Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-01-23
ECLI:NL:RBNNE:2025:545
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,880 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
Zaaknummers: LEE 23/4267 en LEE 24/1454
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2025 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. K.A. Faber),
en
de commissie schadefonds geweldsmisdrijven, de commissie
(gemachtigde: mr. A.J. Hepping).
Inleiding
1. In deze zaken beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen twee besluiten over de toekenning en verrekening van schadevergoeding, op haar aanvragen op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg).
1.1.
Op die aanvragen heeft de commissie op 27 augustus 2021 en 11 april 2022 beslist en eiseres uitkeringen uit het schadefonds toegekend. Bij haar besluiten op bezwaar van 1 april 2022 en 7 februari 2024 heeft zij de bezwaren van eiseres gegrond verklaard en de bedragen van de schadevergoeding aangepast.
1.2.
Tegen deze besluiten op bezwaar heeft eiseres beroep ingesteld. Het beroep tegen het besluit op bezwaar van 1 april 2022 is geregistreerd onder nummer LEE 23/4267 en het beroep tegen het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 is geregistreerd onder nummer LEE 24/1454.
1.3.
De commissie heeft in één verweerschrift op beide beroepen gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft de zaken samen behandeld op de zitting van 25 september 2024. Daaraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. Faber en mr. Hepping. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
1.5.
Zij heeft het onderzoek in beide zaken heropend om eiseres de gelegenheid te geven te reageren op een nader stuk dat de commissie op de zitting in de zaak LEE 24/1454 heeft overgelegd. Die reactie is binnengekomen op 30 september 2024. De reactie van de commissie daarop heeft de rechtbank op 24 oktober 2024 ontvangen. Op 15 november 2024 heeft eiseres nadere stukken ingediend.
1.6.
Partijen hebben niet laten weten dat zij een tweede zitting wilden. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek in beide zaken weer gesloten.
Totstandkoming van de besluiten
2. Eiseres heeft drie aanvragen ingediend voor uitkeringen uit het schadefonds geweldsmisdrijven. De eerste twee aanvragen in 2020 gingen om twee zedenmisdrijven, gepleegd in de jaren ’90, de derde aanvraag ging om huiselijk geweld in de periode van 2009 tot 2012. Voor de eerste twee aanvragen heeft de commissie eiseres in haar besluit van 27 augustus 2021 € 5.000,00 (letselcategorie 3) toegekend voor beide misdrijven tezamen. Voor de derde aanvraag van 14 september 2021 heeft zij eiseres in haar besluit van 11 april 2022 een uitkering van € 5.000,00 (letselcategorie 3) gegeven.
2.1.
In het besluit op bezwaar van 1 april 2022 heeft de commissie eiseres alsnog per misdrijf € 5.000,00 (letselcategorie 3) toegekend, dus in totaal € 10.000,00. Verder heeft de commissie eiseres in het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 voor de misdrijven tezamen een uitkering toegekend van € 20.000,00 (letselcategorie 5). Omdat eiseres bij het besluit op bezwaar van 1 april 2022 en bij het besluit van 11 april 2022 al in totaal € 15.000,00 had gekregen, heeft de commissie in het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 een verrekening toegepast en haar een aanvullende uitkering van € 5.000,00 toegekend.
Beoordeling
3. De artikelen die voor deze procedures van belang zijn, staan in de bijlage.
Samenhang beroepszaken
4. Het gaat om twee afzonderlijke beroepszaken naar aanleiding van verschillende aanvragen. Het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 kan echter niet los worden gezien van het besluit op bezwaar van 1 april 2022, omdat het voortborduurt op dat eerdere besluit op bezwaar; er vindt in het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 immers een verrekening plaats met het eerder toegekende bedrag. Het komt er inhoudelijk op neer dat de commissie eiseres uiteindelijk een schadevergoeding van € 20.000,00 (letselcategorie 5) voor alle misdrijven tezamen heeft toegekend (zie hieronder rechtsoverweging 7.1 en volgende). Uit praktische overwegingen zal de rechtbank dan ook, naar analogie van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), beide zaken inhoudelijk behandelen als ging het om één beroep, gericht tegen de twee opeenvolgende besluiten op bezwaar.
