Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2018-06-05
ECLI:NL:CBB:2018:250
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,698 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/247
5111
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2018 in de zaak tussen
[appellante] V.O.F., te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. D. Pool),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. M.J.W. Boezelman).
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).
Bij besluit van 18 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en het aantal vastgestelde betalingsrechten gewijzigd vastgesteld.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 2 en 7 mei 2018 heeft verweerder een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Geschil
2 Zoals het College eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:236) is in Nederland het systeem voor identificatie van landbouwpercelen gebaseerd op topografische percelen, die dienst doen als referentiepercelen. Samen vormen zij de AAN-laag (Agrarisch Areaal Nederland). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een landsdekkende luchtfoto met een schaal van 1:2.500. Voorts heeft het College reeds geoordeeld dat de functie van het systeem van referentiepercelen is om informatie te leveren wat betreft de maximale subsidiabele oppervlakte, en dat verweerder de AAN-laag mag gebruiken om te controleren of, en zo ja in hoeverre de door de landbouwer opgegeven landbouwpercelen de maximale subsidiabele oppervlakte overschrijden. Tenslotte heeft het College in eerdere uitspraken al geoordeeld dat de resultaten van de fysieke controle (GPS-meting) niet nauwkeuriger zijn dan de metingen op basis van luchtfoto’s (vergelijk de uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:CBB:2016:83). Gelet hierop is het College van oordeel dat de methode waarmee door verweerder de geconstateerde oppervlakte is vastgesteld niet onjuist te achten is. Voor zover de gronden van appelante met betrekking tot haar percelen inhouden dat verweerder uit had moeten gaan van de GPS-gegevens van appellante, kunnen deze gronden dus niet slagen. Te meer, nu de GPS-meting van 2012 niet actueel is en de situatie ter plaatse ieder jaar kan verschillen.
3 Voor het perceel 18 stelt het College vast dat verweerder in het verweerschrift erop heeft gewezen dat het verschil in de door appellante aangevraagde oppervlakte en de door verweerder vastgestelde maximaal subsidiabele oppervlakte van het referentieperceel minder dan 2% bedraagt. Appellante heeft dit niet betwist. Zoals het College in de uitspraak van 29 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:197) heeft geoordeeld, mag verweerder bij een verschil van minder dan 2% uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van dat verschil. Gelet hierop kan het betoog van appellante dat verweerder de oppervlakte van perceel 18 verkeerd heeft vastgesteld vanwege een te groot oppervlak van de toegangsdam, reeds hierom niet slagen.
4 Over perceel 3 heeft appellante betoogd dat verweerder ten onrechte een niet-subsidiabel talud heeft aangenomen langs de slootranden die het perceel begrenzen. Het College stelt vast dat het talud op de luchtfoto’s die verweerder heeft overgelegd en ter zitting zijn bekeken, anders van kleur en structuur zijn dan de omliggende grond die verweerder als subsidiabele oppervlakte heeft aangemerkt. De door verweerder uitgezonderde strook langs de slootranden is (deels) verruigt. De door appellante overgelegde foto’s van dit perceel bevestigen het voorgaande. Deze strook heeft verweerder daarom terecht niet als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt.
5.1
Verder heeft appellante betoogd dat verweerder bij het vaststellen van de subsidiabele oppervlakte van perceel 23 ten onrechte het strookje land tussen de sloot en het (beton-)pad niet heeft meegerekend.
5.2
In het bestreden besluit, zoals nader toegelicht in het verweerschrift, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij de perceelgrens binnen de intekening van appellant heeft vastgesteld en dat hij niet is gehouden een grotere subsidiabele oppervlakte vast te stellen dan door appellante is ingetekend.
5.3
Nu verweerder is gebleken dat dit standpunt niet in overeenstemming is met de uitspraak van het College van 12 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2018:94, heeft hij bij brief van 2 mei 2018 aan het College medegedeeld dat hij de subsidiabele oppervlakte van perceel 23 opnieuw zal beoordelen. In de brief van 7 mei 2018 heeft verweerder aangegeven dat de nieuwe subsidiabele oppervlakte van perceel 23 2,68 ha bedraagt. Daarnaast is perceel 23 vanwege een niet-subsidiabel element, een betonpad, gesplitst in de percelen 23 en 60. Perceel 60 is vastgesteld op 0,01 ha, zodat de totale subsidiabele oppervlakte van deze percelen op totaal 2,69 ha wordt vastgesteld.
5.4
Bij deze stand van zaken moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering berust. De beroepsgrond ten aanzien van dit perceel van appellante behoeft gelet hierop en gezien 5.3 verder niet nader te worden besproken.
6 Het beroep slaagt. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van appellante moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn van zes weken stellen.
