Rechtspraak
Raad van State
2026-05-13
ECLI:NL:RVS:2026:2677
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
8,076 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2677 text/xml public 2026-05-20T10:32:06 2026-05-10 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-13 202601069/1/A3 en 202601069/2/A3 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2677 text/html public 2026-05-10T06:36:17 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2677 Raad van State , 13-05-2026 / 202601069/1/A3 en 202601069/2/A3 Bij besluit van 20 november 2025 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen. [appellant] heeft op 15 september 2025 een VOG aangevraagd. Die heeft hij nodig om stage te kunnen lopen bij Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs, Samenwerkingsbestuur voor bijzonder en openbaar onderwijs in Sittard (hierna: de Stichting). Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de minister de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP 2025. De staatssecretaris heeft in dit geval een terugkijktermijn van vier jaren gehanteerd en heeft deze verlengd met de feitelijke duur van de vrijheidsbenemende maatregelen die [appellant] heeft ondergaan van in totaal drie maanden en zeven dagen. De staatssecretaris heeft de afgifte van de VOG geweigerd en deze weigering in bezwaar gehandhaafd omdat binnen de terugkijktermijn in het JDS enkele feiten zijn geregistreerd. Op grond van deze in het JDS geregistreerde feiten is volgens de staatssecretaris voldaan het objectieve criterium. 202601069/1/A3 en 202601069/2/A3. Datum uitspraak: 13 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 20 maart 2026 in zaken nrs. 26/461 26/462 in het geding tussen: [appellant] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 20 november 2025 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen. Bij besluit van 18 februari 2026 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Ook heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting van 30 april 2026 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Karlas, advocaat te Laren, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.L. de Gier, zijn verschenen. Overwegingen 1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Waar gaat deze uitspraak over? 2. [appellant] heeft op 15 september 2025 een VOG aangevraagd. Die heeft hij nodig om stage te kunnen lopen bij Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs, Samenwerkingsbestuur voor bijzonder en openbaar onderwijs in Sittard (hierna: de Stichting). Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de minister de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP 2025 (hierna: de beleidsregels). Daarin is bepaald dat als de aanvrager voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS) de staatssecretaris aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt een terugkijktermijn in acht genomen die in beginsel vier jaar bedraagt en wordt verlengd met de feitelijke duur van een vrijheidsbeneming. 3. De staatssecretaris heeft in dit geval een terugkijktermijn van vier jaren gehanteerd en heeft deze verlengd met de feitelijke duur van de vrijheidsbenemende maatregelen die [appellant] heeft ondergaan van in totaal drie maanden en zeven dagen. De staatssecretaris heeft de afgifte van de VOG geweigerd en deze weigering in bezwaar gehandhaafd omdat binnen de terugkijktermijn in het JDS de volgende feiten zijn geregistreerd: - Op 18 februari 2025 is [appellant] in Geleen met politie/Justitie in aanraking gekomen wegens (feit 1 primair) het medeplegen van veroorzaken van ontploffing (artikel 157 ahf/sub 1 en 2 juncto artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr), (feit 1 subsidiair) beschadiging goederen (artikel 350 lid 2 Sr), (feit 2) bedreiging (artikel 350 lid 2 Sr) en op 13 maart 2025 te Sittard wegens (feit 3) intimidatie (artikel 285a lid 1 Sr) en op 15 maart 2025 te Sittard wegens (feit 4) het seksueel binnendringen van het lichaam van een wilsonbekwame (artikel 243 Sr). Deze zaken staan nog open. - Op 26 januari 2025 is [appellant] in Helden met politie/Justitie in aanraking gekomen wegens (feit 1) verduistering (artikel 321 Sr). Deze zaak staat nog open. - Op 18 september 2024 is [appellant] in Sittard met politie/Justitie in aanraking gekomen wegens (feit 4) diefstal in vereniging (artikel 310 juncto artikel 311 lid 1 ahf/sub 4 Sr). Deze zaak staat nog open. - Op 7 maart 2022 is jegens [appellant] een zaak wegens mishandeling (artikel 300 lid 1 Sr) geseponeerd op grond van "door feit en/of gevolgen getroffen". 