Waarover moet de rechtbank oordelen?
5. In geschil is of de commissie één uitkering mocht toekennen voor de verschillende misdrijven tezamen en of zij in redelijkheid heeft besloten om eiseres geen uitkering in letselcategorie 6 toe te kennen.
Wat vinden partijen?
6. Eiseres kan zich niet vinden in de hoogte van de uitkeringen. Ten eerste heeft de commissie bij het bepalen van de hoogte daarvan geen rekening gehouden met de vele behandelingen die zij volgde en nog volgt. Ten tweede rechtvaardigt de ernst van wat eiseres heeft meegemaakt een indeling in een hogere letselcategorie dan categorie 5. Verder is zij het niet eens met de verrekening van de uitkering uit de andere aanvragen, omdat per misdrijf een vergoeding wordt toegekend. Nu ervaart zij het zo dat aan de eerste twee aanvragen afbreuk wordt gedaan als voor de derde aanvraag die verrekening plaatsvindt. De commissie heeft op de eerste twee aanvragen in eerste instantie ook apart beslist. De medisch adviseur van de commissie H. Westra stelt volgens eiseres over de impact van het misdrijf tussen 2009 en 2014 dat zij blijvend afhankelijk is van begeleiding en hulp. Dat bevestigt juist dat letselcategorie 6 moet worden toegepast. Ten slotte is eiseres het niet eens met het advies van Westra omdat hij alleen geoordeeld heeft over letsel als gevolg van het huiselijk geweld.
7. De commissie heeft in de beslissing op bezwaar van 1 april 2022 gesteld dat met de behandelingen die eiseres volgde geen rekening gehouden kon worden, omdat het letsel het gevolg was van meerdere trauma’s. In de beslissing op bezwaar van 7 februari 2024 heeft de commissie alsnog rekening gehouden met de behandelingen en het daadwerkelijk opgelopen letsel als gevolg van de geweldsmisdrijven. Zij volgt daarin het nieuwe advies van 13 december 2023 van Westra, die alsnog een beoordeling heeft kunnen maken van de ernst van het letsel: er is bij eiseres sprake van een complexe PTSS, veroorzaakt door diverse trauma’s. Het was echter niet mogelijk om een oordeel te geven over het causale verband tussen de respectievelijke misdrijven en het letsel. De commissie heeft daarom het letsel als geheel toegeschreven aan de verschillende geweldsmisdrijven en hierdoor ook het letsel in zijn totaliteit betrokken bij de beoordeling. Hierbij valt niet te beoordelen wat de ernst is van het letsel als gevolg van ieder afzonderlijk misdrijf. Het is dan ook niet mogelijk om voor ieder misdrijf apart een tegemoetkoming van letselcategorie 5 toe te kennen.
7.1.
Daarom heeft de commissie besloten om één uitkering toe te kennen voor al deze misdrijven. Dit was vanwege de ernst van het psychisch letsel en de daarmee samenhangende beperkingen en gedeeltelijke afhankelijkheid toch een hogere uitkering (categorie 5). Anders dan eiseres meent heeft de medisch adviseur niet alleen het letsel als gevolg van het huiselijk geweld beoordeeld. Eiseres voldoet volgens de commissie echter niet aan de voorwaarden uit de Letsellijst voor een uitkering uit de hoogste letselcategorie 6. Uit de beschikbare informatie kan namelijk niet worden afgeleid dat er sprake is van zeer grote of volledige afhankelijkheid. Voor de verrekening geldt verder dat, nu de commissie eiseres alsnog € 20.000,00 toekent en eerder al € 15.000,00 had uitgekeerd, een verrekening moet worden toegepast, zodat in het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 aanvullend
€ 5.000,00 kan worden toegekend. Op de zitting heeft de commissie nader toegelicht dat de commissie veronderstelde dat als de misdrijven werden samengenomen en naar het letsel werd gekeken, een hogere uitkering mogelijk was. Er zijn dus twee manieren voor het bepalen van de letselcategorie: aan de hand van het misdrijf of aan de hand van het letsel. Voor eiseres is de commissie uitgegaan van het letsel om zo tot een hogere categorie te komen. Ten slotte heeft de commissie bij haar reactie van 24 oktober 2024 een advies van 11 oktober 2024 van Westra overgelegd, waaruit blijkt dat deze op grond van de aangeleverde stukken geen verhoging naar categorie 6 adviseert.
