Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2020-07-14
ECLI:NL:CBB:2020:454
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,821 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 18/1783
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2020 in de zaak tussen
de vennootschap onder firma [naam 1] , te [plaats] , appellante
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. R. Ramlal en mr. A.R. Alladin).
Procesverloop
Bij te onderscheiden besluiten van 2, 6, 9 en 16 december 2017 en 27 januari 2018 (hierna tezamen en in enkelvoud: het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante geldsommen opgelegd.
Bij besluit van 13 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2020. Namens appellante is [naam 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Verweerder heeft appellante over de perioden 1 tot en met 5 hoge geldsommen opgelegd. In totaal gaat het om een bedrag van € 16.243,00. Appellante is het daar niet mee eens en betoogt in beroep dat sprake is van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) omdat sprake is van een individuele disproportionele last. Zij heeft voor de peildatum vergunningen verkregen en is voor die datum financiële verplichtingen aangegaan. Zij was op 2 juli 2015 net klaar met de renovatie van de stal in het kader van de biologische bedrijfsvoering. Zij wilde niet zozeer uitbreiden, maar beoogde terug te gaan naar het houden van het reeds vergunde aantal van 50 melkkoeien en 25 stuks jongvee. Van een fair balance toets is in het bestreden besluit geen sprake en dit besluit is – net als de gelijkluidende besluiten in de zaken die aan de orde waren in de uitspraken van het College van 21 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:414, ECLI:NL:CBB:2018:417, ECLI:NL:CBB:2018:418, ECLI:NL:CBB:2018:419, ECLI:NL:CBB:2018:420 en ECLI:NL:CBB:2018:421) – in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Appellante wijst er – onder verwijzing naar onder meer een rapport van [naam 3] – op dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar is. Daarnaast voert zij aan dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, nu sprake is van onomkeerbare financiële verplichtingen die zij voor de peildatum is aangegaan en de renovatie kort voor de peildatum is gerealiseerd waardoor zij geen tijd meer had om de stal vanuit natuurlijke aanwas te vullen. Ook is sprake van causaal verband tussen het fosfaatreductieplan en het feit dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar is, aldus appellante. Zij betoogt dat de geldsommen niet in verhouding staan tot wat zij heeft verdiend en betoogt dat zij met haar bedrijf kan stoppen als de geldsommen worden gehandhaafd.
Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral de mate waarin het in de Regeling opgenomen stelsel van maatregelen de individuele melkveehouder raakt relevant. Niet ieder inkomens- of vermogensverlies als gevolg van de opgelegde heffingen en de inperking van de exploitatiemogelijkheden – waardoor bijvoorbeeld ook investeringen nutteloos of beperkt nuttig zijn geworden – als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling vormt een buitensporige last. De uiteindelijke bewijslast dat sprake is van een buitensporige last, rust op appellante. Daarvoor is inzicht nodig in al haar bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden (zie de uitspraak van het College van 21 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:281).
Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:114) in een zaak over fosfaatrechten, ligt de lat voor een geslaagd beroep op artikel 1 van het EP hoog. Het College wil, op basis van onder meer het door appellante overgelegde rapport van [naam 3] , aannemen dat appellante financieel wordt geraakt door de tenuitvoerlegging van de Regeling, maar verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat dit onvoldoende is om een buitensporige last aan te nemen. Hiertoe heeft verweerder onder meer terecht van belang geacht dat uit de overgelegde stukken niet zonder meer en zonder nadere onderbouwing blijkt dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar komt. Verweerder heeft verder terecht van belang geacht dat uit deze stukken evenmin blijkt dat er een noodzaak bestond voor de keuzes die appellante heeft gemaakt. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering, is dit besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit of zouden besluiten met gelijke uitkomst zijn genomen.
