Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2020-04-28
ECLI:NL:CBB:2020:309
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,632 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 19/612
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2020 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F, te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. V.C. van der Velde),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri),
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van het Besluit houders van dieren.
Bij besluit van 15 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Bosma, kantoorgenoot van de gemachtigde van appellante. Voor appellante zijn tevens verschenen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1
Op 26 juni 2018 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waaronder een toezichthoudend dierenarts, een controle verricht op het bedrijf van appellante. De bevindingen van deze controle zijn door de toezichthouders neergelegd in het rapport van bevindingen van 11 juli 2018 (rapport van bevindingen). Het rapport van bevindingen vermeldt, voor zover hier van belang, de volgende constateringen:
“Na controle van het rundvee zijn wij, toezichthouder (…) naar het weiland schuin tegenover de woning van [naam 1] gegaan. Ik (…) zag en telde plus minus 76 ooien met lammeren. Ik, toezichthouder (…) zag dat deze schapen er goed uitzagen. Vervolgens zag ik meer dan 6 schapen kreupel lopen, met name kreupel aan de voorpoten. Ik hoorde [de toezichthoudend dierenarts, toevoeging College] zeggen dat het mogelijk aan de drinkplaatsen kon liggen. Even later zagen wij een drinkplaats in dit weiland met veel pootafdrukken in de modder aan de slootkant. Ik toezichthouder (…), zag dat de meeste kanten van de sloten veel te steil waren voor de schapen en dat het drinkwater op deze plaatsen moeilijk toegankelijk was. Ik hoorde [de toezichthoudend dierenarts, toevoeging College] zeggen dat deze drinkplaatsen minder geschikt waren omdat ze te steil waren, gevaarlijk voor de schapen, en te nat waren. Op deze wijze zouden de klauwen van de schapen te nat blijven waardoor kreupelheid zou kunnen ontstaan”
1.2
Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Besluit houders van dieren (Bhd). Aan appellante is de volgende maatregel opgelegd:
“Draag er zorg voor dat uw dieren voldoende toegang hebben tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan hun behoefte aan water kunnen voldoen.”
1.3
Bij brief van 26 november 2018 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
3. Appellante betwist dat zij de in het bestreden besluit genoemde overtreding van het Bhd heeft begaan. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de schapen ten tijde van de controle een vitale indruk maakten. Het is volgens appellante evident dat een dier dat niet of moeizaam toegang tot een toereikende drinkplaats heeft, geen vitale indruk kan maken. Het weiland wordt bovendien omringd door sloten, waardoor de schapen gemakkelijk kunnen drinken via aflopende slootkanten. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
4. Het Bhd luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Artikel 1.7 Verzorgen van dieren
Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:
(…)
f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen;”
5.1
Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Bhd. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
5.2
Het ligt op de weg van het bestuursorgaan dat een handhavingsbesluit als hier in geding neemt, om te bewijzen dat sprake is van overtreding van het voorschrift ter handhaving waarvan dat besluit is genomen (zie de uitspraak van 18 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:29). Volgens vaste jurisprudentie van het College, waaronder de uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:230, mag een bestuursorgaan daarbij in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde controleur en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Het ligt dan op de weg van degene bij wie de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen niettemin onjuist zijn.
5.3
Het rapport van bevindingen vermeldt dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat de meeste slootkanten veel te steil waren voor de schapen en dat het drinkwater op deze plaatsen moeilijk toegankelijk was. Naar het oordeel van het College geeft het rapport van bevindingen een te beperkt beeld van de situatie bij het weiland, die van belang is voor de beoordeling van de drinkgelegenheid ter plaatse voor de schapen. Het rapport bevat geen gedetailleerde beschrijving of schets van het weiland waarbij is aangegeven op welke plekken de kanten van de sloten te steil waren en een nadere indicatie van de hellingshoeken van de betreffende slootkanten ontbreekt. Voorts ontbreken foto’s van het weiland met de sloten. Het rapport van bevindingen maakt niet inzichtelijk of de schapen op een andere plaats op het weiland, bijvoorbeeld bij andere slootkanten, wel voldoende toegang tot drinkwater hadden. Het rapport van bevindingen vermeldt verder dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat ten tijde van de controle meer dan 6 schapen kreupel liepen. Het rapport van bevindingen en de hierbij horende veterinaire verklaring van de toezichthoudend dierenarts vermelden dat de oorzaak van de kreupelheid kan zijn gelegen in de toegankelijkheid van de drinkplekken. Deze formulering laat echter ook ruimte voor de mogelijkheid dat de kreupelheid op een andere wijze is ontstaan. Daar komt nog bij dat de toezichthouders in totaal 76 ooien met lammeren hebben gezien, waarvan de meeste niet kreupel liepen. Mede gelet op het beperkte beeld van de relevante situatie bij het weiland, is derhalve gerede twijfel mogelijk aan de juistheid van vorengenoemde verklaring over de oorzaak van de kreupelheid en de daarmee gewekte suggestie dat voldoende toegankelijke drinkplekken voor de schapen bij het weiland ontbreken. Gelet op het voorgaande biedt het rapport van bevindingen onvoldoende grond voor de conclusie dat ten tijde van de controle op 26 juni 2018 de schapen en lammeren niet van een toereikende hoeveelheid vers en schoon drinkwater werden voorzien.