Wat vindt de rechtbank?
8. Een uitkering uit het schadefonds is een financiële tegemoetkoming die niet tot doel heeft om het slachtoffer volledig schadeloos te stellen, maar een uiting is van solidariteit van de samenleving met het slachtoffer. Daarnaast moet de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wsg door de rechtbank terughoudend worden getoetst; een beslissing over een uitkering uit het schadefonds is immers een discretionaire bevoegdheid van de commissie. Voor de beoordeling van aanvragen om een uitkering heeft de commissie beleid neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Letsellijst. Dit beleid is bedoeld om duidelijkheid te verschaffen en openheid te geven over de wijze waarop de commissie in het kader van het toetsen van aanvragen de belangen afweegt. Dit beleid vindt de rechtbank niet onredelijk.
8.1.
Uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg volgt, anders dan eiseres meent, niet zonder meer dat het uitgesloten is dat er één uitkering voor het letsel, voortkomend uit meerdere misdrijven, kan worden toegekend. De commissie heeft bovendien voldoende gemotiveerd hoe zij tot haar standpunt is gekomen, omdat het niet mogelijk was om een oordeel te geven over het causale verband tussen de respectievelijke misdrijven en het letsel. De rechtbank is het op dit punt met de commissie eens en zal verderop in deze uitspraak uitleggen waarom. Voor dat standpunt kan verder steun worden gevonden in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Daarin was een vergelijkbare situatie aan de orde, waarin de Afdeling de vraag of de commissie van elkaar losstaande gevallen van seksueel misbruik tezamen mag beoordelen en hiervoor één uitkering mag toekennen, bevestigend beantwoordt. Dat betekent dat de commissie in het geval van eiseres heeft kunnen beslissen om onder verrekening van het al eerder uitgekeerde bedrag, voor alle misdrijven tezamen één bedrag toe te kennen. De beroepsgrond dat voor ieder misdrijf afzonderlijk een uitkering moet worden toegekend, slaagt dus niet. Of de commissie in redelijkheid is uitgegaan van letselcategorie 5 en niet van letselcategorie 6 zal de rechtbank hierna beoordelen.
Welke Letsellijst is van toepassing?
9. Eerst is de vraag welke versie van de Letsellijst van toepassing is. Op de site van het schadefonds (https://www.schadefonds.nl/schadefonds/letsellijst/) staat namelijk:
(…)De letsellijst verandert regelmatig. Welke letsellijst geldt voor u? Dat is de lijst die geldig is op het moment dat u de tegemoetkoming bij ons aanvraagt.”
Ten tijde van de aanvragen van 2020 gold de Letsellijst van 1 juli 2019.
Conclusie
10. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het standpunt van de commissie in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb (het motiveringsbeginsel). Zij zal de beroepen daarom gegrond verklaren en de besluiten op bezwaar van 11 april 2022 en 7 februari 2024 vernietigen wegen strijd met deze artikelen. Omdat de commissie een nieuw onderzoek zal moeten doen, kan de rechtbank niet zelf voorzien in de zaken. Zij zal de commissie opdragen binnen drie maanden na de verzending van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren te beslissen.
10.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de commissie het griffierecht aan eiseres vergoeden. De rechtbank zal de commissie veroordelen in de proceskosten. Deze bedragen
€ 1.814,00 (wegens samenhangende zaken één punt voor het indienen van de beroepschriften en één punten voor het verschijnen op de zitting, waarde per punt € 907,00, gewicht van de zaken: gemiddeld). Op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de proceskosten worden overgemaakt aan mr. Faber.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten op bezwaar van 11 april 2022 en 7 februari 2024;
- draagt de commissie op om binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak
opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen;
- bepaalt dat de commissie het griffierecht van tweemaal € 187,00 vergoedt;
- veroordeelt de commissie tot betaling van € 1.814,00 aan proceskosten aan mr. Faber.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:9
Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Artikel 6:19, eerste lid
Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg)
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a
Uitkering kan worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen; (…)
Uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, r.o. 5.1, ECLI:NL:RVS:2018:3676.
