Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2017-11-30
ECLI:NL:CBB:2017:462
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,948 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 16/306
5111
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2017 in de zaak tussen
maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. F. Postma),
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).
Procesverloop
Bij besluit van 29 december 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) afgewezen.
Bij besluit van 31 december 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling afgewezen.
Bij besluit van 22 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017.
Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Het College gaat uit van het volgende.
1.1
Appellante heeft met het doen van haar Gecombineerde opgave 2015 op 26 april 2015 toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van deze betalingsrechten en de vergroeningsbetaling aangevraagd.
1.2
Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten afgewezen. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de aanvraag van appellante tot uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling afgewezen, omdat appellante op 15 mei 2015 geen betalingsrechten in gebruik had.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Verweerder heeft uiteengezet dat betalingsrechten kunnen worden toegewezen aan actieve landbouwers die tijdig een aanvraag hiervoor indienen en – kort gezegd – voor 2013 recht hadden op een rechtstreekse betaling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009).
Uit het gegevensbestand van verweerder is echter gebleken dat appellante geen rechtstreekse betaling heeft gehad in 2013, zodat appellante niet aan die voorwaarde voldoet.
Actieve landbouwers die in 2013 geen rechtstreekse betaling hebben ontvangen, kunnen alsnog in aanmerking komen voor toewijzing van betalingsrechten als ze tijdig een aanvraag hiervoor indienen en uiterlijk op 15 mei 2013 ten minste 0,3 hectare fruit, groente, consumptie- en/of pootaardappelen of siergewassen hebben geteeld of een wijngaard van ten minste 0,3 ha hebben geëxploiteerd. Niet is gebleken dat appellante aan deze voorwaarde voldoet. Tot slot komen actieve landbouwers die in 2013 geen rechtstreekse betaling hebben ontvangen alsnog in aanmerking voor toewijzing van betalingsrechten als ze tijdig een aanvraag hiervoor indienen en nooit hebben beschikt over toeslagrechten in eigendom of gehuurd en wel uiterlijk op 15 mei 2013 aantoonbaar bepaalde landbouwactiviteiten hebben verricht. Uit het gegevensbestand van verweerder is gebleken dat appellante in het verleden (onder andere in 2006 en 2007) toeslagrechten heeft gehad, zodat appellante evenmin aan deze voorwaarde voldoet.
3. Appellante voert aan dat sprake is van een nieuwe regeling waarvan de strekking van meet af aan onduidelijk was en dat, indien de reikwijdte van de regeling en de voorwaarden waaraan moest worden voldaan eerder duidelijk zouden zijn geweest, zij daarop had kunnen anticiperen. Indien appellante zich na de overgang in 2014 van houtteelt naar veenkoloniale akkerbouw in 2015 als nieuw landbouwbedrijf had aangemeld bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), was zij wel in aanmerking gekomen voor betalingsrechten. Dat appellante dit heeft nagelaten, zou niet tot gevolg moeten hebben dat zij nu geen betalingsrechten ontvangt. Verder voert appellante aan dat zij, gelet op mededelingen en toezeggingen van de RVO, erop mocht vertrouwen dat zij in aanmerking zou komen voor betalingsrechten. Wanneer de Uitvoeringsregeling naar de letter wordt toegepast en geen betalingsrechten worden toegekend, zijn de gevolgen voor appellante verstrekkend en nadelig en in strijd met het doel van deze regeling. Aanvullend voert appellante aan dat artikel 24 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (Verordening 1307/2013) betrekking heeft op de toekenning van betalingsrechten per perceel en niet per landbouwer. Appellante meent op grond daarvan dat toeslagrechten die behoren bij een ander perceel dan waarop de huidige aanvraag en beslissing zien, niet kunnen worden aangemerkt als eerdere betalingsrechten die aan het voor het eerst toekennen van toeslagrechten in de weg staan.
4. Het College overweegt als volgt.
4.1
Bij uitspraak van 9 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:316) heeft het College onder 5.2 – kort gezegd – geoordeeld dat op grond van artikel 24, eerste lid, eerste alinea onder b, van Verordening 1307/2013 alleen dan betalingsrechten worden toegewezen aan landbouwers indien zij, voordat een verlaging en uitsluiting wordt toegepast, naar aanleiding van een daartoe ingediende steunaanvraag voor 2013 recht hadden op betaling van een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,-. Voorts heeft het College in die uitspraak onder 5.3 geoordeeld dat de in genoemde bepaling neergelegde keuze van de Uniewetgever, ook indien deze keuze wordt beschouwd tegen de achtergrond van artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder c, van Verordening 1307/2013, niet tot onevenredige gevolgen leidt.