3.1. Op grond van deze in het JDS geregistreerde feiten is volgens de staatssecretaris voldaan het objectieve criterium. Bij herhaling van binnen de terugkijktermijn aangetroffen feiten is sprake van een risico voor de samenleving. In het kader van de stage zou hij verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van leerlingen, zouden leerlingen afhankelijk zijn van hem en zouden leerlingen soms alleen met hem kunnen zijn. Bij herhaling van de aangetroffen feiten is er een risico voor de veiligheid van leerlingen, het risico dat leerlingen geweld zien en het slachtoffer worden van geweld en/of intimidatie. Ook bestaat het risico dat leerlingen te maken krijgen met ongewenst gedrag en het slachtoffer kunnen worden van een seksueel misdrijf. Verder is er het risico dat [appellant] iets in school gebruikt om iets te laten ontploffen of om iets in brand te steken. Voorts is er het risico dat hij geld of spullen van leerlingen en van school steelt. Toetsing aan het subjectieve criterium geeft volgens de staatssecretaris geen aanleiding om toch aan [appellant] een VOG af te geven. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemeen belang bij bescherming van de samenleving zwaarder moet wegen dan het persoonlijk belang van [appellant]. Wat heeft de rechtbank overwogen? 4. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris de in het JDS aangetroffen feiten aan [appellant] heeft mogen tegenwerpen en genoegzaam heeft gemotiveerd dat aan het objectieve criterium is voldaan. Van een onherroepelijk vrijspraak voor het zedenfeit is geen sprake. Het oordeel van de strafrechter, dat in het kader van de beoordeling van de voorlopige hechtenis sprake is van onvoldoende ernstige bezwaren, is daaraan niet gelijk te stellen. Dat geldt te meer nu het Openbaar Ministerie expliciet te kennen heeft gegeven [appellant] voor het zedenfeit te willen vervolgen. Dat [appellant] ten aanzien van ook de andere openstaande zaken aangeeft onschuldig te zijn, is in dit kader niet van belang. De staatssecretaris kan zich op de registratie baseren en laat zich niet uit over de (on)schuld van [appellant]. Het is ook niet aan de rechtbank om zich over de (on)schuld van [appellant] uit te laten.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2677 text/xml public 2026-05-20T10:32:06 2026-05-10 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-13 202601069/1/A3 en 202601069/2/A3 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2677 text/html public 2026-05-10T06:36:17 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2677 Raad van State , 13-05-2026 / 202601069/1/A3 en 202601069/2/A3 Bij besluit van 20 november 2025 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen. [appellant] heeft op 15 september 2025 een VOG aangevraagd. Die heeft hij nodig om stage te kunnen lopen bij Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs, Samenwerkingsbestuur voor bijzonder en openbaar onderwijs in Sittard (hierna: de Stichting). Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de minister de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP 2025. De staatssecretaris heeft in dit geval een terugkijktermijn van vier jaren gehanteerd en heeft deze verlengd met de feitelijke duur van de vrijheidsbenemende maatregelen die [appellant] heeft ondergaan van in totaal drie maanden en zeven dagen. De staatssecretaris heeft de afgifte van de VOG geweigerd en deze weigering in bezwaar gehandhaafd omdat binnen de terugkijktermijn in het JDS enkele feiten zijn geregistreerd. Op grond van deze in het JDS geregistreerde feiten is volgens de staatssecretaris voldaan het objectieve criterium. 202601069/1/A3 en 202601069/2/A3. Datum uitspraak: 13 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 20 maart 2026 in zaken nrs. 26/461 26/462 in het geding tussen: [appellant] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 20 november 2025 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen. Bij besluit van 18 februari 2026 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Ook heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting van 30 april 2026 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Karlas, advocaat te Laren, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.L. de Gier, zijn verschenen. Overwegingen 1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Waar gaat deze uitspraak over? 2. [appellant] heeft op 15 september 2025 een VOG aangevraagd. Die heeft hij nodig om stage te kunnen lopen bij Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs, Samenwerkingsbestuur voor bijzonder en openbaar onderwijs in Sittard (hierna: de Stichting). Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de minister de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP 2025 (hierna: de beleidsregels). Daarin is bepaald dat als de aanvrager voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS) de staatssecretaris aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt een terugkijktermijn in acht genomen die in beginsel vier jaar bedraagt en wordt verlengd met de feitelijke duur van een vrijheidsbeneming. 3. De staatssecretaris heeft in dit geval een terugkijktermijn van vier jaren gehanteerd en heeft deze verlengd met de feitelijke duur van de vrijheidsbenemende maatregelen die [appellant] heeft ondergaan van in totaal drie maanden en zeven dagen. De staatssecretaris heeft de afgifte van de VOG geweigerd en deze weigering in bezwaar gehandhaafd omdat binnen de terugkijktermijn in het JDS de volgende feiten zijn geregistreerd: - Op 18 februari 2025 is [appellant] in Geleen met politie/Justitie in aanraking gekomen wegens (feit 1 primair) het medeplegen van veroorzaken van ontploffing (artikel 157 ahf/sub 1 en 2 juncto artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr), (feit 1 subsidiair) beschadiging goederen (artikel 350 lid 2 Sr), (feit 2) bedreiging (artikel 350 lid 2 Sr) en op 13 maart 2025 te Sittard wegens (feit 3) intimidatie (artikel 285a lid 1 Sr) en op 15 maart 2025 te Sittard wegens (feit 4) het seksueel binnendringen van het lichaam van een wilsonbekwame (artikel 243 Sr). Deze zaken staan nog open. - Op 26 januari 2025 is [appellant] in Helden met politie/Justitie in aanraking gekomen wegens (feit 1) verduistering (artikel 321 Sr). Deze zaak staat nog open. - Op 18 september 2024 is [appellant] in Sittard met politie/Justitie in aanraking gekomen wegens (feit 4) diefstal in vereniging (artikel 310 juncto artikel 311 lid 1 ahf/sub 4 Sr). Deze zaak staat nog open. - Op 7 maart 2022 is jegens [appellant] een zaak wegens mishandeling (artikel 300 lid 1 Sr) geseponeerd op grond van "door feit en/of gevolgen getroffen". 3.1. Op grond van deze in het JDS geregistreerde feiten is volgens de staatssecretaris voldaan het objectieve criterium. Bij herhaling van binnen de terugkijktermijn aangetroffen feiten is sprake van een risico voor de samenleving. In het kader van de stage zou hij verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van leerlingen, zouden leerlingen afhankelijk zijn van hem en zouden leerlingen soms alleen met hem kunnen zijn. Bij herhaling van de aangetroffen feiten is er een risico voor de veiligheid van leerlingen, het risico dat leerlingen geweld zien en het slachtoffer worden van geweld en/of intimidatie. Ook bestaat het risico dat leerlingen te maken krijgen met ongewenst gedrag en het slachtoffer kunnen worden van een seksueel misdrijf. Verder is er het risico dat [appellant] iets in school gebruikt om iets te laten ontploffen of om iets in brand te steken. Voorts is er het risico dat hij geld of spullen van leerlingen en van school steelt. Toetsing aan het subjectieve criterium geeft volgens de staatssecretaris geen aanleiding om toch aan [appellant] een VOG af te geven. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemeen belang bij bescherming van de samenleving zwaarder moet wegen dan het persoonlijk belang van [appellant]. Wat heeft de rechtbank overwogen? 4. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris de in het JDS aangetroffen feiten aan [appellant] heeft mogen tegenwerpen en genoegzaam heeft gemotiveerd dat aan het objectieve criterium is voldaan. Van een onherroepelijk vrijspraak voor het zedenfeit is geen sprake. Het oordeel van de strafrechter, dat in het kader van de beoordeling van de voorlopige hechtenis sprake is van onvoldoende ernstige bezwaren, is daaraan niet gelijk te stellen. Dat geldt te meer nu het Openbaar Ministerie expliciet te kennen heeft gegeven [appellant] voor het zedenfeit te willen vervolgen. Dat [appellant] ten aanzien van ook de andere openstaande zaken aangeeft onschuldig te zijn, is in dit kader niet van belang. De staatssecretaris kan zich op de registratie baseren en laat zich niet uit over de (on)schuld van [appellant]. Het is ook niet aan de rechtbank om zich over de (on)schuld van [appellant] uit te laten.