7 Het College zal verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten veroordelen. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.002,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2018.
w.g. T. Pavićević w.g. C.E.C.M. van Roosmalen
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/247
5111
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2018 in de zaak tussen
[appellante] V.O.F., te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. D. Pool),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. M.J.W. Boezelman).
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).
Bij besluit van 18 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en het aantal vastgestelde betalingsrechten gewijzigd vastgesteld.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 2 en 7 mei 2018 heeft verweerder een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Geschil
2 Zoals het College eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:236) is in Nederland het systeem voor identificatie van landbouwpercelen gebaseerd op topografische percelen, die dienst doen als referentiepercelen. Samen vormen zij de AAN-laag (Agrarisch Areaal Nederland). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een landsdekkende luchtfoto met een schaal van 1:2.500. Voorts heeft het College reeds geoordeeld dat de functie van het systeem van referentiepercelen is om informatie te leveren wat betreft de maximale subsidiabele oppervlakte, en dat verweerder de AAN-laag mag gebruiken om te controleren of, en zo ja in hoeverre de door de landbouwer opgegeven landbouwpercelen de maximale subsidiabele oppervlakte overschrijden. Tenslotte heeft het College in eerdere uitspraken al geoordeeld dat de resultaten van de fysieke controle (GPS-meting) niet nauwkeuriger zijn dan de metingen op basis van luchtfoto’s (vergelijk de uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:CBB:2016:83). Gelet hierop is het College van oordeel dat de methode waarmee door verweerder de geconstateerde oppervlakte is vastgesteld niet onjuist te achten is. Voor zover de gronden van appelante met betrekking tot haar percelen inhouden dat verweerder uit had moeten gaan van de GPS-gegevens van appellante, kunnen deze gronden dus niet slagen. Te meer, nu de GPS-meting van 2012 niet actueel is en de situatie ter plaatse ieder jaar kan verschillen.
3 Voor het perceel 18 stelt het College vast dat verweerder in het verweerschrift erop heeft gewezen dat het verschil in de door appellante aangevraagde oppervlakte en de door verweerder vastgestelde maximaal subsidiabele oppervlakte van het referentieperceel minder dan 2% bedraagt. Appellante heeft dit niet betwist. Zoals het College in de uitspraak van 29 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:197) heeft geoordeeld, mag verweerder bij een verschil van minder dan 2% uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van dat verschil. Gelet hierop kan het betoog van appellante dat verweerder de oppervlakte van perceel 18 verkeerd heeft vastgesteld vanwege een te groot oppervlak van de toegangsdam, reeds hierom niet slagen.
4 Over perceel 3 heeft appellante betoogd dat verweerder ten onrechte een niet-subsidiabel talud heeft aangenomen langs de slootranden die het perceel begrenzen. Het College stelt vast dat het talud op de luchtfoto’s die verweerder heeft overgelegd en ter zitting zijn bekeken, anders van kleur en structuur zijn dan de omliggende grond die verweerder als subsidiabele oppervlakte heeft aangemerkt. De door verweerder uitgezonderde strook langs de slootranden is (deels) verruigt. De door appellante overgelegde foto’s van dit perceel bevestigen het voorgaande. Deze strook heeft verweerder daarom terecht niet als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt.
5.1
Verder heeft appellante betoogd dat verweerder bij het vaststellen van de subsidiabele oppervlakte van perceel 23 ten onrechte het strookje land tussen de sloot en het (beton-)pad niet heeft meegerekend.
5.2
In het bestreden besluit, zoals nader toegelicht in het verweerschrift, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij de perceelgrens binnen de intekening van appellant heeft vastgesteld en dat hij niet is gehouden een grotere subsidiabele oppervlakte vast te stellen dan door appellante is ingetekend.
5.3
Nu verweerder is gebleken dat dit standpunt niet in overeenstemming is met de uitspraak van het College van 12 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2018:94, heeft hij bij brief van 2 mei 2018 aan het College medegedeeld dat hij de subsidiabele oppervlakte van perceel 23 opnieuw zal beoordelen. In de brief van 7 mei 2018 heeft verweerder aangegeven dat de nieuwe subsidiabele oppervlakte van perceel 23 2,68 ha bedraagt. Daarnaast is perceel 23 vanwege een niet-subsidiabel element, een betonpad, gesplitst in de percelen 23 en 60. Perceel 60 is vastgesteld op 0,01 ha, zodat de totale subsidiabele oppervlakte van deze percelen op totaal 2,69 ha wordt vastgesteld.
5.4
Bij deze stand van zaken moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering berust. De beroepsgrond ten aanzien van dit perceel van appellante behoeft gelet hierop en gezien 5.3 verder niet nader te worden besproken.
6 Het beroep slaagt. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van appellante moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn van zes weken stellen.
7 Het College zal verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten veroordelen. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.002,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2018.
w.g. T. Pavićević w.g. C.E.C.M. van Roosmalen