Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 1998-11-18
ECLI:NL:CBB:1998:AA3436
De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 98/998 18 november 1998 14860 Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van: de Gemeente Schiedam, verzoekster, gemachtigde: ir A.M. Boersma, tegen het Dagelijks Bestuur van de Stadsregio Rotterdam, verweerder, gemachtigden: drs E.J. Overgaauw en H. Bouwknegt. 1. Het verloop van de procedure Bij besluit van 28 januari 1998, gepubliceerd 13 augustus 1998, heeft verweerder op grond van artikel 25, vierde lid, van de Wet personenvervoer en artikel 13, eerste lid, van de Gemeenschappelijke regeling Stadsregio Rotterdam onder meer de dienstregeling openbaar vervoer 1998-1999 van de RET vastgesteld, voor de periode van 7 september 1998 tot en met 30 mei 1999. Bij brief van 23 september 1998 heeft verzoekster tegen voormeld besluit administratief beroep ingesteld bij de Regioraad van de Stadsregio Rotterdam. Bij verzoekschrift van 23 september 1998, ingekomen bij de griffie van het College op 24 september 1998, heeft verzoekster de president verzocht het besluit van 28 april 1998, voor zover inhoudend de gedeeltelijke opheffing van buslijn 54, bij wege van voorlopige voorziening te schorsen, en te bepalen dat, in afwachting van de beslissing op het ingestelde beroep, een voorziening wordt geboden voor lijn 54 in overeenstemming met de dienstregeling zoals die gold tot 7 september 1998. Verweerder heeft, onder toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken, op 13 oktober 1998 schriftelijk op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd. Bij brief van 9 november heeft verzoekster nadere stukken ingediend. Het verzoek om voorlopige voorziening is door de president behandeld ter zitting van 11 november 1998, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht. 2. De grondslag van het geschil 2.1 Artikel 28, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) luidt als volgt: "1. Geschillen omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van een regeling tussen besturen van deelnemende gemeenten of tussen besturen van een of meer gemeenten en het bestuur van het openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan worden door gedeputeerde staten beslist, voor zover zij niet behoren tot die, vermeld in artikel 112, eerste lid van de Grondwet of tot die, waarvan de beslissing krachtens artikel 112, tweede lid van de Grondwet is opgedragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren." Artikel 112 van de Grondwet luidt, voor zover hier van belang, als volgt: "1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen. 2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. (...)." Artikel 29 van de Kaderwet bestuur in verandering (hierna: de Kaderwet) luidt als volgt: "Indien het bestuur van een in het samenwerkingsgebied liggende gemeente beroep tegen een besluit van het bestuur van een regionaal openbaar lichaam instelt, is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing." In de Wet personenvervoer (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald: "Artikel 4 Bij de uitvoering van deze wet dient een afweging te worden gemaakt tussen de omvang en het gebruik van goed functionerend openbaar vervoer, de noodzaak van openbaar vervoervoorzieningen voor degenen die op dit vervoer zijn aangewezen, het gebruik van particulier personenvervoer per auto, verkeersveiligheid, ruimtelijke ordening, milieubeheer, energiegebruik en de beschikbare financiële middelen. Artikel 65 "Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven." Ingevolge de Wet van 13 november 1997 (Staatsblad 1997, 559), artikel I, onderdeel Y, zijn de artikelen 67 en 68 van Ten opzichte van de telperiode januari 1997 werd echter geen groei geconstateerd. Het beeld is als volgt: traject reizigers zondag januari 1997 reizigers zondag oktober 1997 Station - 's-Grav.Polder 0 (0,0 per rit) 0 (0,0 per rit) Station - Spaland 24 (0,8 per rit) 28 (0,9 per rit) Station - eindpunt Woudhoek 30 (0,9 per rit) 16 (0,5 per rit) totaal 54 (1,7 per rit 44 (1,4 per rit) De (lichte) groei van Spaland wordt meer dan teniet gedaan door de daling van het eindpunt Woudhoek. In ieder geval blijft het aantal reizigers per rit dermate ver onder de door de RET gehanteerde standaardnorm op zondag van 16,6 reizigers per rit, dat opheffing in relatie tot andere lijnen reëel is. Te bedenken is dat bijvoorbeeld een verdrievoudiging van het aantal reizigers van en naar Spaland leidt tot een aantal reizigers per rit van 3,2. Specifiek op de vier punten ingaand: 1. Uit bovenstaand overzicht blijkt het aantal reizigers in 2. Spaland inderdaad enige groei te hebben doorgemaakt, maar die 3. is veel te gering om tot een acceptabel niveau te komen. Het 4. ligt helaas niet in de rede te veronderstellen dat de bouw van meer woningen dat beeld dermate ingrijpend zal wijzigen dat voortzetting van de dienst reëel is. 2. Dat een buslijn voorloper is van een mogelijke TramPluslijn, wil nog niet zeggen dat er geen redelijke verhouding meer zou hoeven te bestaan tussen het aantal reizigers en de exploitatiekosten. Zie ook voorgaand punt. 3. Net als bij voorgaande punt geldt hier in zekere zin dat ook het belang van vroegtijdige aanwezigheid van openbaar vervoer nog niet betekent dat er dan geen redelijke verhouding tussen het aantal reizigers en de exploitatiekosten zou hoeven te bestaan. De opening van de Beneluxmetro zal enerzijds een toename van het aantal reizigers in lijn 54 kunnen betekenen, anderzijds wordt gelijktijdig tramlijn 1 via Station Schiedam geleid, wat tot een verzwakking van de "concurrentiepositie" zou kunnen leiden." Verzoekster heeft zich in de vergadering van de Commissie Verkeer en Vervoer op 17 december 1997 niet laten vertegenwoordigen. Blijkens het verslag van de vergadering zijn de voorstellen ten aanzien van lijn 54 of de reacties daarop niet ter sprake gekomen. Op 28 januari 1998 heeft verweerder het bestreden besluit vastgesteld. Het besluit is bij brief van 24 maart 1998 aan verzoekster bekendgemaakt. Op 13 augustus 1998 is het besluit gepubliceerd. Ten aanzien van buslijn 54 is in de publicatie vermeld dat 's avonds na 18.00 uur niet meer wordt gereden op het traject Station Schiedam - 's Gravelandse Polder - Woudhoek. Onder het kopje "Beroepsmogelijkheid" is aangegeven dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet personenvervoer belanghebbenden binnen zes weken een beroepschrift kunnen indienen bij de Regioraad van de Stadsregio Rotterdam. 