Volledig
Verder heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de beperking van de risico’s zwaarder weegt dan de belangen van [appellant]. De staatssecretaris heeft gekeken naar de jeugdige leeftijd van [appellant], de omstandigheden waaronder de (vermeende) strafbare feiten zijn gepleegd en de lichte afdoening van het feit uit 2022. Ook heeft de staatssecretaris onderschreven dat [appellant] groot belang heeft bij de VOG omdat hij daarmee zijn opleiding en de door hem ingezette positieve ontwikkeling zou kunnen vervolgen. De staatssecretaris heeft zwaarder mogen laten wegen dat er sprake is van redelijke verdenkingen van ernstige strafbare feiten, dat het meerdere feiten betreft en dat het tijdsverloop sinds de pleegdatum van het laatste vermeende feit nog te kort is om te kunnen vaststellen dat het risico voor de samenleving op dit moment voldoende is afgenomen. Ook de positieve stappen die [appellant] heeft gezet zijn daarvoor onvoldoende. [appellant] moet over een langere periode laten zien dat hij zich niet schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten voordat hij in aanmerking komt voor een VOG. Dat [appellant] eerder, voor de vermeende pleegdata van de verschillende feiten, een VOG heeft gekregen en probleemloos een stage in het onderwijs heeft gelopen, is onvoldoende om het risico voor de samenleving als zeer klein aan te merken. De staatssecretaris heeft tot slot relevant kunnen achten dat [appellant] ander werk zou kunnen zoeken waarvoor geen VOG nodig is en dat hij in de toekomst opnieuw een VOG kan aanvragen. Dit betekent dat de staatssecretaris de aanvraag om een VOG heeft mogen afwijzen. 5. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld. Hoger beroep Heeft de staatssecretaris het objectieve criterium juist toegepast? 6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris genoegzaam heeft gemotiveerd dat aan het objectieve criterium is voldaan. Het door de staatssecretaris vastgestelde risico voor de samenleving is gebaseerd op een onjuiste weergave van de taken waarvoor hij de VOG heeft aangevraagd. De staatssecretaris is er ten onrechte vanuit is gegaan dat hij zelfstandig verantwoordelijk is voor leerlingen, alleen met leerlingen werkt, toegang heeft tot geld en goederen van de school en de leerlingen en dat leerlingen volledige afhankelijk van hem zijn. Dat is niet zo. De feitelijke taken bestaan uit het observeren van lessen gegeven door docenten, en het voorbereiden en uitvoeren van (delen van) de lessen steeds onder toezicht en begeleiding van een bevoegde docent. Omdat er sprake is van begeleiding, toezicht en het zogenoemde vier-ogenprincipe, is geen sprake van een concreet en reëel risico. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de staatssecretaris onvoldoende heeft geconcretiseerd wat de relatie is tussen de registraties en de taken waarvoor de VOG is aangevraagd. De verwijzing naar het screeningprofiel ‘Onderwijs’ en het opsommen van mogelijke risico’s is onvoldoende. Daarbij hebben de vermeende feiten waarop de registraties zien in de privésfeer plaatsgevonden en betreft het merendeel van de registraties openstaande zaken. Oordeel 6.1. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt de staatssecretaris of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie/taakbezigheid zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. 