Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2021-12-14
ECLI:NL:CBB:2021:1070
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,985 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/107
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2021 in de zaak tussen
[naam 1] , h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellant,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. C. Cromheecke).
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant voor een tegemoetkoming van € 4.000,- op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (Beleidsregel) afgewezen.
Bij besluit van 9 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2021. Appellant heeft via een telefonische verbinding deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Aanleiding van deze procedure
1. Appellant heeft een aanvraag voor een tegemoetkoming op basis van de Beleidsregel ingediend.
2. Over de onderneming van appellant waren op 15 maart 2020 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) de SBI-codes 38.32 (Gesorteerd materiaal voorbereiden tot recycling) en 81.22.9 (Overige gespecialiseerde reiniging) opgenomen, en als bedrijfsomschrijving ‘Frituurmanagement en service voor het filteren van frituurolie’.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de SBI-codes waarmee de onderneming van appellant op de peildatum van 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK, niet zijn opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel. Verder heeft verweerder overwogen dat de bedrijfsomschrijving in het handelsregister niet overeenkomt met een andere SBI-code die wél in Bijlage 1 staat. Tot slot heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat hij zou moeten afwijken van de Beleidsregel.
Standpunt appellant
4.1 Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag heeft afgewezen. Voor de werkzaamheden die appellant uitvoert bestaat geen passende SBI-code. De SBI-code die is ingeschreven in het handelsregister van de KvK is een benadering, maar dekt niet de gehele lading. Bovendien heeft de KvK verzuimd de SBI-code toe te voegen die hoort bij de nevenactiviteit van appellant, namelijk het leveren van frituurolie aan diverse horecagelegenheden. De term ‘frituurmanagement’, zoals is opgenomen in de bedrijfsomschrijving, omvat ook het leveren van frituurolie. Verweerder dient maatwerk te leveren en aansluiting te zoeken bij de SBI-code 46.33.1 (Groothandel in zuivelproducten en spijsoliën en -vetten). Deze SBI-code is ook met terugwerkende kracht ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Dat voor de werkzaamheden die appellant uitvoert geen passende SBI-code bestaat, mag er niet toe leiden dat appellant niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. De tegemoetkoming is namelijk ook bestemd voor ondernemingen in sectoren waarvan het aannemelijk is dat zij uitsluitend leveren aan direct gedupeerde ondernemingen. Hiervan is in geval van appellant sprake. Appellant heeft door de gedwongen sluiting van de horeca geen omzet kunnen genereren en is daardoor zwaar getroffen.
4.2
Daarnaast voert appellant aan dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat collega-ondernemingen die dezelfde werkzaamheden uitvoeren als appellant, wel een tegemoetkoming hebben ontvangen.
4.3
Tot slot voert appellant aan dat hij ten onrechte geen gebruik heeft kunnen maken van een hoorzitting. Op basis van een foutieve voorlichting heeft appellant afgezien van de mogelijkheid om gehoord te worden.
Standpunt verweerder
5.1
Verweerder heeft getoetst of de bedrijfsomschrijving overeenkomt met de SBI-code die past bij het leveren van frituurolie, namelijk SBI-code 46.33.1 (Groothandel in zuivelproducten en spijsoliën en -vetten). Deze SBI-code is wel opgenomen in Bijlage 1 bij de Beleidsregel. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsomschrijving, waaronder de term ‘frituurmanagement’, niet past bij deze SBI-code omdat hieruit niet kan worden afgeleid dat appellant zich bezighoudt met de in- en verkoop van spijsoliën en -vetten. De term ‘frituurmanagement’ is volgens verweerder niet zo veelomvattend als appellant stelt. Dat volgens appellant geen passende SBI-code bestaat voor de werkzaamheden die hij uitvoert, is volgens verweerder geen bijzondere omstandigheid die maakt dat hij ten gunste van appellant moet afwijken van de Beleidsregel. De juiste SBI-codes volgen op een juiste inschrijving van de bedrijfsactiviteiten. Het ligt op de weg van appellant om zorg te dragen voor een bedrijfsomschrijving die overeenkomt met zijn feitelijke werkzaamheden. Verweerder stelt zich tot slot in dit kader op het standpunt dat, anders dan appellant stelt, de Beleidsregel niet tot doel heeft een tegemoetkoming toe te kennen aan alle ondernemingen met omzetverlies. Het is een politieke keuze geweest om bepaalde SBI-codes wel op te nemen in de Beleidsregel en andere SBI-codes niet.
