Procesverloop
Appellante heeft, samen met verschillende andere appellanten, tegen ongeveer 400 besluiten op bezwaar van verweerder over gehanteerde tarieven voor officiële keuringen in slachthuizen (de bestreden besluiten) beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het College, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk gegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedures van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.
2. Appellante heeft, samen met verschillende andere appelanten, op drie verschillende momenten (3 april 2017, 24 april 2017 en 29 juni 2017) ongeveer 400 beroepen ingediend. In een groot deel van deze beroepen is op 20 oktober 2020 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Awb uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2020:709). Daarbij is per abuis niet tevens uitspraak gedaan op het onderhavige beroep omdat toen over het hoofd is gezien dat dit beroep mede behoort tot genoemde groep beroepen. Het College ziet hierin aanleiding om thans afzonderlijk op dit beroep uitspraak te doen.
3. Alle beroepen zien op dezelfde materie en zijn door dezelfde gemachtigde ingediend. Op 14 juni 2017 zijn partijen tijdens een regiezitting overeengekomen dat er vier beroepen zullen worden behandeld als zogenaamde pilotzaken (zaaknummers 17/488, 17/511, 17/669 en 17/684) en dat de rest van de zaken zal worden aangehouden. De pilotzaken zijn behandeld ter zitting van 30 november 2017. Deze zaken zijn vervolgens met de verwijzingsuitspraak van 17 juli 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:340) voor de beantwoording van prejudiciële vragen verwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie). Het Hof van Justitie heeft de prejudiciële vragen beantwoord bij arrest van 19 december 2019 in de gevoegde zaken C-477/18 en C-478/18 (ECLI:EU:C:2019:1126). Vervolgens zijn de pilotzaken opnieuw op zitting behandeld op 17 juli 2020. Het College heeft bij uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:707) einduitspraak gedaan in de pilotzaken. De beroepen zijn gegrond verklaard, de betreffende bestreden besluiten zijn vernietigd en bepaald is dat verweerder binnen 26 weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar moet nemen.
4. De geschilpunten in de onderhavige zaak zijn identiek aan de geschilpunten in de pilotzaken. Het College neemt al hetgeen dienaangaande is overwogen in de einduitspraak in de pilotzaken van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:707) hier over.
5. Dit leidt er toe dat het College aanleiding ziet om het beroep in de onderhavige zaak kennelijk gegrond te verklaren, het hierin bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, met inachtneming van de hiervoor in 4 bedoelde overwegingen. In aansluiting op de in genoemde uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:709) daartoe bepaalde termijn, stelt het College de termijn voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar in deze zaak vast op 33 weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
7. Het College heeft verweerder in de uitspraak van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:709) veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten voor de op 3 april 2017, 24 april 2017 en 29 juni 2017 ingediende beroepen. Er is daarom geen aanleiding om dat voor deze zaak nogmaals te doen.
8. Voor deze zaak is geen griffierecht geheven.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen 33 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
te ondertekenen te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.