5.3
Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Bhd. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van de in geding zijnde last onder dwangsom.
6. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. Dit besluit komt wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. Nu de last onder dwangsom ten onrechte is opgelegd, zal het College, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen. Het College zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 1575,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.
De voorzitter is verhinderd te ondertekenen.
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 19/612
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2020 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F, te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. V.C. van der Velde),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri),
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van het Besluit houders van dieren.
Bij besluit van 15 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Bosma, kantoorgenoot van de gemachtigde van appellante. Voor appellante zijn tevens verschenen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1
Op 26 juni 2018 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waaronder een toezichthoudend dierenarts, een controle verricht op het bedrijf van appellante. De bevindingen van deze controle zijn door de toezichthouders neergelegd in het rapport van bevindingen van 11 juli 2018 (rapport van bevindingen). Het rapport van bevindingen vermeldt, voor zover hier van belang, de volgende constateringen:
“Na controle van het rundvee zijn wij, toezichthouder (…) naar het weiland schuin tegenover de woning van [naam 1] gegaan. Ik (…) zag en telde plus minus 76 ooien met lammeren. Ik, toezichthouder (…) zag dat deze schapen er goed uitzagen. Vervolgens zag ik meer dan 6 schapen kreupel lopen, met name kreupel aan de voorpoten. Ik hoorde [de toezichthoudend dierenarts, toevoeging College] zeggen dat het mogelijk aan de drinkplaatsen kon liggen. Even later zagen wij een drinkplaats in dit weiland met veel pootafdrukken in de modder aan de slootkant. Ik toezichthouder (…), zag dat de meeste kanten van de sloten veel te steil waren voor de schapen en dat het drinkwater op deze plaatsen moeilijk toegankelijk was. Ik hoorde [de toezichthoudend dierenarts, toevoeging College] zeggen dat deze drinkplaatsen minder geschikt waren omdat ze te steil waren, gevaarlijk voor de schapen, en te nat waren. Op deze wijze zouden de klauwen van de schapen te nat blijven waardoor kreupelheid zou kunnen ontstaan”
1.2
Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Besluit houders van dieren (Bhd). Aan appellante is de volgende maatregel opgelegd:
“Draag er zorg voor dat uw dieren voldoende toegang hebben tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan hun behoefte aan water kunnen voldoen.”
1.3
Bij brief van 26 november 2018 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
3. Appellante betwist dat zij de in het bestreden besluit genoemde overtreding van het Bhd heeft begaan. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de schapen ten tijde van de controle een vitale indruk maakten. Het is volgens appellante evident dat een dier dat niet of moeizaam toegang tot een toereikende drinkplaats heeft, geen vitale indruk kan maken. Het weiland wordt bovendien omringd door sloten, waardoor de schapen gemakkelijk kunnen drinken via aflopende slootkanten. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
4. Het Bhd luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Artikel 1.7 Verzorgen van dieren
Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:
(…)
f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen;”
5.1
Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Bhd. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
5.2
Het ligt op de weg van het bestuursorgaan dat een handhavingsbesluit als hier in geding neemt, om te bewijzen dat sprake is van overtreding van het voorschrift ter handhaving waarvan dat besluit is genomen (zie de uitspraak van 18 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:29). Volgens vaste jurisprudentie van het College, waaronder de uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:230, mag een bestuursorgaan daarbij in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde controleur en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Het ligt dan op de weg van degene bij wie de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen niettemin onjuist zijn.