5.2
Verweerder heeft daarnaast onderzoek gedaan naar de ondernemingen waarnaar appellant heeft verwezen die dezelfde werkzaamheden uit zouden voeren en wel een tegemoetkoming hebben gehad. Beide ondernemingen stonden op 15 maart 2020 ingeschreven met een bedrijfsomschrijving die wel aanleiding gaf om aansluiting te zoeken bij de SBI-code 46.33.1. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen.
5.3
Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat hij in de bezwaarprocedure aan appellant een hoorzitting heeft aangeboden. Niet is gebleken dat appellant onjuist is geïnformeerd of een onjuist beeld heeft gekregen van het doel van en de werkwijze bij een hoorzitting. Appellant is dan ook niet in zijn belangen geschaad. Verweerder heeft niet onzorgvuldig gehandeld.
Beoordeling
6. Het College heeft verschillende uitspraken gedaan over de Beleidsregel. Het College verwijst naar de uitspraken van 22 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:992, ECLI:NL:CBB:2020:993, ECLI:NL:CBB:2020:994 en ECLI:NL:CBB:2020:995). Daarin is onder meer geoordeeld dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit houdt in dat de rechter alleen kan toetsen of het beleid op consistente wijze is toegepast.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de SBI-codes waarmee appellant op de peildatum van 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK, niet zijn opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de door appellant als passend aangedragen SBI-code 46.33.1 op de peildatum 15 maart 2020 niet voor de onderneming in het handelsregister was opgenomen.
8. Bij toepassing van de Beleidsregel toetst verweerder of de bedrijfsomschrijving (‘Frituurmanagement en service voor het filteren van frituurolie’), zoals die op de peildatum was geregistreerd, aanknopingspunten biedt voor een daarbij passende SBI-code die wel in de Bijlage is vermeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat daar in dit geval geen sprake van is, omdat uit de bedrijfsomschrijving niet kan worden afgeleid dat appellant ook handelt in frituurolie. Het College volgt verweerder hierin niet. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat ‘frituurmanagement’ ziet op het compleet ontzorgen van de horecaondernemer. Daar moet ook de levering van frituurolie onder worden verstaan. Het College volgt appellant in dit standpunt en ziet, anders dan verweerder stelt, in de bedrijfsomschrijving aanknopingspunten om aansluiting te zoeken bij SBI-code 46.33.1.
9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder zijn beleid niet op consistente wijze heeft toegepast. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit. Het College ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het College zal verweerder daarom opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, binnen zes weken een besluit op het bezwaar te nemen.
11. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Wel dient verweerder het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan appellant te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. drs. L. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2021.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/107
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2021 in de zaak tussen
[naam 1] , h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellant,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. C. Cromheecke).
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant voor een tegemoetkoming van € 4.000,- op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (Beleidsregel) afgewezen.
Bij besluit van 9 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2021. Appellant heeft via een telefonische verbinding deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Aanleiding van deze procedure
1. Appellant heeft een aanvraag voor een tegemoetkoming op basis van de Beleidsregel ingediend.
2. Over de onderneming van appellant waren op 15 maart 2020 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) de SBI-codes 38.32 (Gesorteerd materiaal voorbereiden tot recycling) en 81.22.9 (Overige gespecialiseerde reiniging) opgenomen, en als bedrijfsomschrijving ‘Frituurmanagement en service voor het filteren van frituurolie’.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de SBI-codes waarmee de onderneming van appellant op de peildatum van 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK, niet zijn opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel. Verder heeft verweerder overwogen dat de bedrijfsomschrijving in het handelsregister niet overeenkomt met een andere SBI-code die wél in Bijlage 1 staat. Tot slot heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat hij zou moeten afwijken van de Beleidsregel.