Uitspraak van de Afdeling van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4625.
Eiseres is ook onder deze naam bekend.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
Zaaknummers: LEE 23/4267 en LEE 24/1454
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2025 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. K.A. Faber),
en
de commissie schadefonds geweldsmisdrijven, de commissie
(gemachtigde: mr. A.J. Hepping).
Inleiding
1. In deze zaken beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen twee besluiten over de toekenning en verrekening van schadevergoeding, op haar aanvragen op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg).
1.1.
Op die aanvragen heeft de commissie op 27 augustus 2021 en 11 april 2022 beslist en eiseres uitkeringen uit het schadefonds toegekend. Bij haar besluiten op bezwaar van 1 april 2022 en 7 februari 2024 heeft zij de bezwaren van eiseres gegrond verklaard en de bedragen van de schadevergoeding aangepast.
1.2.
Tegen deze besluiten op bezwaar heeft eiseres beroep ingesteld. Het beroep tegen het besluit op bezwaar van 1 april 2022 is geregistreerd onder nummer LEE 23/4267 en het beroep tegen het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 is geregistreerd onder nummer LEE 24/1454.
1.3.
De commissie heeft in één verweerschrift op beide beroepen gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft de zaken samen behandeld op de zitting van 25 september 2024. Daaraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. Faber en mr. Hepping. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
1.5.
Zij heeft het onderzoek in beide zaken heropend om eiseres de gelegenheid te geven te reageren op een nader stuk dat de commissie op de zitting in de zaak LEE 24/1454 heeft overgelegd. Die reactie is binnengekomen op 30 september 2024. De reactie van de commissie daarop heeft de rechtbank op 24 oktober 2024 ontvangen. Op 15 november 2024 heeft eiseres nadere stukken ingediend.
1.6.
Partijen hebben niet laten weten dat zij een tweede zitting wilden. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek in beide zaken weer gesloten.
Totstandkoming van de besluiten
2. Eiseres heeft drie aanvragen ingediend voor uitkeringen uit het schadefonds geweldsmisdrijven. De eerste twee aanvragen in 2020 gingen om twee zedenmisdrijven, gepleegd in de jaren ’90, de derde aanvraag ging om huiselijk geweld in de periode van 2009 tot 2012. Voor de eerste twee aanvragen heeft de commissie eiseres in haar besluit van 27 augustus 2021 € 5.000,00 (letselcategorie 3) toegekend voor beide misdrijven tezamen. Voor de derde aanvraag van 14 september 2021 heeft zij eiseres in haar besluit van 11 april 2022 een uitkering van € 5.000,00 (letselcategorie 3) gegeven.
2.1.
In het besluit op bezwaar van 1 april 2022 heeft de commissie eiseres alsnog per misdrijf € 5.000,00 (letselcategorie 3) toegekend, dus in totaal € 10.000,00. Verder heeft de commissie eiseres in het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 voor de misdrijven tezamen een uitkering toegekend van € 20.000,00 (letselcategorie 5). Omdat eiseres bij het besluit op bezwaar van 1 april 2022 en bij het besluit van 11 april 2022 al in totaal € 15.000,00 had gekregen, heeft de commissie in het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 een verrekening toegepast en haar een aanvullende uitkering van € 5.000,00 toegekend.
Beoordeling
3. De artikelen die voor deze procedures van belang zijn, staan in de bijlage.
Samenhang beroepszaken
4. Het gaat om twee afzonderlijke beroepszaken naar aanleiding van verschillende aanvragen. Het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 kan echter niet los worden gezien van het besluit op bezwaar van 1 april 2022, omdat het voortborduurt op dat eerdere besluit op bezwaar; er vindt in het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 immers een verrekening plaats met het eerder toegekende bedrag. Het komt er inhoudelijk op neer dat de commissie eiseres uiteindelijk een schadevergoeding van € 20.000,00 (letselcategorie 5) voor alle misdrijven tezamen heeft toegekend (zie hieronder rechtsoverweging 7.1 en volgende). Uit praktische overwegingen zal de rechtbank dan ook, naar analogie van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), beide zaken inhoudelijk behandelen als ging het om één beroep, gericht tegen de twee opeenvolgende besluiten op bezwaar.
Waarover moet de rechtbank oordelen?
5. In geschil is of de commissie één uitkering mocht toekennen voor de verschillende misdrijven tezamen en of zij in redelijkheid heeft besloten om eiseres geen uitkering in letselcategorie 6 toe te kennen.
Wat vinden partijen?
6. Eiseres kan zich niet vinden in de hoogte van de uitkeringen. Ten eerste heeft de commissie bij het bepalen van de hoogte daarvan geen rekening gehouden met de vele behandelingen die zij volgde en nog volgt. Ten tweede rechtvaardigt de ernst van wat eiseres heeft meegemaakt een indeling in een hogere letselcategorie dan categorie 5. Verder is zij het niet eens met de verrekening van de uitkering uit de andere aanvragen, omdat per misdrijf een vergoeding wordt toegekend. Nu ervaart zij het zo dat aan de eerste twee aanvragen afbreuk wordt gedaan als voor de derde aanvraag die verrekening plaatsvindt. De commissie heeft op de eerste twee aanvragen in eerste instantie ook apart beslist. De medisch adviseur van de commissie H. Westra stelt volgens eiseres over de impact van het misdrijf tussen 2009 en 2014 dat zij blijvend afhankelijk is van begeleiding en hulp. Dat bevestigt juist dat letselcategorie 6 moet worden toegepast. Ten slotte is eiseres het niet eens met het advies van Westra omdat hij alleen geoordeeld heeft over letsel als gevolg van het huiselijk geweld.
7. De commissie heeft in de beslissing op bezwaar van 1 april 2022 gesteld dat met de behandelingen die eiseres volgde geen rekening gehouden kon worden, omdat het letsel het gevolg was van meerdere trauma’s. In de beslissing op bezwaar van 7 februari 2024 heeft de commissie alsnog rekening gehouden met de behandelingen en het daadwerkelijk opgelopen letsel als gevolg van de geweldsmisdrijven. Zij volgt daarin het nieuwe advies van 13 december 2023 van Westra, die alsnog een beoordeling heeft kunnen maken van de ernst van het letsel: er is bij eiseres sprake van een complexe PTSS, veroorzaakt door diverse trauma’s. Het was echter niet mogelijk om een oordeel te geven over het causale verband tussen de respectievelijke misdrijven en het letsel. De commissie heeft daarom het letsel als geheel toegeschreven aan de verschillende geweldsmisdrijven en hierdoor ook het letsel in zijn totaliteit betrokken bij de beoordeling. Hierbij valt niet te beoordelen wat de ernst is van het letsel als gevolg van ieder afzonderlijk misdrijf. Het is dan ook niet mogelijk om voor ieder misdrijf apart een tegemoetkoming van letselcategorie 5 toe te kennen.
7.1.
Daarom heeft de commissie besloten om één uitkering toe te kennen voor al deze misdrijven. Dit was vanwege de ernst van het psychisch letsel en de daarmee samenhangende beperkingen en gedeeltelijke afhankelijkheid toch een hogere uitkering (categorie 5). Anders dan eiseres meent heeft de medisch adviseur niet alleen het letsel als gevolg van het huiselijk geweld beoordeeld. Eiseres voldoet volgens de commissie echter niet aan de voorwaarden uit de Letsellijst voor een uitkering uit de hoogste letselcategorie 6. Uit de beschikbare informatie kan namelijk niet worden afgeleid dat er sprake is van zeer grote of volledige afhankelijkheid. Voor de verrekening geldt verder dat, nu de commissie eiseres alsnog € 20.000,00 toekent en eerder al € 15.000,00 had uitgekeerd, een verrekening moet worden toegepast, zodat in het besluit op bezwaar van 7 februari 2024 aanvullend
€ 5.000,00 kan worden toegekend. Op de zitting heeft de commissie nader toegelicht dat de commissie veronderstelde dat als de misdrijven werden samengenomen en naar het letsel werd gekeken, een hogere uitkering mogelijk was. Er zijn dus twee manieren voor het bepalen van de letselcategorie: aan de hand van het misdrijf of aan de hand van het letsel. Voor eiseres is de commissie uitgegaan van het letsel om zo tot een hogere categorie te komen. Ten slotte heeft de commissie bij haar reactie van 24 oktober 2024 een advies van 11 oktober 2024 van Westra overgelegd, waaruit blijkt dat deze op grond van de aangeleverde stukken geen verhoging naar categorie 6 adviseert.
Wat vindt de rechtbank?
8. Een uitkering uit het schadefonds is een financiële tegemoetkoming die niet tot doel heeft om het slachtoffer volledig schadeloos te stellen, maar een uiting is van solidariteit van de samenleving met het slachtoffer. Daarnaast moet de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wsg door de rechtbank terughoudend worden getoetst; een beslissing over een uitkering uit het schadefonds is immers een discretionaire bevoegdheid van de commissie. Voor de beoordeling van aanvragen om een uitkering heeft de commissie beleid neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Letsellijst. Dit beleid is bedoeld om duidelijkheid te verschaffen en openheid te geven over de wijze waarop de commissie in het kader van het toetsen van aanvragen de belangen afweegt. Dit beleid vindt de rechtbank niet onredelijk.
8.1.
Uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg volgt, anders dan eiseres meent, niet zonder meer dat het uitgesloten is dat er één uitkering voor het letsel, voortkomend uit meerdere misdrijven, kan worden toegekend. De commissie heeft bovendien voldoende gemotiveerd hoe zij tot haar standpunt is gekomen, omdat het niet mogelijk was om een oordeel te geven over het causale verband tussen de respectievelijke misdrijven en het letsel. De rechtbank is het op dit punt met de commissie eens en zal verderop in deze uitspraak uitleggen waarom. Voor dat standpunt kan verder steun worden gevonden in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Daarin was een vergelijkbare situatie aan de orde, waarin de Afdeling de vraag of de commissie van elkaar losstaande gevallen van seksueel misbruik tezamen mag beoordelen en hiervoor één uitkering mag toekennen, bevestigend beantwoordt. Dat betekent dat de commissie in het geval van eiseres heeft kunnen beslissen om onder verrekening van het al eerder uitgekeerde bedrag, voor alle misdrijven tezamen één bedrag toe te kennen. De beroepsgrond dat voor ieder misdrijf afzonderlijk een uitkering moet worden toegekend, slaagt dus niet. Of de commissie in redelijkheid is uitgegaan van letselcategorie 5 en niet van letselcategorie 6 zal de rechtbank hierna beoordelen.
Welke Letsellijst is van toepassing?
9. Eerst is de vraag welke versie van de Letsellijst van toepassing is. Op de site van het schadefonds (https://www.schadefonds.nl/schadefonds/letsellijst/) staat namelijk:
(…)De letsellijst verandert regelmatig. Welke letsellijst geldt voor u? Dat is de lijst die geldig is op het moment dat u de tegemoetkoming bij ons aanvraagt.”
Ten tijde van de aanvragen van 2020 gold de Letsellijst van 1 juli 2019.
Conclusie
10. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het standpunt van de commissie in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb (het motiveringsbeginsel). Zij zal de beroepen daarom gegrond verklaren en de besluiten op bezwaar van 11 april 2022 en 7 februari 2024 vernietigen wegen strijd met deze artikelen. Omdat de commissie een nieuw onderzoek zal moeten doen, kan de rechtbank niet zelf voorzien in de zaken. Zij zal de commissie opdragen binnen drie maanden na de verzending van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren te beslissen.
10.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de commissie het griffierecht aan eiseres vergoeden. De rechtbank zal de commissie veroordelen in de proceskosten. Deze bedragen
€ 1.814,00 (wegens samenhangende zaken één punt voor het indienen van de beroepschriften en één punten voor het verschijnen op de zitting, waarde per punt € 907,00, gewicht van de zaken: gemiddeld). Op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de proceskosten worden overgemaakt aan mr. Faber.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten op bezwaar van 11 april 2022 en 7 februari 2024;
- draagt de commissie op om binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak
opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen;
- bepaalt dat de commissie het griffierecht van tweemaal € 187,00 vergoedt;
- veroordeelt de commissie tot betaling van € 1.814,00 aan proceskosten aan mr. Faber.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:9
Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Artikel 6:19, eerste lid
Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg)
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a
Uitkering kan worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen; (…)
Uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, r.o. 5.1, ECLI:NL:RVS:2018:3676.
Uitspraak van de Afdeling van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4625.
Eiseres is ook onder deze naam bekend.
Beoordeling
Daarin staat over Letselcategorie 6:
“(….) Diagnose door een hulpverlener die bevoegd en bekwaam is om een diagnose te stellen ten aanzien van psychisch letsel. Het psychisch letsel leidt tot
zeer grote of volledige
en blijvende afhankelijkheid, zich uitend in (herhaalde) klinische behandeltrajecten en/of intensieve ambulante multidisciplinaire begeleiding met een duur van meer dan 2 jaar en/of continue intensieve ambulante multidisciplinaire begeleiding..”
Ten tijde van de aanvraag van 14 september 2021 gold de Letsellijst van 1 augustus 2021 Daarin staat over Letselcategorie 6:
(….) Diagnose door een hulpverlener die bevoegd en bekwaam is om een diagnose te stellen ten aanzien van psychisch letsel en de aanwezigheid van behandeltrajecten gedurende vele (minimaal > 5) jaren die leiden tot
volledige
en blijvende afhankelijkheid.”
In beide lijsten gaat het om fysiek letsel met zeer grote of volledige en blijvende afhankelijkheid. Het verschil is dat in de Letsellijst van 2019 voor de “Beoordeling van psychisch letsel op basis van medische informatie” (paragraaf 2B) sprake moet zijn van zeer grote of volledige en blijvende afhankelijkheid en dat er in paragraaf 2B van de Letsellijst van 1 augustus 2021 sprake moet zijn van volledige en blijvende afhankelijkheid. Weliswaar spreekt de commissie in haar verweerschrift onder 5.1 over “volledige afhankelijkheid” (zonder “zeer grote of”), maar eiseres zelf is in haar beroepschriften steeds uitgegaan van de Letsellijst van 1 juli 2019. Nu de commissie in haar reactie van 11 oktober 2024 het heeft over “zeer grote of volledige afhankelijkheid” en deze omschrijving in de Letsellijst van 1 juli 2019 iets ruimer (en dus gunstiger) is dan die van 1 augustus 2021, zal de rechtbank ervan uitgaan dat in beide zaken de Letsellijst van 1 juli 2019 van toepassing is.
9.1.
Als aanvraagster moet eiseres met de nodige, al dan niet medische gegevens komen die haar aanvraag ondersteunen. De commissie moet vervolgens op basis van die gegevens een gedegen onderzoek doen of laten doen. Bij haar besluitvorming is de commissie uitgegaan van de medische adviezen van Westra. In de jurisprudentie van de Afdeling is uitgemaakt dat een bestuursorgaan op een advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze vergewisplicht is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de redenering in het advies of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
9.2.
Westra heeft in zijn rapport van 20 augustus 2021 voldoende gemotiveerd en inzichtelijk uitgelegd waarom hij van mening dat op basis van de vele beschikbare informatie niet te destilleren is welk aandeel de seksuele ervaringen op 8- en 16-jarige leeftijd hebben gehad op het psychisch welbevinden van eiseres. Hij haalt aan wat hij uit die medische informatie heeft opgetekend, onder meer over de behandelingen van eiseres. Het gaat om meerdere trauma’s bij een patiënte met ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Nergens komt volgens Westra naar voren dat er een specifieke traumabehandeling heeft plaatsgevonden voor het seksueel misbruik. Het was voor hem echter (op dat moment) ondoenlijk om op basis van de gegevens een advies te geven over de hoogte van een letselcategorie, omdat de beperkingen van eiseres voortkomen uit meerdere gebeurtenissen en haar persoonlijkheid. Uit zijn rapporten van 13 december 2023 en 11 oktober 2024 blijkt niet dat Westra op dit punt van mening is veranderd; wel blijkt uit deze laatste twee adviezen dat er sprake is van letselcategorie 5. Immers, eiseres heeft al vanaf 2015 hulp en de verwachting is dat deze hulp blijvend zal zijn. De commissie heeft kunnen afgaan op dit standpunt van Westra.