3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder Bij het onderhavige besluit heeft verweerder onder meer de dienstregeling van de RET voor buslijn 54 voor de periode van 7 september 1998 tot en met 30 mei 1999 vastgesteld. In zijn reactie op het verzoek om voorlopige voorziening is verweerder allereerst ingegaan op de ontvankelijkheid van het verzoek om voorlopige voorziening. Aangezien de artikelen 67 en 68 van de Wet met ingang van 31 december 1997 zijn vervallen, is namelijk bij de publicatie van het bestreden besluit ten onrechte vermeld dat beroep kon worden ingediend bij de Regioraad van de Stadsregio. Verweerder heeft nog geen besluit genomen over de doorzending van het beroepschrift naar de juiste instantie, maar houdt het er voor dat - nu geen juiste toepassing is gegeven aan artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht - het beroepschrift van verzoekster tijdig is ingediend, zodat verzoekster in haar verzoek om voorlopige voorziening kan worden ontvangen. Volgens verweerder bestaat echter, gelet op het zeer beperkte aantal reizigers in de avonduren en op zondagen op het traject Station Schiedam - Woudhoek, geen spoedeisend belang bij de gevraagd Artikel 28, eerste lid, van de Wgr draagt de beslechting van geschillen omtrent de toepassing van gemeenschappelijke regelingen op aan gedeputeerde staten, tenzij - voor zover hier van belang - sprake is van een geschil waarvan de berechting krachtens artikel 112, tweede lid, van de Grondwet is opgedragen aan de rechterlijke macht dan wel aan een gerecht dat daartoe niet behoort. Ingevolge artikel 65 van de Wet kan een belanghebbende tegen een op grond van de Wet genomen besluit beroep instellen bij het College. De vaststelling van een dienstregeling is een besluit op grond van de Wet, waartegen beroep openstaat op grond van voornoemd artikel 65. Naar voorlopig oordeel van de president is dit niet anders wanneer de dienstregeling is vastgesteld door het bestuur van een (regionaal) openbaar lichaam. De tekst van de Wgr noch de totstandkomingsgeschiedenis van deze wet geven aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. De beslechting van het onderhavige geschil behoort, naar voorlopig oordeel, derhalve niet tot de competentie van gedeputeerde staten, maar - gelet op artikel 29 van de Kaderwet - tot de rechtstreekse competentie van het College, zonder voorafgaande bezwaarschriftprocedure. Op grond van artikel 6:15 van de Awb zal het door verzoekster ingediende beroepschrift zo spoedig mogelijk aan het College dienen te worden doorgezonden. De hiervoor opgeworpen vraag omtrent de bevoegdheid van de president om van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening kennis te nemen, kan derhalve bevestigend worden beantwoord. Voor het treffen van de gevraagde voorziening zou allereerst plaats kunnen zijn indien een redelijke kans aanwezig is dat het ingestelde beroep - met materieel gunstig gevolg voor verzoekster - gegrond zal worden verklaard. Die kans acht de president niet groot. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, noch hetgeen overigens is gebleken, leidt de president tot het oordeel dat aangenomen moet worden dat het College het bestreden besluit van verweerder niet in stand zal laten. Daartoe overweegt de president dat het besluit voorshands niet lijkt te zijn genomen met miskenning van wettelijke voorschriften. Hetgeen zijdens verzoekster naar voren is gebracht geeft evenmin aanleiding tot het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig zou zijn geweest of dat zou moeten worden gesproken van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot het aangevallen besluit heeft kunnen komen. De president overweegt daarbij dat bij de afweging van de bij de openbaar vervoervoorziening betrokken belangen als verwoord in artikel 4 van de Wet uitdrukkelijk ook de beschikbare financiële middelen dienen te worden betrokken. Gelet op de door verweerder vastgestelde "Uitgangspunten dienstregeling openbaar vervoer lange termijn" en de daarin voorgenomen maatregelen om de verhouding tussen het aantal reizigers en de exploitatie-kosten te verbeteren, kan niet met vrucht worden staande gehouden dat verweerder het dienstregelingsvoorstel voor buslijn 54 niet had mogen vaststellen. Daarbij is van belang dat uit de tellingen is gebleken dat de wijziging van de dienstregeling slechts een zeer gering aantal reizigers treft en dat - blijkens hetgeen in de reactie op het verzoek om voorlopige voorziening is opgenomen en ter zitting door verweerder is verklaard - ook alternatieve oplossingen zijn onderzocht. Hetgeen door verzoekster is aangevoerd met betrekking tot de plannen voor de Beneluxlijn en TramPlusplan, en de mogelijkheden voor reizigersgroei, is niet zodanig concreet dat dit tot een ander voorlopig oordeel zou moeten leiden. Voor zover verzoekster heeft willen betogen dat de besluitvorming onzorgvuldig zou zijn geweest omdat geen nader overleg met verzoekster heeft plaatsgevonden, kan de president verzoekster hierin niet volgen. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren tegen de voorstellen kenbaar te maken en vervolgens zijn deze bezw