Standpunt appellant
4.1 Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag heeft afgewezen. Voor de werkzaamheden die appellant uitvoert bestaat geen passende SBI-code. De SBI-code die is ingeschreven in het handelsregister van de KvK is een benadering, maar dekt niet de gehele lading. Bovendien heeft de KvK verzuimd de SBI-code toe te voegen die hoort bij de nevenactiviteit van appellant, namelijk het leveren van frituurolie aan diverse horecagelegenheden. De term ‘frituurmanagement’, zoals is opgenomen in de bedrijfsomschrijving, omvat ook het leveren van frituurolie. Verweerder dient maatwerk te leveren en aansluiting te zoeken bij de SBI-code 46.33.1 (Groothandel in zuivelproducten en spijsoliën en -vetten). Deze SBI-code is ook met terugwerkende kracht ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Dat voor de werkzaamheden die appellant uitvoert geen passende SBI-code bestaat, mag er niet toe leiden dat appellant niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. De tegemoetkoming is namelijk ook bestemd voor ondernemingen in sectoren waarvan het aannemelijk is dat zij uitsluitend leveren aan direct gedupeerde ondernemingen. Hiervan is in geval van appellant sprake. Appellant heeft door de gedwongen sluiting van de horeca geen omzet kunnen genereren en is daardoor zwaar getroffen.
4.2
Daarnaast voert appellant aan dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat collega-ondernemingen die dezelfde werkzaamheden uitvoeren als appellant, wel een tegemoetkoming hebben ontvangen.
4.3
Tot slot voert appellant aan dat hij ten onrechte geen gebruik heeft kunnen maken van een hoorzitting. Op basis van een foutieve voorlichting heeft appellant afgezien van de mogelijkheid om gehoord te worden.
Standpunt verweerder
5.1
Verweerder heeft getoetst of de bedrijfsomschrijving overeenkomt met de SBI-code die past bij het leveren van frituurolie, namelijk SBI-code 46.33.1 (Groothandel in zuivelproducten en spijsoliën en -vetten). Deze SBI-code is wel opgenomen in Bijlage 1 bij de Beleidsregel. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsomschrijving, waaronder de term ‘frituurmanagement’, niet past bij deze SBI-code omdat hieruit niet kan worden afgeleid dat appellant zich bezighoudt met de in- en verkoop van spijsoliën en -vetten. De term ‘frituurmanagement’ is volgens verweerder niet zo veelomvattend als appellant stelt. Dat volgens appellant geen passende SBI-code bestaat voor de werkzaamheden die hij uitvoert, is volgens verweerder geen bijzondere omstandigheid die maakt dat hij ten gunste van appellant moet afwijken van de Beleidsregel. De juiste SBI-codes volgen op een juiste inschrijving van de bedrijfsactiviteiten. Het ligt op de weg van appellant om zorg te dragen voor een bedrijfsomschrijving die overeenkomt met zijn feitelijke werkzaamheden. Verweerder stelt zich tot slot in dit kader op het standpunt dat, anders dan appellant stelt, de Beleidsregel niet tot doel heeft een tegemoetkoming toe te kennen aan alle ondernemingen met omzetverlies. Het is een politieke keuze geweest om bepaalde SBI-codes wel op te nemen in de Beleidsregel en andere SBI-codes niet.
5.2
Verweerder heeft daarnaast onderzoek gedaan naar de ondernemingen waarnaar appellant heeft verwezen die dezelfde werkzaamheden uit zouden voeren en wel een tegemoetkoming hebben gehad. Beide ondernemingen stonden op 15 maart 2020 ingeschreven met een bedrijfsomschrijving die wel aanleiding gaf om aansluiting te zoeken bij de SBI-code 46.33.1. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen.
5.3
Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat hij in de bezwaarprocedure aan appellant een hoorzitting heeft aangeboden. Niet is gebleken dat appellant onjuist is geïnformeerd of een onjuist beeld heeft gekregen van het doel van en de werkwijze bij een hoorzitting. Appellant is dan ook niet in zijn belangen geschaad. Verweerder heeft niet onzorgvuldig gehandeld.
Beoordeling
6. Het College heeft verschillende uitspraken gedaan over de Beleidsregel. Het College verwijst naar de uitspraken van 22 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:992, ECLI:NL:CBB:2020:993, ECLI:NL:CBB:2020:994 en ECLI:NL:CBB:2020:995). Daarin is onder meer geoordeeld dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit houdt in dat de rechter alleen kan toetsen of het beleid op consistente wijze is toegepast.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de SBI-codes waarmee appellant op de peildatum van 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK, niet zijn opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de door appellant als passend aangedragen SBI-code 46.33.1 op de peildatum 15 maart 2020 niet voor de onderneming in het handelsregister was opgenomen.