6.2. Het betoog van [appellant] dat het door de staatssecretaris vastgestelde risico voor de samenleving is gebaseerd op een onjuiste weergave van de taken waarvoor hij de VOG heeft aangevraagd, slaagt niet. In paragraaf 4.2 van de beleidsregels is bepaald dat de screening van een aanvraag van een VOG plaatsvindt op basis van het door de organisatie aangegeven specifieke screeningsprofiel of de aangegeven functieaspecten binnen het algemeen screeningsprofiel. In dit geval heeft de staatssecretaris op aangeven van de Stichting de aanvraag beoordeeld op basis van het specifieke screeningsprofiel ‘Onderwijs’. Daarin staat dat personeel dat werkzaam is op een educatie instelling belast is met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van leerlingen. Zodra leerlingen aan de zorg van (onderwijzend) personeel zijn toevertrouwd, kunnen zich één op één relaties voordoen waarbij sprake is van afhankelijkheid. Het risico bestaat van machtsmisbruik, bijvoorbeeld door middel van afpersing, chantage (afdreiging) of seksuele en geweldsmisdrijven, aldus het screeningsprofiel. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, is de staatssecretaris, gelet op dat wat in het screeningsprofiel staat, er terecht vanuit gegaan dat hij ook als stagiair belast is met de zorg voor de veiligheid van leerlingen en dat zij soms alleen met hem kunnen zijn. De staatssecretaris heeft genoegzaam gemotiveerd waarom de in het JDS geregistreerde feiten, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, niet te verenigen zijn met een behoorlijke uitoefening van taken als stagiair in het onderwijs. 6.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2463) zijn de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan in het kader van de beoordeling of aan het objectieve criterium is voldaan niet relevant. Dit komt omdat deze beoordeling los staat van de persoon van de aanvrager. Ter beoordeling staat of de feiten op zichzelf bezien, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zouden verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat de vermeende feiten waarop de registraties zien in de privésfeer hebben plaatsgevonden, is dus niet relevant. 6.4. In wat [appellant] verder heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel dan de rechtbank. De voorzieningenrechter onderschrijft het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven in de onder 10 opgenomen overwegingen. 6.5. Het betoog slaagt niet. Het subjectieve criterium 7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd mee te wegen in de evenredigheidstoets. Volgens [appellant] is er geen sprake geweest van een ontploffing op 18 februari 2025. Dat blijkt uit de toelichting en het fotomateriaal dat hij heeft overgelegd. Er is vuurwerk gevonden in de brievenbus, maar hij ontkent dat hij hierbij was betrokken. Verder voert [appellant] aan dat hij valselijk is beschuldigd van belediging en intimidatie. Er is op de vermeende pleegdata geen contact geweest tussen hem en aangeefster. Met betrekking tot het vermeende zedenfeit ontkent [appellant] dat hij aangeefster zou hebben verkracht. De rechtbank en het Openbaar Ministerie hebben geen ernstige bezwaren aangenomen voor dit feit nadat het einddossier compleet was. Dit betekent dat de rechtbank onvoldoende concrete aanwijzingen in het dossier ziet om te veronderstellen dat hij betrokken is geweest bij het strafbare feit. [appellant] ontkent ook dat hij jassen heeft verduisterd. Hij was op een feest waarbij twee vrouwen daarna hun jas hebben achtergelaten in zijn auto. Op 11 maart 2025 heeft hij de jassen teruggegeven aan de vrouwen. Ook ontkent [appellant] dat hij een fiets heeft ontvreemd. Tot slot wijst hij erop dat zijn strafzaak ter zake van mishandeling is geseponeerd op grond van code 52. Dat is een lichte afdoening. [appellant] betoogt dat hij een groot belang heeft bij het verkrijgen van de VOG. De stage is een verplicht onderdeel van zijn studie. Zonder stage kan hij geen studiepunten halen, loopt hij studievertraging op en zal hij moeten stoppen met zijn opleiding. Dat beperkt zijn toekomstperspectief als docent geschiedenis. Verder betoogt [verzoeker] dat hij eind 2024 nog een VOG heeft gekregen om stage te lopen bij dezelfde school. Daarbij is geen sprake geweest van incidenten. Oordeel 7.1.