4.2
Aangezien appellante voor 2013 geen recht had op betaling van een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,-, naar aanleiding van een daartoe ingediende steunaanvraag, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante op grond van artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder b, van Verordening 1307/2013 niet in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten. Vaststaat dat appellante in het verleden toeslagrechten heeft gehad, zodat zij evenmin voldoet aan de voorwaarde dat zij nooit over toeslagrechten heeft beschikt. Het doet er daarbij niet toe dat de aanvraag betrekking heeft op andere percelen dan die waarop in het verleden toeslagrechten hebben gerust. Het College volgt appellante dan ook niet in haar uitleg van artikel 24 van Verordening 1307/2013. Evenmin is gebleken dat appellante voldoet aan één van de andere voorwaarden om anderszins in aanmerking te komen voor betalingsrechten in 2015.
4.3
Het betoog van appellante dat (de reikwijdte van) de regelgeving en de voorwaarden waaraan moest worden voldaan onvoldoende duidelijk waren, faalt. Op 20 december 2013 is Verordening 1307/2013 in werking getreden en vanaf 1 januari 2015 geldt het nieuwe wettelijke regime voor de toekenning van steun aan landbouwers. Voor marktdeelnemers voor wie deze verordening gevolgen had, bestond aldus voldoende tijd om zich daarop voor te bereiden (zie de uitspraak van het College van 6 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:68,
onder 11.3). Voorts heeft verweerder in het verweerschrift terecht erop gewezen dat hij landbouwers door middel van nieuwsbrieven tijdig heeft geïnformeerd over het nieuwe GLB, dat hij appellante bij brief erover heeft geïnformeerd dat zij haar referentiegegevens inzake de betalingsrechten kon raadplegen in het klantportaal van de RVO en dat appellante zich toen nog toegang kon verschaffen tot de basisbetalingsregeling door het afsluiten van private overeenkomsten, maar dat appellante dit niet heeft gedaan (zie hiervoor de uitspraak van het College van 9 oktober 2017 onder 5.6, ECLI:NL:CBB:2017:323).
4.4
Voor zover appellante met haar betoog dat zij door het niet toewijzen van betalingsrechten onevenredig zwaar wordt getroffen, met betrekking tot het bestreden besluit een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft willen doen, kan dit niet slagen. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. De voorwaarden voor toewijzing van betalingsrechten vloeien rechtstreeks voort uit artikel 24 van Verordening 1307/2013. Nu appellante niet aan die voorwaarden voldoet, was verweerder gehouden de aanvraag om toewijzing van betalingsrechten af te wijzen.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. L. van Gulick, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. L. van Gulick
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 16/306
5111
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2017 in de zaak tussen
maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. F. Postma),
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).
Procesverloop
Bij besluit van 29 december 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) afgewezen.
Bij besluit van 31 december 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten en vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling afgewezen.
Bij besluit van 22 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017.
Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Het College gaat uit van het volgende.
1.1
Appellante heeft met het doen van haar Gecombineerde opgave 2015 op 26 april 2015 toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van deze betalingsrechten en de vergroeningsbetaling aangevraagd.
1.2
Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten afgewezen. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de aanvraag van appellante tot uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling afgewezen, omdat appellante op 15 mei 2015 geen betalingsrechten in gebruik had.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Verweerder heeft uiteengezet dat betalingsrechten kunnen worden toegewezen aan actieve landbouwers die tijdig een aanvraag hiervoor indienen en – kort gezegd – voor 2013 recht hadden op een rechtstreekse betaling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009).
Uit het gegevensbestand van verweerder is echter gebleken dat appellante geen rechtstreekse betaling heeft gehad in 2013, zodat appellante niet aan die voorwaarde voldoet.
Actieve landbouwers die in 2013 geen rechtstreekse betaling hebben ontvangen, kunnen alsnog in aanmerking komen voor toewijzing van betalingsrechten als ze tijdig een aanvraag hiervoor indienen en uiterlijk op 15 mei 2013 ten minste 0,3 hectare fruit, groente, consumptie- en/of pootaardappelen of siergewassen hebben geteeld of een wijngaard van ten minste 0,3 ha hebben geëxploiteerd. Niet is gebleken dat appellante aan deze voorwaarde voldoet. Tot slot komen actieve landbouwers die in 2013 geen rechtstreekse betaling hebben ontvangen alsnog in aanmerking voor toewijzing van betalingsrechten als ze tijdig een aanvraag hiervoor indienen en nooit hebben beschikt over toeslagrechten in eigendom of gehuurd en wel uiterlijk op 15 mei 2013 aantoonbaar bepaalde landbouwactiviteiten hebben verricht. Uit het gegevensbestand van verweerder is gebleken dat appellante in het verleden (onder andere in 2006 en 2007) toeslagrechten heeft gehad, zodat appellante evenmin aan deze voorwaarde voldoet.