8. Bij toepassing van de Beleidsregel toetst verweerder of de bedrijfsomschrijving (‘Frituurmanagement en service voor het filteren van frituurolie’), zoals die op de peildatum was geregistreerd, aanknopingspunten biedt voor een daarbij passende SBI-code die wel in de Bijlage is vermeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat daar in dit geval geen sprake van is, omdat uit de bedrijfsomschrijving niet kan worden afgeleid dat appellant ook handelt in frituurolie. Het College volgt verweerder hierin niet. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat ‘frituurmanagement’ ziet op het compleet ontzorgen van de horecaondernemer. Daar moet ook de levering van frituurolie onder worden verstaan. Het College volgt appellant in dit standpunt en ziet, anders dan verweerder stelt, in de bedrijfsomschrijving aanknopingspunten om aansluiting te zoeken bij SBI-code 46.33.1.
9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder zijn beleid niet op consistente wijze heeft toegepast. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit. Het College ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het College zal verweerder daarom opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, binnen zes weken een besluit op het bezwaar te nemen.
11. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Wel dient verweerder het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan appellant te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. drs. L. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2021.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/107
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2021 in de zaak tussen
[naam 1] , h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellant,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. C. Cromheecke).
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant voor een tegemoetkoming van € 4.000,- op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (Beleidsregel) afgewezen.
Bij besluit van 9 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2021. Appellant heeft via een telefonische verbinding deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Aanleiding van deze procedure
1. Appellant heeft een aanvraag voor een tegemoetkoming op basis van de Beleidsregel ingediend.
2. Over de onderneming van appellant waren op 15 maart 2020 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) de SBI-codes 38.32 (Gesorteerd materiaal voorbereiden tot recycling) en 81.22.9 (Overige gespecialiseerde reiniging) opgenomen, en als bedrijfsomschrijving ‘Frituurmanagement en service voor het filteren van frituurolie’.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de SBI-codes waarmee de onderneming van appellant op de peildatum van 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK, niet zijn opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel. Verder heeft verweerder overwogen dat de bedrijfsomschrijving in het handelsregister niet overeenkomt met een andere SBI-code die wél in Bijlage 1 staat. Tot slot heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat hij zou moeten afwijken van de Beleidsregel.
Standpunt appellant
4.1 Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag heeft afgewezen. Voor de werkzaamheden die appellant uitvoert bestaat geen passende SBI-code. De SBI-code die is ingeschreven in het handelsregister van de KvK is een benadering, maar dekt niet de gehele lading. Bovendien heeft de KvK verzuimd de SBI-code toe te voegen die hoort bij de nevenactiviteit van appellant, namelijk het leveren van frituurolie aan diverse horecagelegenheden. De term ‘frituurmanagement’, zoals is opgenomen in de bedrijfsomschrijving, omvat ook het leveren van frituurolie. Verweerder dient maatwerk te leveren en aansluiting te zoeken bij de SBI-code 46.33.1 (Groothandel in zuivelproducten en spijsoliën en -vetten). Deze SBI-code is ook met terugwerkende kracht ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Dat voor de werkzaamheden die appellant uitvoert geen passende SBI-code bestaat, mag er niet toe leiden dat appellant niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. De tegemoetkoming is namelijk ook bestemd voor ondernemingen in sectoren waarvan het aannemelijk is dat zij uitsluitend leveren aan direct gedupeerde ondernemingen. Hiervan is in geval van appellant sprake. Appellant heeft door de gedwongen sluiting van de horeca geen omzet kunnen genereren en is daardoor zwaar getroffen.
4.2
Daarnaast voert appellant aan dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat collega-ondernemingen die dezelfde werkzaamheden uitvoeren als appellant, wel een tegemoetkoming hebben ontvangen.
4.3
Tot slot voert appellant aan dat hij ten onrechte geen gebruik heeft kunnen maken van een hoorzitting. Op basis van een foutieve voorlichting heeft appellant afgezien van de mogelijkheid om gehoord te worden.