Volledig
Verder heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de beperking van de risico’s zwaarder weegt dan de belangen van [appellant]. De staatssecretaris heeft gekeken naar de jeugdige leeftijd van [appellant], de omstandigheden waaronder de (vermeende) strafbare feiten zijn gepleegd en de lichte afdoening van het feit uit 2022. Ook heeft de staatssecretaris onderschreven dat [appellant] groot belang heeft bij de VOG omdat hij daarmee zijn opleiding en de door hem ingezette positieve ontwikkeling zou kunnen vervolgen. De staatssecretaris heeft zwaarder mogen laten wegen dat er sprake is van redelijke verdenkingen van ernstige strafbare feiten, dat het meerdere feiten betreft en dat het tijdsverloop sinds de pleegdatum van het laatste vermeende feit nog te kort is om te kunnen vaststellen dat het risico voor de samenleving op dit moment voldoende is afgenomen. Ook de positieve stappen die [appellant] heeft gezet zijn daarvoor onvoldoende. [appellant] moet over een langere periode laten zien dat hij zich niet schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten voordat hij in aanmerking komt voor een VOG. Dat [appellant] eerder, voor de vermeende pleegdata van de verschillende feiten, een VOG heeft gekregen en probleemloos een stage in het onderwijs heeft gelopen, is onvoldoende om het risico voor de samenleving als zeer klein aan te merken. De staatssecretaris heeft tot slot relevant kunnen achten dat [appellant] ander werk zou kunnen zoeken waarvoor geen VOG nodig is en dat hij in de toekomst opnieuw een VOG kan aanvragen. Dit betekent dat de staatssecretaris de aanvraag om een VOG heeft mogen afwijzen. 5. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld. Hoger beroep Heeft de staatssecretaris het objectieve criterium juist toegepast? 6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris genoegzaam heeft gemotiveerd dat aan het objectieve criterium is voldaan. Het door de staatssecretaris vastgestelde risico voor de samenleving is gebaseerd op een onjuiste weergave van de taken waarvoor hij de VOG heeft aangevraagd. De staatssecretaris is er ten onrechte vanuit is gegaan dat hij zelfstandig verantwoordelijk is voor leerlingen, alleen met leerlingen werkt, toegang heeft tot geld en goederen van de school en de leerlingen en dat leerlingen volledige afhankelijk van hem zijn. Dat is niet zo. De feitelijke taken bestaan uit het observeren van lessen gegeven door docenten, en het voorbereiden en uitvoeren van (delen van) de lessen steeds onder toezicht en begeleiding van een bevoegde docent. Omdat er sprake is van begeleiding, toezicht en het zogenoemde vier-ogenprincipe, is geen sprake van een concreet en reëel risico. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de staatssecretaris onvoldoende heeft geconcretiseerd wat de relatie is tussen de registraties en de taken waarvoor de VOG is aangevraagd. De verwijzing naar het screeningprofiel ‘Onderwijs’ en het opsommen van mogelijke risico’s is onvoldoende. Daarbij hebben de vermeende feiten waarop de registraties zien in de privésfeer plaatsgevonden en betreft het merendeel van de registraties openstaande zaken. Oordeel 6.1. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt de staatssecretaris of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie/taakbezigheid zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. 