Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2012-09-28
ECLI:NL:CBB:2012:BY1681
Bestuursrecht
College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 10/731 28 september 2012 11201 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren Bestuursdwang Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellant, gemachtigde: eerst: mr. B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg, thans: mr. C.A. van Kooten-de Jong, advocaat te Montfoort, tegen de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder, gemachtigden: ing. G.C.J. van Rooijen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen. 1. Het procesverloop Appellant heeft bij brief van 16 juli 2010, bij het College binnengekomen op 19 juli 2010, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 9 juni 2010. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bewaarschriften van appellant tegen een drietal besluiten van verweerder inzake het verhaal van kosten na toepassing van een last onder bestuursdwang. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden. Appellants opvolgend gemachtigde heeft op 11 mei 2012 aanvullende stukken ingediend. Verweerder heeft op 18 mei 2012 een nieuwe beslissing op de bezwaarschriften genomen en deze in afschrift aan het College gezonden. Op 25 mei 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Appellant was ook zelf bij de behandeling aanwezig. 2.1 Artikel 106 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de wet) luidt: “Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen. " De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt voor zover hier van belang: " Artikel 5:25 1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. 2. De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht. 3. Tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd. 4. De kosten van voorbereiding van bestuursdwang zijn ook verschuldigd, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast. 5. Tot de kosten van bestuursdwang behoren tevens de kosten van vergoeding van schade ingevolge artikel 5:27, zesde lid. 6. Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast. Artikel 5:29 1. Voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, kan het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan. 2. Het bestuursorgaan doet van het meevoeren en opslaan proces-verbaal opmaken. Een afschrift van het proces-verbaal wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had. 3. Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende. 4. Het bestuursorgaan kan de teruggave opschorten totdat de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten zijn voldaan. 5. Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, kan het bestuursorgaan de teruggave opschorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan. Artikel 5:30 1. Indien een meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken nadat zij is meegevoerd, kan worden teruggegeven, kan het bestuursorgaan de zaak verkopen. 2. Het bestuursorgaan kan de zaak eerder verkopen, zodra de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten, vermeerderd met de voor de verkoop geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden. 3. Verkoop vindt evenwel niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal van meevoeren en opslaan, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft. 4. Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van de zaak onder aftrek van de ingevolge arikel 5:25 verschuldigde kosten en de kosten van verkoop. Na het verstrijken van deze termijn vervalt een batig saldo aan het bestuursorgaan. 5. Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan verkoop niet mogelijk is, kan het de zaak om niet aan een derde overdragen of laten vernietigen. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing." 2.2 Op 17 september 2009 heeft de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (hierna:LID) een onderzoek ingesteld op het adres van appellant te B. In het kader van spoedeisende bestuursrechtelijke handhaving van de wet zijn 154 honden in beslag genomen. Bij besluit van 6 oktober 2009 is de toepassing van bestuursdwang bevestigd. Het daartegen ingediende bezwaar is ongegrond verklaard. Daartegen is geen beroep ingesteld. Derhalve moet er in deze procedure van de juistheid van het bestuursdwangbesluit worden uitgegaan. 2.3 Bij besluiten van 18 januari 2010, 9 februari 2010 en 1 april 2010 zijn de kosten van de bestuursdwang vastgesteld op in totaal € 67.967,38. Bij het besluit van 9 juni zijn de bezwaren van appellant tegen de hoogte van het kostenverhaal ongegrond verklaard. Wel is, gelet op artikel 4:87 Awb de betalingstermijn gewijzigd vastgesteld op zes weken. 2.4 Bij het besluit van 18 mei 2012 is opnieuw op de bezwaren beslist. Deze zijn nu gedeeltelijk gegrond verklaard en de kosten van de bestuursdwang zijn gewijzigd vastgesteld op € 46.077,90. Dit bedrag is berekend op basis van een bedrag aan te verhalen kosten van € 59.427,90, waarop in mindering wordt gebracht een fictieve opbrengst van de verkoop van 89 pups tegen een prijs van € 150,00 per pup. Voorts is aan appellant een proceskostenvergoeding van € 1748,00 toegekend. 2.5 Op grond van artikel 6:19, eerste lid, Awb dient appellants beroep geacht worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 18 mei 2012. Appellant heeft in beroep allereerst aangevoerd, dat hij op 22 september 2009 afstand heeft gedaan van de honden, die op 17 september 2009 waren meegenomen. Hij is van oordeel dat hem voor de periode nadien geen kosten en zeker niet het volledige bedrag voor opvang en verzorging van de honden in rekening gebracht kan worden. Het College oordeelt, dat de in artikel 5:30 Awb gestelde termijn van twee weken na verstrekking van een afschrift van het proces-verbaal van meevoeren en opslaan, waarbinnen, behoudens in twee uitdrukkelijk genoemde gevallen, niet tot verkoop (dan wel overdracht aan een derde of vernietiging) mag worden overgegaan, strekt tot bescherming van de belangen van de rechthebbende op die zaken. Derhalve hoeft, anders dan verweerder gesteld heeft, aan deze termijn niet steeds te worden vastgehouden in gevallen waarin die rechthebbende uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van die zaken. Anderzijds vergt een zorgvuldige omgang met levende dieren, dat soms enige tijd moet worden genomen om over de verdere afwikkeling te beslissen en daarvoor voorzieningen te treffen. Het afstand doen van de dieren vrijwaart de overtreder niet van aansprakelijkheid voor de kosten, die ook na zijn afstandsverklaring redelijkerwijs nog gemaakt moeten worden. In dit geval heeft het College niet kunnen vaststellen, dat verweerder, als hij niet gemeend had dat hij de dieren in elk geval veertien dagen moest bewaren, lagere bewaringskosten gemaakt zou hebben, dan hij nu in rekening heeft gebracht. Appellant heeft dat ook niet aannemelijk gemaakt. 2.6 Appellant heeft zijn argumenten in beroep uitdrukkelijk beperkt tot de diverse kosten voor transport en vervoer en de opgevoerde posten startvergoeding en dagvergoedingen. Gelet daarop konden ter zitting van het College niet geheel andere posten nog ter discussie gesteld worden. Het College gaat aan de argumenten met betrekking tot zulke posten derhalve voorbij. Het College wijst er voorts op, dat het in rekening brengen van start- en dagvergoedingen de uitkomst is van een voor dergelijke opvang georganiseerde openbare aanbesteding. Gelet hierop moeten de aan de orde zijnde bedragen geacht worden marktconform te zijn. Van enige reden waarom deze kosten in dit geval niet ten volle in rekening gebracht zouden moeten worden is het College niet gebleken. Als tarieven eenmaal zijn bepaald, bestaat er geen ruimte meer om nut en noodzaak van één kostensoort ter discussie te stellen. Het College wijst er in dit verband voorts op, dat de kosten van het beschikbaar houden en aanbieden van een voorziening voor de acute opvang en verzorging van een grote groep verwaarloosde gezelschapsdieren niet vergelijkbaar zijn met de kosten die de houder van een vakantiepension voor dieren in zijn prijzen moet verwerken. Ten slotte heeft verweerder in dit verband terecht verwezen naar het besluit van 15 januari 2010, waarin wordt uiteengezet dat de wet uitgaat van de intrinsieke waarde van het dier en niet alleen van de bedrijfseconomische waarde of het bedrijfseconomisch nut van dieren. 2.7 Appellant heeft zich er voorts over beklaagd, dat de waarde van zijn fokteven op nihil is gesteld. Hij rekent voor dat een teef, die vijf worpen van vijf pups levert, bij een waarde van € 250,00 per pup, een economische waarde van € 6250,00 vertegenwoordigt. Het College: - verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juni 2010 niet ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen het besluit van 18 mei 2012 ongegrond. Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. W.E. Doolaard en mr. G.P. Kleijn, in tegenwoordigheid van mr. N.W.A. Verrijt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2012. w.g. E.R. Eggeraat w.g. N.W.A. Verrijt