Standpunt verweerder
5.1
Verweerder heeft getoetst of de bedrijfsomschrijving overeenkomt met de SBI-code die past bij het leveren van frituurolie, namelijk SBI-code 46.33.1 (Groothandel in zuivelproducten en spijsoliën en -vetten). Deze SBI-code is wel opgenomen in Bijlage 1 bij de Beleidsregel. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsomschrijving, waaronder de term ‘frituurmanagement’, niet past bij deze SBI-code omdat hieruit niet kan worden afgeleid dat appellant zich bezighoudt met de in- en verkoop van spijsoliën en -vetten. De term ‘frituurmanagement’ is volgens verweerder niet zo veelomvattend als appellant stelt. Dat volgens appellant geen passende SBI-code bestaat voor de werkzaamheden die hij uitvoert, is volgens verweerder geen bijzondere omstandigheid die maakt dat hij ten gunste van appellant moet afwijken van de Beleidsregel. De juiste SBI-codes volgen op een juiste inschrijving van de bedrijfsactiviteiten. Het ligt op de weg van appellant om zorg te dragen voor een bedrijfsomschrijving die overeenkomt met zijn feitelijke werkzaamheden. Verweerder stelt zich tot slot in dit kader op het standpunt dat, anders dan appellant stelt, de Beleidsregel niet tot doel heeft een tegemoetkoming toe te kennen aan alle ondernemingen met omzetverlies. Het is een politieke keuze geweest om bepaalde SBI-codes wel op te nemen in de Beleidsregel en andere SBI-codes niet.
5.2
Verweerder heeft daarnaast onderzoek gedaan naar de ondernemingen waarnaar appellant heeft verwezen die dezelfde werkzaamheden uit zouden voeren en wel een tegemoetkoming hebben gehad. Beide ondernemingen stonden op 15 maart 2020 ingeschreven met een bedrijfsomschrijving die wel aanleiding gaf om aansluiting te zoeken bij de SBI-code 46.33.1. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen.
5.3
Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat hij in de bezwaarprocedure aan appellant een hoorzitting heeft aangeboden. Niet is gebleken dat appellant onjuist is geïnformeerd of een onjuist beeld heeft gekregen van het doel van en de werkwijze bij een hoorzitting. Appellant is dan ook niet in zijn belangen geschaad. Verweerder heeft niet onzorgvuldig gehandeld.
Beoordeling
6. Het College heeft verschillende uitspraken gedaan over de Beleidsregel. Het College verwijst naar de uitspraken van 22 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:992, ECLI:NL:CBB:2020:993, ECLI:NL:CBB:2020:994 en ECLI:NL:CBB:2020:995). Daarin is onder meer geoordeeld dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit houdt in dat de rechter alleen kan toetsen of het beleid op consistente wijze is toegepast.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de SBI-codes waarmee appellant op de peildatum van 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK, niet zijn opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de door appellant als passend aangedragen SBI-code 46.33.1 op de peildatum 15 maart 2020 niet voor de onderneming in het handelsregister was opgenomen.
8. Bij toepassing van de Beleidsregel toetst verweerder of de bedrijfsomschrijving (‘Frituurmanagement en service voor het filteren van frituurolie’), zoals die op de peildatum was geregistreerd, aanknopingspunten biedt voor een daarbij passende SBI-code die wel in de Bijlage is vermeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat daar in dit geval geen sprake van is, omdat uit de bedrijfsomschrijving niet kan worden afgeleid dat appellant ook handelt in frituurolie. Het College volgt verweerder hierin niet. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat ‘frituurmanagement’ ziet op het compleet ontzorgen van de horecaondernemer. Daar moet ook de levering van frituurolie onder worden verstaan. Het College volgt appellant in dit standpunt en ziet, anders dan verweerder stelt, in de bedrijfsomschrijving aanknopingspunten om aansluiting te zoeken bij SBI-code 46.33.1.
9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder zijn beleid niet op consistente wijze heeft toegepast. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit. Het College ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het College zal verweerder daarom opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, binnen zes weken een besluit op het bezwaar te nemen.
11. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Wel dient verweerder het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan appellant te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. drs. L. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2021.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/107
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2021 in de zaak tussen
[naam 1] , h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellant,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. C. Cromheecke).
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant voor een tegemoetkoming van € 4.000,- op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (Beleidsregel) afgewezen.
Bij besluit van 9 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2021. Appellant heeft via een telefonische verbinding deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Aanleiding van deze procedure
1. Appellant heeft een aanvraag voor een tegemoetkoming op basis van de Beleidsregel ingediend.
2. Over de onderneming van appellant waren op 15 maart 2020 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) de SBI-codes 38.32 (Gesorteerd materiaal voorbereiden tot recycling) en 81.22.9 (Overige gespecialiseerde reiniging) opgenomen, en als bedrijfsomschrijving ‘Frituurmanagement en service voor het filteren van frituurolie’.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de SBI-codes waarmee de onderneming van appellant op de peildatum van 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK, niet zijn opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel. Verder heeft verweerder overwogen dat de bedrijfsomschrijving in het handelsregister niet overeenkomt met een andere SBI-code die wél in Bijlage 1 staat. Tot slot heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat hij zou moeten afwijken van de Beleidsregel.