6.2. Het betoog van [appellant] dat het door de staatssecretaris vastgestelde risico voor de samenleving is gebaseerd op een onjuiste weergave van de taken waarvoor hij de VOG heeft aangevraagd, slaagt niet. In paragraaf 4.2 van de beleidsregels is bepaald dat de screening van een aanvraag van een VOG plaatsvindt op basis van het door de organisatie aangegeven specifieke screeningsprofiel of de aangegeven functieaspecten binnen het algemeen screeningsprofiel. In dit geval heeft de staatssecretaris op aangeven van de Stichting de aanvraag beoordeeld op basis van het specifieke screeningsprofiel ‘Onderwijs’. Daarin staat dat personeel dat werkzaam is op een educatie instelling belast is met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van leerlingen. Zodra leerlingen aan de zorg van (onderwijzend) personeel zijn toevertrouwd, kunnen zich één op één relaties voordoen waarbij sprake is van afhankelijkheid. Het risico bestaat van machtsmisbruik, bijvoorbeeld door middel van afpersing, chantage (afdreiging) of seksuele en geweldsmisdrijven, aldus het screeningsprofiel. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, is de staatssecretaris, gelet op dat wat in het screeningsprofiel staat, er terecht vanuit gegaan dat hij ook als stagiair belast is met de zorg voor de veiligheid van leerlingen en dat zij soms alleen met hem kunnen zijn. De staatssecretaris heeft genoegzaam gemotiveerd waarom de in het JDS geregistreerde feiten, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, niet te verenigen zijn met een behoorlijke uitoefening van taken als stagiair in het onderwijs. 6.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2463) zijn de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan in het kader van de beoordeling of aan het objectieve criterium is voldaan niet relevant. Dit komt omdat deze beoordeling los staat van de persoon van de aanvrager. Ter beoordeling staat of de feiten op zichzelf bezien, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zouden verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat de vermeende feiten waarop de registraties zien in de privésfeer hebben plaatsgevonden, is dus niet relevant. 6.4. In wat [appellant] verder heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel dan de rechtbank. De voorzieningenrechter onderschrijft het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven in de onder 10 opgenomen overwegingen. 6.5. Het betoog slaagt niet. Het subjectieve criterium 7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd mee te wegen in de evenredigheidstoets. Volgens [appellant] is er geen sprake geweest van een ontploffing op 18 februari 2025. Dat blijkt uit de toelichting en het fotomateriaal dat hij heeft overgelegd. Er is vuurwerk gevonden in de brievenbus, maar hij ontkent dat hij hierbij was betrokken. Verder voert [appellant] aan dat hij valselijk is beschuldigd van belediging en intimidatie. Er is op de vermeende pleegdata geen contact geweest tussen hem en aangeefster. Met betrekking tot het vermeende zedenfeit ontkent [appellant] dat hij aangeefster zou hebben verkracht. De rechtbank en het Openbaar Ministerie hebben geen ernstige bezwaren aangenomen voor dit feit nadat het einddossier compleet was. Dit betekent dat de rechtbank onvoldoende concrete aanwijzingen in het dossier ziet om te veronderstellen dat hij betrokken is geweest bij het strafbare feit. [appellant] ontkent ook dat hij jassen heeft verduisterd. Hij was op een feest waarbij twee vrouwen daarna hun jas hebben achtergelaten in zijn auto. Op 11 maart 2025 heeft hij de jassen teruggegeven aan de vrouwen. Ook ontkent [appellant] dat hij een fiets heeft ontvreemd. Tot slot wijst hij erop dat zijn strafzaak ter zake van mishandeling is geseponeerd op grond van code 52. Dat is een lichte afdoening. [appellant] betoogt dat hij een groot belang heeft bij het verkrijgen van de VOG. De stage is een verplicht onderdeel van zijn studie. Zonder stage kan hij geen studiepunten halen, loopt hij studievertraging op en zal hij moeten stoppen met zijn opleiding. Dat beperkt zijn toekomstperspectief als docent geschiedenis. Verder betoogt [verzoeker] dat hij eind 2024 nog een VOG heeft gekregen om stage te lopen bij dezelfde school. Daarbij is geen sprake geweest van incidenten. Oordeel 7.1.