Evenwel ziet het College in het gestelde gebrek aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). Ook moet verweerder het door appellante betaalde griffierecht vergoeden.Beslissing
Het College
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 525,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. B. van Dokkum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2020.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. B. van Dokkum
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 18/1783
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2020 in de zaak tussen
de vennootschap onder firma [naam 1] , te [plaats] , appellante
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. R. Ramlal en mr. A.R. Alladin).
Procesverloop
Bij te onderscheiden besluiten van 2, 6, 9 en 16 december 2017 en 27 januari 2018 (hierna tezamen en in enkelvoud: het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante geldsommen opgelegd.
Bij besluit van 13 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2020. Namens appellante is [naam 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Verweerder heeft appellante over de perioden 1 tot en met 5 hoge geldsommen opgelegd. In totaal gaat het om een bedrag van € 16.243,00. Appellante is het daar niet mee eens en betoogt in beroep dat sprake is van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) omdat sprake is van een individuele disproportionele last. Zij heeft voor de peildatum vergunningen verkregen en is voor die datum financiële verplichtingen aangegaan. Zij was op 2 juli 2015 net klaar met de renovatie van de stal in het kader van de biologische bedrijfsvoering. Zij wilde niet zozeer uitbreiden, maar beoogde terug te gaan naar het houden van het reeds vergunde aantal van 50 melkkoeien en 25 stuks jongvee. Van een fair balance toets is in het bestreden besluit geen sprake en dit besluit is – net als de gelijkluidende besluiten in de zaken die aan de orde waren in de uitspraken van het College van 21 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:414, ECLI:NL:CBB:2018:417, ECLI:NL:CBB:2018:418, ECLI:NL:CBB:2018:419, ECLI:NL:CBB:2018:420 en ECLI:NL:CBB:2018:421) – in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Appellante wijst er – onder verwijzing naar onder meer een rapport van [naam 3] – op dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar is. Daarnaast voert zij aan dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, nu sprake is van onomkeerbare financiële verplichtingen die zij voor de peildatum is aangegaan en de renovatie kort voor de peildatum is gerealiseerd waardoor zij geen tijd meer had om de stal vanuit natuurlijke aanwas te vullen. Ook is sprake van causaal verband tussen het fosfaatreductieplan en het feit dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar is, aldus appellante. Zij betoogt dat de geldsommen niet in verhouding staan tot wat zij heeft verdiend en betoogt dat zij met haar bedrijf kan stoppen als de geldsommen worden gehandhaafd.
Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral de mate waarin het in de Regeling opgenomen stelsel van maatregelen de individuele melkveehouder raakt relevant. Niet ieder inkomens- of vermogensverlies als gevolg van de opgelegde heffingen en de inperking van de exploitatiemogelijkheden – waardoor bijvoorbeeld ook investeringen nutteloos of beperkt nuttig zijn geworden – als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling vormt een buitensporige last. De uiteindelijke bewijslast dat sprake is van een buitensporige last, rust op appellante. Daarvoor is inzicht nodig in al haar bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden (zie de uitspraak van het College van 21 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:281).
Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:114) in een zaak over fosfaatrechten, ligt de lat voor een geslaagd beroep op artikel 1 van het EP hoog. Het College wil, op basis van onder meer het door appellante overgelegde rapport van [naam 3] , aannemen dat appellante financieel wordt geraakt door de tenuitvoerlegging van de Regeling, maar verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat dit onvoldoende is om een buitensporige last aan te nemen. Hiertoe heeft verweerder onder meer terecht van belang geacht dat uit de overgelegde stukken niet zonder meer en zonder nadere onderbouwing blijkt dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar komt. Verweerder heeft verder terecht van belang geacht dat uit deze stukken evenmin blijkt dat er een noodzaak bestond voor de keuzes die appellante heeft gemaakt. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering, is dit besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit of zouden besluiten met gelijke uitkomst zijn genomen.