Standpunt appellant
4.1 Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag heeft afgewezen. Voor de werkzaamheden die appellant uitvoert bestaat geen passende SBI-code. De SBI-code die is ingeschreven in het handelsregister van de KvK is een benadering, maar dekt niet de gehele lading. Bovendien heeft de KvK verzuimd de SBI-code toe te voegen die hoort bij de nevenactiviteit van appellant, namelijk het leveren van frituurolie aan diverse horecagelegenheden. De term ‘frituurmanagement’, zoals is opgenomen in de bedrijfsomschrijving, omvat ook het leveren van frituurolie. Verweerder dient maatwerk te leveren en aansluiting te zoeken bij de SBI-code 46.33.1 (Groothandel in zuivelproducten en spijsoliën en -vetten). Deze SBI-code is ook met terugwerkende kracht ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Dat voor de werkzaamheden die appellant uitvoert geen passende SBI-code bestaat, mag er niet toe leiden dat appellant niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. De tegemoetkoming is namelijk ook bestemd voor ondernemingen in sectoren waarvan het aannemelijk is dat zij uitsluitend leveren aan direct gedupeerde ondernemingen. Hiervan is in geval van appellant sprake. Appellant heeft door de gedwongen sluiting van de horeca geen omzet kunnen genereren en is daardoor zwaar getroffen.
4.2
Daarnaast voert appellant aan dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat collega-ondernemingen die dezelfde werkzaamheden uitvoeren als appellant, wel een tegemoetkoming hebben ontvangen.
4.3
Tot slot voert appellant aan dat hij ten onrechte geen gebruik heeft kunnen maken van een hoorzitting. Op basis van een foutieve voorlichting heeft appellant afgezien van de mogelijkheid om gehoord te worden.
Standpunt verweerder
5.1
Verweerder heeft getoetst of de bedrijfsomschrijving overeenkomt met de SBI-code die past bij het leveren van frituurolie, namelijk SBI-code 46.33.1 (Groothandel in zuivelproducten en spijsoliën en -vetten). Deze SBI-code is wel opgenomen in Bijlage 1 bij de Beleidsregel. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsomschrijving, waaronder de term ‘frituurmanagement’, niet past bij deze SBI-code omdat hieruit niet kan worden afgeleid dat appellant zich bezighoudt met de in- en verkoop van spijsoliën en -vetten. De term ‘frituurmanagement’ is volgens verweerder niet zo veelomvattend als appellant stelt. Dat volgens appellant geen passende SBI-code bestaat voor de werkzaamheden die hij uitvoert, is volgens verweerder geen bijzondere omstandigheid die maakt dat hij ten gunste van appellant moet afwijken van de Beleidsregel. De juiste SBI-codes volgen op een juiste inschrijving van de bedrijfsactiviteiten. Het ligt op de weg van appellant om zorg te dragen voor een bedrijfsomschrijving die overeenkomt met zijn feitelijke werkzaamheden. Verweerder stelt zich tot slot in dit kader op het standpunt dat, anders dan appellant stelt, de Beleidsregel niet tot doel heeft een tegemoetkoming toe te kennen aan alle ondernemingen met omzetverlies. Het is een politieke keuze geweest om bepaalde SBI-codes wel op te nemen in de Beleidsregel en andere SBI-codes niet.
5.2
Verweerder heeft daarnaast onderzoek gedaan naar de ondernemingen waarnaar appellant heeft verwezen die dezelfde werkzaamheden uit zouden voeren en wel een tegemoetkoming hebben gehad. Beide ondernemingen stonden op 15 maart 2020 ingeschreven met een bedrijfsomschrijving die wel aanleiding gaf om aansluiting te zoeken bij de SBI-code 46.33.1. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen.
5.3
Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat hij in de bezwaarprocedure aan appellant een hoorzitting heeft aangeboden. Niet is gebleken dat appellant onjuist is geïnformeerd of een onjuist beeld heeft gekregen van het doel van en de werkwijze bij een hoorzitting. Appellant is dan ook niet in zijn belangen geschaad. Verweerder heeft niet onzorgvuldig gehandeld.