3. Appellante voert aan dat sprake is van een nieuwe regeling waarvan de strekking van meet af aan onduidelijk was en dat, indien de reikwijdte van de regeling en de voorwaarden waaraan moest worden voldaan eerder duidelijk zouden zijn geweest, zij daarop had kunnen anticiperen. Indien appellante zich na de overgang in 2014 van houtteelt naar veenkoloniale akkerbouw in 2015 als nieuw landbouwbedrijf had aangemeld bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), was zij wel in aanmerking gekomen voor betalingsrechten. Dat appellante dit heeft nagelaten, zou niet tot gevolg moeten hebben dat zij nu geen betalingsrechten ontvangt. Verder voert appellante aan dat zij, gelet op mededelingen en toezeggingen van de RVO, erop mocht vertrouwen dat zij in aanmerking zou komen voor betalingsrechten. Wanneer de Uitvoeringsregeling naar de letter wordt toegepast en geen betalingsrechten worden toegekend, zijn de gevolgen voor appellante verstrekkend en nadelig en in strijd met het doel van deze regeling. Aanvullend voert appellante aan dat artikel 24 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (Verordening 1307/2013) betrekking heeft op de toekenning van betalingsrechten per perceel en niet per landbouwer. Appellante meent op grond daarvan dat toeslagrechten die behoren bij een ander perceel dan waarop de huidige aanvraag en beslissing zien, niet kunnen worden aangemerkt als eerdere betalingsrechten die aan het voor het eerst toekennen van toeslagrechten in de weg staan.
4. Het College overweegt als volgt.
4.1
Bij uitspraak van 9 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:316) heeft het College onder 5.2 – kort gezegd – geoordeeld dat op grond van artikel 24, eerste lid, eerste alinea onder b, van Verordening 1307/2013 alleen dan betalingsrechten worden toegewezen aan landbouwers indien zij, voordat een verlaging en uitsluiting wordt toegepast, naar aanleiding van een daartoe ingediende steunaanvraag voor 2013 recht hadden op betaling van een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,-. Voorts heeft het College in die uitspraak onder 5.3 geoordeeld dat de in genoemde bepaling neergelegde keuze van de Uniewetgever, ook indien deze keuze wordt beschouwd tegen de achtergrond van artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder c, van Verordening 1307/2013, niet tot onevenredige gevolgen leidt.
4.2
Aangezien appellante voor 2013 geen recht had op betaling van een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,-, naar aanleiding van een daartoe ingediende steunaanvraag, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante op grond van artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder b, van Verordening 1307/2013 niet in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten. Vaststaat dat appellante in het verleden toeslagrechten heeft gehad, zodat zij evenmin voldoet aan de voorwaarde dat zij nooit over toeslagrechten heeft beschikt. Het doet er daarbij niet toe dat de aanvraag betrekking heeft op andere percelen dan die waarop in het verleden toeslagrechten hebben gerust. Het College volgt appellante dan ook niet in haar uitleg van artikel 24 van Verordening 1307/2013. Evenmin is gebleken dat appellante voldoet aan één van de andere voorwaarden om anderszins in aanmerking te komen voor betalingsrechten in 2015.
4.3
Het betoog van appellante dat (de reikwijdte van) de regelgeving en de voorwaarden waaraan moest worden voldaan onvoldoende duidelijk waren, faalt. Op 20 december 2013 is Verordening 1307/2013 in werking getreden en vanaf 1 januari 2015 geldt het nieuwe wettelijke regime voor de toekenning van steun aan landbouwers. Voor marktdeelnemers voor wie deze verordening gevolgen had, bestond aldus voldoende tijd om zich daarop voor te bereiden (zie de uitspraak van het College van 6 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:68,
onder 11.3). Voorts heeft verweerder in het verweerschrift terecht erop gewezen dat hij landbouwers door middel van nieuwsbrieven tijdig heeft geïnformeerd over het nieuwe GLB, dat hij appellante bij brief erover heeft geïnformeerd dat zij haar referentiegegevens inzake de betalingsrechten kon raadplegen in het klantportaal van de RVO en dat appellante zich toen nog toegang kon verschaffen tot de basisbetalingsregeling door het afsluiten van private overeenkomsten, maar dat appellante dit niet heeft gedaan (zie hiervoor de uitspraak van het College van 9 oktober 2017 onder 5.6, ECLI:NL:CBB:2017:323).
4.4
Voor zover appellante met haar betoog dat zij door het niet toewijzen van betalingsrechten onevenredig zwaar wordt getroffen, met betrekking tot het bestreden besluit een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft willen doen, kan dit niet slagen. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. De voorwaarden voor toewijzing van betalingsrechten vloeien rechtstreeks voort uit artikel 24 van Verordening 1307/2013. Nu appellante niet aan die voorwaarden voldoet, was verweerder gehouden de aanvraag om toewijzing van betalingsrechten af te wijzen.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. L. van Gulick, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. L. van Gulick