Rechtspraak
Raad van State
2026-03-25
ECLI:NL:RVS:2026:1724
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,001 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1724 text/xml public 2026-03-25T10:32:35 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-25 202501555/1/A2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1724 text/html public 2026-03-25T10:17:54 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1724 Raad van State , 25-03-2026 / 202501555/1/A2 Bij besluit van 24 juli 2023 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven de aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldmisdrijven (Schadefonds) afgewezen. [appellante] is tussen 1990 en 1994 slachtoffer geworden van huiselijk geweld, bestaande uit mishandelingen, seksueel misbruik en bedreigingen met geweld, gepleegd door haar ex-partner. Daarvoor heeft zij verzocht om een uitkering uit het Schadefonds. De CSG heeft, ter uitvoering van de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1385, bij besluit van 1 oktober 2021 op grond van letselcategorie 4 een uitkering van € 10.000,00 toegekend. [appellante] heeft de CSG verzocht om een aanvullende uitkering uit het Schadefonds, te weten een uitkering behorende bij letselcategorie 5. Zij stelt dat haar psychische klachten sinds 1 oktober 2021 zijn verergerd. 202501555/1/A2. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2025 in zaak nr. 24/5431 in het geding tussen: [appellante] en de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG). Procesverloop Bij besluit van 24 juli 2023 heeft de CSG de aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldmisdrijven (Schadefonds) afgewezen. Bij besluit van 22 april 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.J. van Kuijk, advocaat in Den Haag, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. Y.B. Langerak via een videoverbinding, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] is tussen 1990 en 1994 slachtoffer geworden van huiselijk geweld, bestaande uit mishandelingen, seksueel misbruik en bedreigingen met geweld, gepleegd door haar ex-partner. Daarvoor heeft zij verzocht om een uitkering uit het Schadefonds. De CSG heeft, ter uitvoering van de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1385, bij besluit van 1 oktober 2021 op grond van letselcategorie 4 een uitkering van € 10.000,00 toegekend. 2. [appellante] heeft de CSG verzocht om een aanvullende uitkering uit het Schadefonds, te weten een uitkering behorende bij letselcategorie 5. Zij stelt dat haar psychische klachten sinds 1 oktober 2021 zijn verergerd. Besluitvorming 3. De CSG heeft voor de beoordeling van de aanvraag van [appellante] advies gevraagd aan een medisch adviseur. De CSG heeft naar aanleiding van dat advies gesteld dat het psychische letsel niet leidt tot indeling in letselcategorie 5 of hoger. Zo zijn er naast het geweldsmisdrijf meerdere mogelijke oorzaken voor de psychische klachten, en dientengevolge beperkingen. Daarnaast staat niet vast dat de psychische klachten blijvend zijn. De behandeling van de psychische klachten heeft in het verleden gunstige effecten gehad en [appellante] is daarvoor nog steeds in behandeling. Uit de nieuw overgelegde informatie blijkt ook niet dat de psychische klachten en de beperkingen die zij daardoor ervaart het directe gevolg zijn van het geweldmisdrijf. Verder leiden de fysieke klachten die [appellante] ervaart als gevolg van de psychisch letsel niet tot indeling in letselcategorie 5. Uitspraak van de rechtbank 4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door de medisch adviseur zorgvuldig is verricht en door de CSG aan het besluit ten grondslag mocht worden gelegd. Op drie momenten heeft de CSG een medisch advies laten uitbrengen. Niet is gebleken dat daarbij niet alle overgelegde informatie is betrokken. Evenmin heeft de rechtbank aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de adviezen. Uit de adviezen volgt dat [appellante] nog andere traumatische ervaringen heeft gehad en dat het causale verband tussen het fysieke letsel en het geweldsmisdrijf niet (met medische informatie) is aangetoond. Voor wat betreft het psychisch letsel van [appellante] stelt de medisch adviseur dat gelet op het eerder gunstige effect van behandeling en het ontbreken van recente gegevens van behandelaren over de ernst van de huidige psychische klachten, hij niet kan vaststellen dat zij nu blijvend gedeeltelijk afhankelijk is door psychisch letsel. Nu uit de aanwezige medische informatie niet is gebleken van blijvende gedeeltelijke afhankelijkheid, hoefde de CSG niet letselcategorie 5 toe te kennen, aldus de rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 5. [appellante] betoogt dat uit het oordeel van de rechtbank onvoldoende volgt waarom het onderzoek door de medisch adviseurs zorgvuldig is verricht. Dat drie keer een medisch advies is uitgebracht, maakt niet dat er ook zorgvuldig is gehandeld. Ook betwijfelt [appellante] of de medisch adviseurs objectief waren in hun beoordeling. Verder kan de rechtbank volgens [appellante] niet worden gevolgd in het oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om haar letselcategorie 5 toe te kennen. Uit de overgelegde medische gegevens blijkt voldoende dat het psychische letsel en dientengevolge fysieke letsel het gevolg is van wat haar is overkomen. Daarbij komt dat de klachten, gezien het lange tijdsverloop, als blijvend letsel gekwalificeerd moeten worden. De enkele aanwezigheid van het letsel gedurende een zeer lange periode maakt volgens [appellante] dat er sprake is van blijvende gedeeltelijke afhankelijkheid. De rechtbank is hieraan ten onrechte voorbijgegaan. 5.1. Het bestuursorgaan mag op een advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze vergewisplicht is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan een reactie op wat over het advies is aangevoerd (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4625, onder 31). 5.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de CSG mocht uitgaan van de adviezen van de medisch adviseurs. Dit betekent dat de CSG mocht uitgaan van de conclusie dat het psychisch letsel niet valt binnen letselcategorie 5, en dus het verzoek van [appellante] om een aanvullende uitkering mocht afwijzen. De Afdeling legt dit hierna uit. 5.3. Voorop staat dat [appellante] een aanvraag heeft ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds vanwege psychische klachten. Er zijn daarover drie medische adviezen uitgebracht. In het advies van de medisch adviseur van 13 juli 2023 staat daarover dat voor het psychische letsel - onder meer PTSS en een persisterende depressieve stoornis - in 2018 een behandeling is gestart. In de beschikbare medische stukken van 17 augustus 2020 staat beschreven dat [appellante] daarvan heeft geprofiteerd; de PTSS is in remissie. De medisch adviseurs hebben geconstateerd dat er sindsdien geen informatie is overgelegd waaruit blijkt dat de psychische klachten zijn verergerd.