5.3
Het rapport van bevindingen vermeldt dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat de meeste slootkanten veel te steil waren voor de schapen en dat het drinkwater op deze plaatsen moeilijk toegankelijk was. Naar het oordeel van het College geeft het rapport van bevindingen een te beperkt beeld van de situatie bij het weiland, die van belang is voor de beoordeling van de drinkgelegenheid ter plaatse voor de schapen. Het rapport bevat geen gedetailleerde beschrijving of schets van het weiland waarbij is aangegeven op welke plekken de kanten van de sloten te steil waren en een nadere indicatie van de hellingshoeken van de betreffende slootkanten ontbreekt. Voorts ontbreken foto’s van het weiland met de sloten. Het rapport van bevindingen maakt niet inzichtelijk of de schapen op een andere plaats op het weiland, bijvoorbeeld bij andere slootkanten, wel voldoende toegang tot drinkwater hadden. Het rapport van bevindingen vermeldt verder dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat ten tijde van de controle meer dan 6 schapen kreupel liepen. Het rapport van bevindingen en de hierbij horende veterinaire verklaring van de toezichthoudend dierenarts vermelden dat de oorzaak van de kreupelheid kan zijn gelegen in de toegankelijkheid van de drinkplekken. Deze formulering laat echter ook ruimte voor de mogelijkheid dat de kreupelheid op een andere wijze is ontstaan. Daar komt nog bij dat de toezichthouders in totaal 76 ooien met lammeren hebben gezien, waarvan de meeste niet kreupel liepen. Mede gelet op het beperkte beeld van de relevante situatie bij het weiland, is derhalve gerede twijfel mogelijk aan de juistheid van vorengenoemde verklaring over de oorzaak van de kreupelheid en de daarmee gewekte suggestie dat voldoende toegankelijke drinkplekken voor de schapen bij het weiland ontbreken. Gelet op het voorgaande biedt het rapport van bevindingen onvoldoende grond voor de conclusie dat ten tijde van de controle op 26 juni 2018 de schapen en lammeren niet van een toereikende hoeveelheid vers en schoon drinkwater werden voorzien.
5.3
Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Bhd. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van de in geding zijnde last onder dwangsom.
6. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. Dit besluit komt wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. Nu de last onder dwangsom ten onrechte is opgelegd, zal het College, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen. Het College zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 1575,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.
De voorzitter is verhinderd te ondertekenen.
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 19/612
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2020 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F, te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. V.C. van der Velde),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri),
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van het Besluit houders van dieren.
Bij besluit van 15 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Bosma, kantoorgenoot van de gemachtigde van appellante. Voor appellante zijn tevens verschenen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1
Op 26 juni 2018 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waaronder een toezichthoudend dierenarts, een controle verricht op het bedrijf van appellante. De bevindingen van deze controle zijn door de toezichthouders neergelegd in het rapport van bevindingen van 11 juli 2018 (rapport van bevindingen). Het rapport van bevindingen vermeldt, voor zover hier van belang, de volgende constateringen:
“Na controle van het rundvee zijn wij, toezichthouder (…) naar het weiland schuin tegenover de woning van [naam 1] gegaan. Ik (…) zag en telde plus minus 76 ooien met lammeren. Ik, toezichthouder (…) zag dat deze schapen er goed uitzagen. Vervolgens zag ik meer dan 6 schapen kreupel lopen, met name kreupel aan de voorpoten. Ik hoorde [de toezichthoudend dierenarts, toevoeging College] zeggen dat het mogelijk aan de drinkplaatsen kon liggen. Even later zagen wij een drinkplaats in dit weiland met veel pootafdrukken in de modder aan de slootkant. Ik toezichthouder (…), zag dat de meeste kanten van de sloten veel te steil waren voor de schapen en dat het drinkwater op deze plaatsen moeilijk toegankelijk was. Ik hoorde [de toezichthoudend dierenarts, toevoeging College] zeggen dat deze drinkplaatsen minder geschikt waren omdat ze te steil waren, gevaarlijk voor de schapen, en te nat waren. Op deze wijze zouden de klauwen van de schapen te nat blijven waardoor kreupelheid zou kunnen ontstaan”
1.2
Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Besluit houders van dieren (Bhd). Aan appellante is de volgende maatregel opgelegd:
“Draag er zorg voor dat uw dieren voldoende toegang hebben tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan hun behoefte aan water kunnen voldoen.”