Beoordeling
6. Het College heeft verschillende uitspraken gedaan over de Beleidsregel. Het College verwijst naar de uitspraken van 22 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:992, ECLI:NL:CBB:2020:993, ECLI:NL:CBB:2020:994 en ECLI:NL:CBB:2020:995). Daarin is onder meer geoordeeld dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit houdt in dat de rechter alleen kan toetsen of het beleid op consistente wijze is toegepast.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de SBI-codes waarmee appellant op de peildatum van 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK, niet zijn opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de door appellant als passend aangedragen SBI-code 46.33.1 op de peildatum 15 maart 2020 niet voor de onderneming in het handelsregister was opgenomen.
8. Bij toepassing van de Beleidsregel toetst verweerder of de bedrijfsomschrijving (‘Frituurmanagement en service voor het filteren van frituurolie’), zoals die op de peildatum was geregistreerd, aanknopingspunten biedt voor een daarbij passende SBI-code die wel in de Bijlage is vermeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat daar in dit geval geen sprake van is, omdat uit de bedrijfsomschrijving niet kan worden afgeleid dat appellant ook handelt in frituurolie. Het College volgt verweerder hierin niet. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat ‘frituurmanagement’ ziet op het compleet ontzorgen van de horecaondernemer. Daar moet ook de levering van frituurolie onder worden verstaan. Het College volgt appellant in dit standpunt en ziet, anders dan verweerder stelt, in de bedrijfsomschrijving aanknopingspunten om aansluiting te zoeken bij SBI-code 46.33.1.
9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder zijn beleid niet op consistente wijze heeft toegepast. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit. Het College ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het College zal verweerder daarom opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, binnen zes weken een besluit op het bezwaar te nemen.
11. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Wel dient verweerder het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan appellant te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. drs. L. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2021.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/107
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2021 in de zaak tussen
[naam 1] , h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellant,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. C. Cromheecke).
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant voor een tegemoetkoming van € 4.000,- op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (Beleidsregel) afgewezen.
Bij besluit van 9 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2021. Appellant heeft via een telefonische verbinding deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Aanleiding van deze procedure
1. Appellant heeft een aanvraag voor een tegemoetkoming op basis van de Beleidsregel ingediend.
2. Over de onderneming van appellant waren op 15 maart 2020 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) de SBI-codes 38.32 (Gesorteerd materiaal voorbereiden tot recycling) en 81.22.9 (Overige gespecialiseerde reiniging) opgenomen, en als bedrijfsomschrijving ‘Frituurmanagement en service voor het filteren van frituurolie’.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de SBI-codes waarmee de onderneming van appellant op de peildatum van 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK, niet zijn opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel. Verder heeft verweerder overwogen dat de bedrijfsomschrijving in het handelsregister niet overeenkomt met een andere SBI-code die wél in Bijlage 1 staat. Tot slot heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat hij zou moeten afwijken van de Beleidsregel.
Standpunt appellant
4.1 Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag heeft afgewezen. Voor de werkzaamheden die appellant uitvoert bestaat geen passende SBI-code. De SBI-code die is ingeschreven in het handelsregister van de KvK is een benadering, maar dekt niet de gehele lading. Bovendien heeft de KvK verzuimd de SBI-code toe te voegen die hoort bij de nevenactiviteit van appellant, namelijk het leveren van frituurolie aan diverse horecagelegenheden. De term ‘frituurmanagement’, zoals is opgenomen in de bedrijfsomschrijving, omvat ook het leveren van frituurolie. Verweerder dient maatwerk te leveren en aansluiting te zoeken bij de SBI-code 46.33.1 (Groothandel in zuivelproducten en spijsoliën en -vetten). Deze SBI-code is ook met terugwerkende kracht ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Dat voor de werkzaamheden die appellant uitvoert geen passende SBI-code bestaat, mag er niet toe leiden dat appellant niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. De tegemoetkoming is namelijk ook bestemd voor ondernemingen in sectoren waarvan het aannemelijk is dat zij uitsluitend leveren aan direct gedupeerde ondernemingen. Hiervan is in geval van appellant sprake. Appellant heeft door de gedwongen sluiting van de horeca geen omzet kunnen genereren en is daardoor zwaar getroffen.
4.2
Daarnaast voert appellant aan dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat collega-ondernemingen die dezelfde werkzaamheden uitvoeren als appellant, wel een tegemoetkoming hebben ontvangen.