Evenwel ziet het College in het gestelde gebrek aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). Ook moet verweerder het door appellante betaalde griffierecht vergoeden.Beslissing
Het College
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 525,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. B. van Dokkum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2020.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. B. van Dokkum
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 18/1783
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2020 in de zaak tussen
de vennootschap onder firma [naam 1] , te [plaats] , appellante
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. R. Ramlal en mr. A.R. Alladin).
Procesverloop
Bij te onderscheiden besluiten van 2, 6, 9 en 16 december 2017 en 27 januari 2018 (hierna tezamen en in enkelvoud: het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante geldsommen opgelegd.
Bij besluit van 13 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2020. Namens appellante is [naam 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Verweerder heeft appellante over de perioden 1 tot en met 5 hoge geldsommen opgelegd. In totaal gaat het om een bedrag van € 16.243,00. Appellante is het daar niet mee eens en betoogt in beroep dat sprake is van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) omdat sprake is van een individuele disproportionele last. Zij heeft voor de peildatum vergunningen verkregen en is voor die datum financiële verplichtingen aangegaan. Zij was op 2 juli 2015 net klaar met de renovatie van de stal in het kader van de biologische bedrijfsvoering. Zij wilde niet zozeer uitbreiden, maar beoogde terug te gaan naar het houden van het reeds vergunde aantal van 50 melkkoeien en 25 stuks jongvee. Van een fair balance toets is in het bestreden besluit geen sprake en dit besluit is – net als de gelijkluidende besluiten in de zaken die aan de orde waren in de uitspraken van het College van 21 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:414, ECLI:NL:CBB:2018:417, ECLI:NL:CBB:2018:418, ECLI:NL:CBB:2018:419, ECLI:NL:CBB:2018:420 en ECLI:NL:CBB:2018:421) – in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Appellante wijst er – onder verwijzing naar onder meer een rapport van [naam 3] – op dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar is. Daarnaast voert zij aan dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, nu sprake is van onomkeerbare financiële verplichtingen die zij voor de peildatum is aangegaan en de renovatie kort voor de peildatum is gerealiseerd waardoor zij geen tijd meer had om de stal vanuit natuurlijke aanwas te vullen. Ook is sprake van causaal verband tussen het fosfaatreductieplan en het feit dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar is, aldus appellante. Zij betoogt dat de geldsommen niet in verhouding staan tot wat zij heeft verdiend en betoogt dat zij met haar bedrijf kan stoppen als de geldsommen worden gehandhaafd.
Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral de mate waarin het in de Regeling opgenomen stelsel van maatregelen de individuele melkveehouder raakt relevant. Niet ieder inkomens- of vermogensverlies als gevolg van de opgelegde heffingen en de inperking van de exploitatiemogelijkheden – waardoor bijvoorbeeld ook investeringen nutteloos of beperkt nuttig zijn geworden – als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling vormt een buitensporige last. De uiteindelijke bewijslast dat sprake is van een buitensporige last, rust op appellante. Daarvoor is inzicht nodig in al haar bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden (zie de uitspraak van het College van 21 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:281).
Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:114) in een zaak over fosfaatrechten, ligt de lat voor een geslaagd beroep op artikel 1 van het EP hoog. Het College wil, op basis van onder meer het door appellante overgelegde rapport van [naam 3] , aannemen dat appellante financieel wordt geraakt door de tenuitvoerlegging van de Regeling, maar verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat dit onvoldoende is om een buitensporige last aan te nemen. Hiertoe heeft verweerder onder meer terecht van belang geacht dat uit de overgelegde stukken niet zonder meer en zonder nadere onderbouwing blijkt dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar komt. Verweerder heeft verder terecht van belang geacht dat uit deze stukken evenmin blijkt dat er een noodzaak bestond voor de keuzes die appellante heeft gemaakt. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering, is dit besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit of zouden besluiten met gelijke uitkomst zijn genomen.
Evenwel ziet het College in het gestelde gebrek aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). Ook moet verweerder het door appellante betaalde griffierecht vergoeden.Beslissing
Het College
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 525,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. B. van Dokkum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2020.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. B. van Dokkum