Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2020-10-20
ECLI:NL:CBB:2020:746
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,440 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 19/305
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2020 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Cortet).
Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.
Bij besluit van 3 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak aan de orde gesteld op de zitting van 28 september 2020. Appellante en verweerder zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Overwegingen
Relevante bepalingen
1. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
Feiten
2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Op de peildatum, 2 juli 2015, hield appellante 103 melk- en kalfkoeien en 86 stuks jongvee op haar bedrijf.
Besluiten van verweerder
3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.955 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.
Beroepsgronden
4.1
Appellante betoogt dat de Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG) geen toereikende grondslag biedt voor het fosfaatrechtenstelsel. Appellante meent dat de noodzaak tot aanvullende maatregelen als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn zich niet voordoet. Bovendien blijkt uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Msw (Kamerstukken II 2015-2016, 34 532, nr. 3) niet dat het fosfaatrechtenstelsel noodzakelijk is om aan de doelstelling van de Nitraatrichtlijn te voldoen. Indien het stelsel van fosfaatrechten wel noodzakelijk is, levert het stelsel van verhandelbare rechten volgens appellante ongeoorloofde staatssteun op.
4.2
Appellante heeft de hiervoor weergegeven gronden ook in bezwaar aangevoerd en stelt dat verweerder in het bestreden besluit in reactie daarop ten onrechte heeft overwogen dat bezwaar en beroep niet mogelijk is tegen algemeen verbindende voorschriften. Via het systeem van de exceptieve toetsing kunnen deze gronden immers gewoon aan de orde komen. Verweerder had hier uitdrukkelijk op in moeten gaan.
Standpunt van verweerder
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel voldoet aan de eisen van artikel 5 van de Nitraatrichtlijn en dat er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Het bestreden besluit is zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd.
Beoordeling
6.1
Het College is in lijn met zijn vaste rechtspraak ook in dit geding van oordeel dat de beroepsgrond over de ontbrekende noodzaak van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel (de door appellante gestelde strijd met artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn) evenals de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert, niet slaagt. Het College verwijst voor een meer uitgebreide motivering van dit oordeel kortheidshalve naar zijn uitspraken van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, en van 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:619.
6.2
Verder stelt het College vast dat verweerder in het bestreden besluit weliswaar heeft opgemerkt dat het niet mogelijk is om bezwaar te maken tegen een algemeen verbindend voorschrift, maar vervolgens ook inhoudelijk heeft gereageerd op de gronden van bezwaar. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van strijd met het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2020.
w.g. I.M. Ludwig w.g. A.A. Dijk
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 19/305
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2020 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Cortet).
Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.
Bij besluit van 3 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak aan de orde gesteld op de zitting van 28 september 2020. Appellante en verweerder zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Overwegingen
Relevante bepalingen
1. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
Feiten
2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Op de peildatum, 2 juli 2015, hield appellante 103 melk- en kalfkoeien en 86 stuks jongvee op haar bedrijf.
Besluiten van verweerder
3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.955 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.
Beroepsgronden
4.1
Appellante betoogt dat de Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG) geen toereikende grondslag biedt voor het fosfaatrechtenstelsel. Appellante meent dat de noodzaak tot aanvullende maatregelen als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn zich niet voordoet. Bovendien blijkt uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Msw (Kamerstukken II 2015-2016, 34 532, nr. 3) niet dat het fosfaatrechtenstelsel noodzakelijk is om aan de doelstelling van de Nitraatrichtlijn te voldoen. Indien het stelsel van fosfaatrechten wel noodzakelijk is, levert het stelsel van verhandelbare rechten volgens appellante ongeoorloofde staatssteun op.
4.2
Appellante heeft de hiervoor weergegeven gronden ook in bezwaar aangevoerd en stelt dat verweerder in het bestreden besluit in reactie daarop ten onrechte heeft overwogen dat bezwaar en beroep niet mogelijk is tegen algemeen verbindende voorschriften. Via het systeem van de exceptieve toetsing kunnen deze gronden immers gewoon aan de orde komen. Verweerder had hier uitdrukkelijk op in moeten gaan.
Standpunt van verweerder
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel voldoet aan de eisen van artikel 5 van de Nitraatrichtlijn en dat er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Het bestreden besluit is zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd.
Beoordeling
6.1
Het College is in lijn met zijn vaste rechtspraak ook in dit geding van oordeel dat de beroepsgrond over de ontbrekende noodzaak van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel (de door appellante gestelde strijd met artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn) evenals de beroepsgrond dat het fosfaatrechtenstelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert, niet slaagt. Het College verwijst voor een meer uitgebreide motivering van dit oordeel kortheidshalve naar zijn uitspraken van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, en van 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:619.
6.2
Verder stelt het College vast dat verweerder in het bestreden besluit weliswaar heeft opgemerkt dat het niet mogelijk is om bezwaar te maken tegen een algemeen verbindend voorschrift, maar vervolgens ook inhoudelijk heeft gereageerd op de gronden van bezwaar. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van strijd met het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2020.
w.g. I.M. Ludwig w.g. A.A. Dijk