1.3
Bij brief van 26 november 2018 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
3. Appellante betwist dat zij de in het bestreden besluit genoemde overtreding van het Bhd heeft begaan. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de schapen ten tijde van de controle een vitale indruk maakten. Het is volgens appellante evident dat een dier dat niet of moeizaam toegang tot een toereikende drinkplaats heeft, geen vitale indruk kan maken. Het weiland wordt bovendien omringd door sloten, waardoor de schapen gemakkelijk kunnen drinken via aflopende slootkanten. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
4. Het Bhd luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Artikel 1.7 Verzorgen van dieren
Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:
(…)
f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen;”
5.1
Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Bhd. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
5.2
Het ligt op de weg van het bestuursorgaan dat een handhavingsbesluit als hier in geding neemt, om te bewijzen dat sprake is van overtreding van het voorschrift ter handhaving waarvan dat besluit is genomen (zie de uitspraak van 18 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:29). Volgens vaste jurisprudentie van het College, waaronder de uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:230, mag een bestuursorgaan daarbij in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde controleur en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Het ligt dan op de weg van degene bij wie de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen niettemin onjuist zijn.
5.3
Het rapport van bevindingen vermeldt dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat de meeste slootkanten veel te steil waren voor de schapen en dat het drinkwater op deze plaatsen moeilijk toegankelijk was. Naar het oordeel van het College geeft het rapport van bevindingen een te beperkt beeld van de situatie bij het weiland, die van belang is voor de beoordeling van de drinkgelegenheid ter plaatse voor de schapen. Het rapport bevat geen gedetailleerde beschrijving of schets van het weiland waarbij is aangegeven op welke plekken de kanten van de sloten te steil waren en een nadere indicatie van de hellingshoeken van de betreffende slootkanten ontbreekt. Voorts ontbreken foto’s van het weiland met de sloten. Het rapport van bevindingen maakt niet inzichtelijk of de schapen op een andere plaats op het weiland, bijvoorbeeld bij andere slootkanten, wel voldoende toegang tot drinkwater hadden. Het rapport van bevindingen vermeldt verder dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat ten tijde van de controle meer dan 6 schapen kreupel liepen. Het rapport van bevindingen en de hierbij horende veterinaire verklaring van de toezichthoudend dierenarts vermelden dat de oorzaak van de kreupelheid kan zijn gelegen in de toegankelijkheid van de drinkplekken. Deze formulering laat echter ook ruimte voor de mogelijkheid dat de kreupelheid op een andere wijze is ontstaan. Daar komt nog bij dat de toezichthouders in totaal 76 ooien met lammeren hebben gezien, waarvan de meeste niet kreupel liepen. Mede gelet op het beperkte beeld van de relevante situatie bij het weiland, is derhalve gerede twijfel mogelijk aan de juistheid van vorengenoemde verklaring over de oorzaak van de kreupelheid en de daarmee gewekte suggestie dat voldoende toegankelijke drinkplekken voor de schapen bij het weiland ontbreken. Gelet op het voorgaande biedt het rapport van bevindingen onvoldoende grond voor de conclusie dat ten tijde van de controle op 26 juni 2018 de schapen en lammeren niet van een toereikende hoeveelheid vers en schoon drinkwater werden voorzien.
5.3
Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Bhd. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van de in geding zijnde last onder dwangsom.
6. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. Dit besluit komt wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. Nu de last onder dwangsom ten onrechte is opgelegd, zal het College, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen. Het College zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 1575,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.
De voorzitter is verhinderd te ondertekenen.
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 19/612
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2020 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F, te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. V.C. van der Velde),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri),
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van het Besluit houders van dieren.
Bij besluit van 15 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Bosma, kantoorgenoot van de gemachtigde van appellante. Voor appellante zijn tevens verschenen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1
Op 26 juni 2018 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waaronder een toezichthoudend dierenarts, een controle verricht op het bedrijf van appellante. De bevindingen van deze controle zijn door de toezichthouders neergelegd in het rapport van bevindingen van 11 juli 2018 (rapport van bevindingen). Het rapport van bevindingen vermeldt, voor zover hier van belang, de volgende constateringen:
“Na controle van het rundvee zijn wij, toezichthouder (…) naar het weiland schuin tegenover de woning van [naam 1] gegaan. Ik (…) zag en telde plus minus 76 ooien met lammeren. Ik, toezichthouder (…) zag dat deze schapen er goed uitzagen. Vervolgens zag ik meer dan 6 schapen kreupel lopen, met name kreupel aan de voorpoten. Ik hoorde [de toezichthoudend dierenarts, toevoeging College] zeggen dat het mogelijk aan de drinkplaatsen kon liggen. Even later zagen wij een drinkplaats in dit weiland met veel pootafdrukken in de modder aan de slootkant. Ik toezichthouder (…), zag dat de meeste kanten van de sloten veel te steil waren voor de schapen en dat het drinkwater op deze plaatsen moeilijk toegankelijk was. Ik hoorde [de toezichthoudend dierenarts, toevoeging College] zeggen dat deze drinkplaatsen minder geschikt waren omdat ze te steil waren, gevaarlijk voor de schapen, en te nat waren. Op deze wijze zouden de klauwen van de schapen te nat blijven waardoor kreupelheid zou kunnen ontstaan”
1.2
Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Besluit houders van dieren (Bhd). Aan appellante is de volgende maatregel opgelegd:
“Draag er zorg voor dat uw dieren voldoende toegang hebben tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan hun behoefte aan water kunnen voldoen.”
