Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2013-09-20
ECLI:NL:CBB:2013:172
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,982 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummers: 11/228 en 11/1065
5101
Uitspraak van de meervoudige kamer van 20 september 2013 in de zaken tussen
Vokar B.V., te Heibloem, appellante
(gemachtigde: mr. W.M.J. Saes),
en
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. E.L.G.M. Boumans).
Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2], te [woonplaats], gemachtigde: mr. W.M.J. Saes.
Procesverloop
Bij besluit van 19 mei 2010 heeft verweerder de aan appellante toekomende slachtpremie voor 2009 verrekend met een nog openstaande vordering van superheffing van het Productschap Zuivel op appellante.
Bij besluit van 1 februari 2011 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld; dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer 11/228.
Bij besluit van 20 april 2011 heeft verweerder de aan appellante toekomende bedrijfstoeslag voor 2010 verrekend met een nog openstaande vordering van superheffing van het Productschap Zuivel op appellante.
Bij besluit van 28 oktober 2011 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen dat besluit eveneens beroep ingesteld; dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer 11/1065.
Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2013, waarbij de gemachtigden van partijen een nadere toelichting op hun standpunt hebben gegeven.
Overwegingen
1.
Appellante exploiteert een melkveehouderij en is rechtsopvolger van de voormalige vennootschap onder firma [derde belanghebbende 2] en [derde belanghebbende 1]. Het Productschap Zuivel (hierna te noemen: het Productschap) heeft bij besluit van 20 april 2010 aan appellante rechtstreeks superheffing opgelegd over het heffingsjaar 2007/2008 omdat appellante haar melkquotum heeft overschreden en de koper van haar melk, Ruva Karreveld B.V., zou hebben nagelaten om de door appellante hiervoor verschuldigde superheffing van € 300.635,80 in te houden. De bestreden besluiten houden in dat verweerder de aan appellante toegekende slachtpremie voor 2009 en bedrijfstoeslag voor 2010 niet aan appellante uitkeert, maar verrekent met de vordering die het Productschap op appellante heeft. Daartoe zijn de slachtpremie en de bedrijfstoeslag (het gaat daarbij om bedragen van respectievelijk € 4.425,19 en € 5.635,70) aan het Productschap overgemaakt.
2.
Appellante stelt zich op het standpunt dat geen verrekening mogelijk is van haar vordering op verweerder - te weten de betaling van landbouwsteun - met de vordering van het Productschap voor beweerdelijk nog verschuldigde superheffing. Verweerder was niet tot de desbetreffende verrekening bevoegd. Appellante acht hierbij van belang dat de Staat - waartoe verweerders ministerie behoort - en het Productschap twee verschillende publiekrechtelijke rechtspersonen zijn. Dat de Dienst Regelingen van het ministerie van verweerder is aangemerkt als betaalorgaan betekent nog niet dat verweerder de bevoegdheid heeft om te verrekenen met een door het Productschap opgelegde superheffing. Deze bevoegdheid vindt evenmin grondslag in artikel 5ter van Verordening (EG) nr. 885/2006.
3.
Verweerder stelt hiertegenover dat de Dienst Regelingen bij besluit van 31 augustus 2006 als enige is aangewezen als Europees betaalorgaan in de zin van artikel 6, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1290/2005. De status van Europees betaalorgaan van het Productschap is bij besluit van 10 oktober 2006 ingetrokken. Het Productschap fungeert sindsdien als een zogenoemd “delegated body” onder de verantwoordelijkheid van de Dienst Regelingen. Deze Dienst is als Europees betaalorgaan verantwoordelijk voor de afdracht van betalingen aan Europa, de betaling van Europese subsidies en het uitvoeren van controles. De bevoegdheid en zelfs verplichting van verweerder om in een geval als dit tot verrekening over te gaan is gegeven in artikel 5ter van Verordening (EG) nr. 885/2006. Dit artikel is toegevoegd door Verordening (EG) nr. 1034/2008. Nu de Dienst Regelingen in Nederland als enige is aangemerkt als Europees betaalorgaan is hij verantwoordelijk voor zowel de afdracht van de verschuldigde superheffing als de betaling van de slachtpremie en de bedrijfstoeslag. Verweerder is dan ook bevoegd tot verrekening van de te vorderen superheffing met de aan appellante toegekende rechtstreekse betalingen. Verweerder verwijst op dit punt naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 2008, (ECLI:EU:C:2008:62006CJ0383) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 24 december 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG8284).
4.
Het College sluit zich aan bij de opvatting van verweerder. Op grond van artikel 5ter van Verordening (EG) nr. 885/2006 verrekenen de lidstaten elke nog openstaande vordering op een begunstigde die overeenkomstig het nationale recht vast is komen te staan met welke betaling dan ook die het voor de inning van de vordering verantwoordelijke betaalorgaan in de toekomst aan dezelfde begunstigde moet doen. Dit onverminderd de andere handhavingsmaatregelen waarin het nationale recht voorziet. De Dienst Regelingen is het enige aangewezen betaalorgaan, hetgeen blijkt uit de door verweerder overgelegde stukken. Hij is hiermee zowel verantwoordelijk voor de betaling van slachtpremie en bedrijfstoeslag als voor de inning van superheffing. Dat het Productschap de Regeling Superheffing uitvoert en de superheffing heeft opgelegd aan appellante doet hieraan niet af. Het Productschap heeft zijn eigen taken ten aanzien van de superheffing maar is geen betaalorgaan. Alleen verweerder gaat over betalingen. Voor zover appellante zich heeft beroepen op wettelijke bepalingen (zoals artikel 4:93 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 6:127, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek) die zich tegen verrekening als hier in geding zouden verzetten, slaagt haar betoog niet. Uit artikel 5ter van Verordening (EG) nr. 885/2006 volgt immers rechtstreeks dat verweerder bevoegd en verplicht is om tot verrekening van betalingen aan appellante met een vordering op appellante over te gaan. Anders dan appellante heeft gesteld, behoeft het besluit tot oplegging van de superheffing nog geen formele rechtskracht te hebben gekregen voordat deze vordering kan worden verrekend. Verwezen wordt naar de uitspraak van het College van 25 april 2012 (ECLI:NL:CBB:BW 4847).
5.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat beide beroepen ongegrond dienen te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Overigens merkt het College onder verwijzing naar de uitspraak van heden met registratienummers 10/1316 en 11/464 nog op dat als gevolg van die uitspraak de vordering van het Productschap op appellante is komen te vervallen. Het gaat daarbij om een na het bestreden besluit opgetreden feit. Omdat het College de rechtmatigheid van het bestreden besluit toetst naar de stand van de feiten op het moment dat dit werd genomen, heeft dat geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Dictum
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, mr. R.C. Stam en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2013.
w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld