Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2008-04-23
ECLI:NL:CBB:2008:BD0641
Bestuursrecht
College van Beroep voor het bedrijfsleven Zesde enkelvoudige kamer AWB 06/882 23 april 2008 5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006 Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellant, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr. C.E.B. Haazen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen. Appellant heeft bij brief van 29 november 2006, bij het College op 1 december 2006 binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 oktober 2006. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 22 augustus 2006, waarbij verweerder de toeslagrechten van appellant op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft vastgesteld. Bij brief van 6 maart 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Daarbij bevindt zich een besluit van 6 maart 2007, waarbij verweerder het besluit van 20 oktober 2006 heeft ingetrokken en opnieuw op het bezwaar is beslist. Het beroep wordt ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 6 maart 2007. Op 19 maart 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 2. De grondslag van het geschil Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover hier van belang: " Artikel 33 - Subsidiabiliteit 1. De landbouwers kunnen gebruik maken van de bedrijfstoeslagregeling indien: a) zij op grond van ten minste één van de in bijlage VI bedoelde steunregelingen een betaling hebben ontvangen in de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode, of, (…) Artikel 37 - Berekening van het referentiebedrag 1. Het referentiebedrag is het gemiddelde over drie jaar van het totaalbedrag aan toeslagen dat aan een landbouwer voor elk kalenderjaar van de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode is verleend op grond van de in bijlage VI genoemde steunregelingen, berekend en aangepast overeenkomstig bijlage VII. (…) Artikel 38 - Referentieperiode De referentieperiode omvat de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002. Artikel 40 - Gevallen van onbillijkheid 1. In afwijking van artikel 37 heeft een landbouwer wiens productie gedurende de referentieperiode nadelig werd beïnvloed door een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden dat/die zich vóór of gedurende die referentieperiode heeft/hebben voorgedaan, het recht te verzoeken dat het referentiebedrag wordt berekend op basis van het kalenderjaar of de kalenderjaren in de referentieperiode dat/die niet is/zijn beïnvloed door het geval van overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden. 2. (…) 3. Een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de betrokken landbouwer, samen met relevant bewijsmateriaal ten genoegen van de bevoegde autoriteit, schriftelijk ter kennis van de autoriteit gebracht binnen een door elke lidstaat vast te stellen termijn. 4. Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de bevoegde autoriteit erkend in gevallen zoals bijvoorbeeld: a) het overlijden van de landbouwer, b) langdurige arbeidsongeschiktheid van de landbouwer, c) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in ernstige mate heeft aangetast, d) het door een ongeluk tenietgaan van voor veehouderij bestemde gebouwen op het bedrijf, e) een epizoötie die de gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan heeft getroffen. (…) " Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt: " Investeringen 1. Een landbouwer die onder de voorwaarden van de leden 2 tot en met 6 van het onderhavige artikel en uiterlijk op 15 mei 2004 geïnvesteerd heeft in productiecapaciteit of grond heeft gekocht, ontvangt toeslagrechten die zijn berekend door een referentiebedrag dat door de lidstaat is vastgesteld op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen, te delen door een aantal hectaren dat niet groter is dan het aantal hectaren dat hij heeft gekocht. " De Regeling luidt voorzover hier van belang: " Artikel 16 1. Voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve komen uitsluitend in aanmerking: (...) c. landbouwers die overeenkomstig artikel 21 van verordening 795/2004 geïnvesteerd hebben in productiecapaciteit of grond hebben gekocht, indien ten genoegen van de minister wordt aangetoond dat zij overeenkomstig artikel 21 van verordening 795/2004, uiterlijk op 15 mei 2004: - (...); - (…); - dieren hebben gekocht waarvoor een in bijlage VI bij verordening 1782/2003 genoemde rechtstreekse betaling kon worden verkregen; - premierechten voor ooien of zoogkoeien hebben gekocht, of (...) 2. Landbouwers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, komen uitsluitend in aanmerking voor toeslagrechten uit de nationale reserve voor zover: a. zij als gevolg van de investering in productiecapaciteit of het in bezit krijgen, kopen of huren van subsidiabele grond, in de zin van artikel 44, tweede lid, van verordening 1782/2003, in het daarop volgende kalenderjaar, beschikken over meer: i. (...), ii. dieren waarvoor een in bijlage VI bij verordening 1782/2003 genoemde rechtstreekse betaling kon worden verkregen, iii. premierechten voor ooien of zoogkoeien, (...) dan de betrokken productiecapaciteit of grond die in de referentieperiode beschikbaar was; b. zij op basis daarvan meer rechtstreekse betalingen hebben ontvangen, zoals berekend op grond van artikel 17; en c. voor zover deze bijkomende productiecapaciteit of grond nog geen recht geeft op toewijzing van toeslagrechten of referentiebedragen op basis van de referentieperiode. " 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Appellant heeft op 13 april 2006 toeslagrechten aangevraagd. - Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft verweerder de toeslagrechten van appellant vastgesteld. Bij de berekening van de waarde van de toeslagrechten is, voorzover hier van belang, uitgegaan van 0 geconstateerde zoogkoeien in de jaren 2000, 2001 en 2002. - Bij brief van 26 september 2006 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt. - Vervolgens heeft verweerder het besluit van 20 oktober 2006 genomen. - Bij besluit van 6 maart 2007 heeft verweerder het besluit van 20 oktober 2006 ingetrokken en opnieuw beslist op het bezwaar van appellant. 3. Het besluit van 6 maart 2007 Bij het besluit van 6 maart 2007 heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. " (…) Ik ben bij de vaststelling van het referentiebedrag uitgegaan van 0 zoogkoeien in alle jaren van de referentieperiode (2000 tot en met 2002). Uit mijn gegevensadministratie blijkt dat u in de jaren 2000 tot en met 2002 0 zoogkoeien heeft gehad. Uit uw gegevens blijkt niet dat u in de referentiejaren een ander aantal geconstateerde dieren heeft gehad. Ook in de bezwaarfase heeft u dit niet aangetoond. Ik ben bij de vaststelling van het referentiebedrag uitgegaan van het juiste aantal geconstateerde dieren. 5.1 Het College stelt voorop dat appellant ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat het beroep alleen nog is gericht tegen het nieuwe besluit van 6 maart 2007. 5.2 Bij het bestreden besluit zijn aan appellant alsnog voor zeven in 2003 gekochte zoogkoeien toeslagrechten uit de nationale reserve toegekend. Eerst ter zitting heeft hij gesteld dat hij daarnaast nog twee koeien heeft gekocht die in aanmerking komen voor toeslagrechten uit de nationale reserve. Dit verzoek kan evenwel niet worden gehonoreerd, nu dit verzoek te laat is gedaan. 5.3 Appellant meent voorts dat hij in aanmerking komt voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve voor de 16,2 premierechten voor zoogkoeien die hij in 2004 heeft verkregen. Het College deelt deze mening niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat, gelet op artikel 16, eerste lid, onder c, vierde gedachtestreepje, van de Regeling, alleen voor gekochte premierechten toeslagrechten uit de nationale reserve kunnen worden verkregen. Nu vaststaat dat appellant de 16,2 premierechten uit de nationale reserve heeft verkregen en niet heeft gekocht, kwam hij voor deze premierechten niet voor toeslagrechten uit de nationale reserve in aanmerking. 5.4 De stelling van appellant dat hij heeft geïnvesteerd in de natuurlijke aanwas van zoogkoeien, faalt reeds, nu hij niet heeft onderbouwd op welke investeringen hij doelt. Voorzover appellant van opvatting is dat hem voor de natuurlijke aanwas van de zoogkoeien zelf toeslagrechten uit de nationale reserve moeten worden toegekend, is deze opvatting onjuist. Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder c, derde gedachtestreepje, van de Regeling kunnen immers alleen voor gekochte koeien waarvoor premie is verkregen, toeslagrechten uit de nationale reserve worden verkregen. 5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb. Het College verklaart het beroep ongegrond. Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008. w.g. E.J.M. Heijs w.g. C.M. Leliveld