1.3
Bij brief van 26 november 2018 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
3. Appellante betwist dat zij de in het bestreden besluit genoemde overtreding van het Bhd heeft begaan. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de schapen ten tijde van de controle een vitale indruk maakten. Het is volgens appellante evident dat een dier dat niet of moeizaam toegang tot een toereikende drinkplaats heeft, geen vitale indruk kan maken. Het weiland wordt bovendien omringd door sloten, waardoor de schapen gemakkelijk kunnen drinken via aflopende slootkanten. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
4. Het Bhd luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Artikel 1.7 Verzorgen van dieren
Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:
(…)
f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen;”
5.1
Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Bhd. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
5.2
Het ligt op de weg van het bestuursorgaan dat een handhavingsbesluit als hier in geding neemt, om te bewijzen dat sprake is van overtreding van het voorschrift ter handhaving waarvan dat besluit is genomen (zie de uitspraak van 18 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:29). Volgens vaste jurisprudentie van het College, waaronder de uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:230, mag een bestuursorgaan daarbij in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde controleur en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Het ligt dan op de weg van degene bij wie de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen niettemin onjuist zijn.
5.3
Het rapport van bevindingen vermeldt dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat de meeste slootkanten veel te steil waren voor de schapen en dat het drinkwater op deze plaatsen moeilijk toegankelijk was. Naar het oordeel van het College geeft het rapport van bevindingen een te beperkt beeld van de situatie bij het weiland, die van belang is voor de beoordeling van de drinkgelegenheid ter plaatse voor de schapen. Het rapport bevat geen gedetailleerde beschrijving of schets van het weiland waarbij is aangegeven op welke plekken de kanten van de sloten te steil waren en een nadere indicatie van de hellingshoeken van de betreffende slootkanten ontbreekt. Voorts ontbreken foto’s van het weiland met de sloten. Het rapport van bevindingen maakt niet inzichtelijk of de schapen op een andere plaats op het weiland, bijvoorbeeld bij andere slootkanten, wel voldoende toegang tot drinkwater hadden. Het rapport van bevindingen vermeldt verder dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat ten tijde van de controle meer dan 6 schapen kreupel liepen. Het rapport van bevindingen en de hierbij horende veterinaire verklaring van de toezichthoudend dierenarts vermelden dat de oorzaak van de kreupelheid kan zijn gelegen in de toegankelijkheid van de drinkplekken. Deze formulering laat echter ook ruimte voor de mogelijkheid dat de kreupelheid op een andere wijze is ontstaan. Daar komt nog bij dat de toezichthouders in totaal 76 ooien met lammeren hebben gezien, waarvan de meeste niet kreupel liepen. Mede gelet op het beperkte beeld van de relevante situatie bij het weiland, is derhalve gerede twijfel mogelijk aan de juistheid van vorengenoemde verklaring over de oorzaak van de kreupelheid en de daarmee gewekte suggestie dat voldoende toegankelijke drinkplekken voor de schapen bij het weiland ontbreken. Gelet op het voorgaande biedt het rapport van bevindingen onvoldoende grond voor de conclusie dat ten tijde van de controle op 26 juni 2018 de schapen en lammeren niet van een toereikende hoeveelheid vers en schoon drinkwater werden voorzien.
5.3
Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Bhd. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van de in geding zijnde last onder dwangsom.
6. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. Dit besluit komt wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. Nu de last onder dwangsom ten onrechte is opgelegd, zal het College, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen. Het College zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 1575,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.
De voorzitter is verhinderd te ondertekenen.
De griffier is verhinderd te ondertekenen.