4.3
Tot slot voert appellant aan dat hij ten onrechte geen gebruik heeft kunnen maken van een hoorzitting. Op basis van een foutieve voorlichting heeft appellant afgezien van de mogelijkheid om gehoord te worden.
Standpunt verweerder
5.1
Verweerder heeft getoetst of de bedrijfsomschrijving overeenkomt met de SBI-code die past bij het leveren van frituurolie, namelijk SBI-code 46.33.1 (Groothandel in zuivelproducten en spijsoliën en -vetten). Deze SBI-code is wel opgenomen in Bijlage 1 bij de Beleidsregel. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsomschrijving, waaronder de term ‘frituurmanagement’, niet past bij deze SBI-code omdat hieruit niet kan worden afgeleid dat appellant zich bezighoudt met de in- en verkoop van spijsoliën en -vetten. De term ‘frituurmanagement’ is volgens verweerder niet zo veelomvattend als appellant stelt. Dat volgens appellant geen passende SBI-code bestaat voor de werkzaamheden die hij uitvoert, is volgens verweerder geen bijzondere omstandigheid die maakt dat hij ten gunste van appellant moet afwijken van de Beleidsregel. De juiste SBI-codes volgen op een juiste inschrijving van de bedrijfsactiviteiten. Het ligt op de weg van appellant om zorg te dragen voor een bedrijfsomschrijving die overeenkomt met zijn feitelijke werkzaamheden. Verweerder stelt zich tot slot in dit kader op het standpunt dat, anders dan appellant stelt, de Beleidsregel niet tot doel heeft een tegemoetkoming toe te kennen aan alle ondernemingen met omzetverlies. Het is een politieke keuze geweest om bepaalde SBI-codes wel op te nemen in de Beleidsregel en andere SBI-codes niet.
5.2
Verweerder heeft daarnaast onderzoek gedaan naar de ondernemingen waarnaar appellant heeft verwezen die dezelfde werkzaamheden uit zouden voeren en wel een tegemoetkoming hebben gehad. Beide ondernemingen stonden op 15 maart 2020 ingeschreven met een bedrijfsomschrijving die wel aanleiding gaf om aansluiting te zoeken bij de SBI-code 46.33.1. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen.
5.3
Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat hij in de bezwaarprocedure aan appellant een hoorzitting heeft aangeboden. Niet is gebleken dat appellant onjuist is geïnformeerd of een onjuist beeld heeft gekregen van het doel van en de werkwijze bij een hoorzitting. Appellant is dan ook niet in zijn belangen geschaad. Verweerder heeft niet onzorgvuldig gehandeld.
Beoordeling
6. Het College heeft verschillende uitspraken gedaan over de Beleidsregel. Het College verwijst naar de uitspraken van 22 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:992, ECLI:NL:CBB:2020:993, ECLI:NL:CBB:2020:994 en ECLI:NL:CBB:2020:995). Daarin is onder meer geoordeeld dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit houdt in dat de rechter alleen kan toetsen of het beleid op consistente wijze is toegepast.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de SBI-codes waarmee appellant op de peildatum van 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK, niet zijn opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de door appellant als passend aangedragen SBI-code 46.33.1 op de peildatum 15 maart 2020 niet voor de onderneming in het handelsregister was opgenomen.
8. Bij toepassing van de Beleidsregel toetst verweerder of de bedrijfsomschrijving (‘Frituurmanagement en service voor het filteren van frituurolie’), zoals die op de peildatum was geregistreerd, aanknopingspunten biedt voor een daarbij passende SBI-code die wel in de Bijlage is vermeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat daar in dit geval geen sprake van is, omdat uit de bedrijfsomschrijving niet kan worden afgeleid dat appellant ook handelt in frituurolie. Het College volgt verweerder hierin niet. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat ‘frituurmanagement’ ziet op het compleet ontzorgen van de horecaondernemer. Daar moet ook de levering van frituurolie onder worden verstaan. Het College volgt appellant in dit standpunt en ziet, anders dan verweerder stelt, in de bedrijfsomschrijving aanknopingspunten om aansluiting te zoeken bij SBI-code 46.33.1.
9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder zijn beleid niet op consistente wijze heeft toegepast. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit. Het College ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het College zal verweerder daarom opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, binnen zes weken een besluit op het bezwaar te nemen.
11. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Wel dient verweerder het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan appellant te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. drs. L. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2021.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.