9.3.
Tussen partijen is niet verder in geschil dat eiseres blijvend afhankelijk is. De vraag is vervolgens of het psychisch letsel en de aanwezigheid van behandeltrajecten gedurende vele jaren ook leiden tot zeer grote of volledige afhankelijkheid, zodat zij in aanmerking kan komen voor een uitkering in letselcategorie 6. De rechtbank gaat ervan uit dat het standpunt van de commissie, inhoudend dat de uitkering aan eiseres niet valt in letselcategorie 6, maar in letselcategorie 5, nu steunt op de adviezen van 13 december 2023 en van 11 oktober 2024 van Westra. Die heeft daarin onder meer het volgende geschreven (waarbij de rechtbank opmerkt dat Westra, anders dan eiseres meent, in het laatste advies de verklaring van Ambucare 24 van 27 september 2024 wel heeft meegenomen):
(Advies 13 december 2023:)
“Hierdoor ontvangt u op uw verzoek onderstaand advies in bezwaar betreffende
[eiseres] .
Dit is gebaseerd op de volgende gegevens:
1. Brief van [naam begeleider] van Ambucare van 09-11-2023
2. Brief van [naam therapeut] , paramedisch therapeut
3. Diverse brieven over behandeling en behandelcontacten GGZ Friesland, van 2009-2016
4. Gedateerd UWV rapport uit 2015
5. Brief van [naam arts] , arts Argonaut, ongedateerd
6. Brief mbt uitkering vanuit participatiewet uit 2016.
Eventuele overige meegestuurde informatie is niet betrokken bij het tot stand komen van het advies, omdat deze geen invloed hebben op het advies.
Letsel:
Op basis van de gegevens is het volgende psychische letsel geconstateerd: cPTSS
Beschouwing/analyse/argumentatie:
Er is bij betrokkene sprake van een complexe PTSS veroorzaakt door diverse trauma's, waarbij het seksueel misbruik in de jeugd en mishandelingen tijdens het huwelijk belangrijke trauma's zijn. Ze heeft jarenlange therapieën gevolgd (vooral bij GGZ Friesland), zonder al teveel goede resultaten. Sinds 2018 ontvangt ze begeleiding vanuit ambucare (sinds 2015 al ambulante hulp), de verwachting is dat deze begeleiding blijvend zal zijn. Ze heeft wel de zorg voor haar 2 kinderen, ook met ondersteuning. Er is bij betrokkene sprake van ernstig psychisch letsel met blijvende (gedeeltelijke) afhankelijkheid en beperkingen.
Advies/ antwoord op de vraagstelling:
Ik adviseer letselcategorie 5.”
(Advies 11 oktober 2024:)
“Letsel:
Op basis van de gegevens is het volgende psychische letsel geconstateerd: c PTSS
Beschouwing/analyse/argumentatie:
Het staat vast dat [eiseres] ernstig psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg
van meerdere trauma’s in haar leven. Dat letsel is ook blijvend gezien haar
langdurige behandelingen en begeleiding. Uit alle stukken is echter zeer lastig op te maken welk deel van de behandelingen en begeleiding gericht waren op welk trauma. Vandaar dat er in 2023 een advies is afgegeven gericht op alle 3 de trauma’s tezamen , dit werd ook gevraagd door de behandelaar van deze zaak.
Beoordeling
Daarin staat over Letselcategorie 6:
“(….) Diagnose door een hulpverlener die bevoegd en bekwaam is om een diagnose te stellen ten aanzien van psychisch letsel. Het psychisch letsel leidt tot
zeer grote of volledige
en blijvende afhankelijkheid, zich uitend in (herhaalde) klinische behandeltrajecten en/of intensieve ambulante multidisciplinaire begeleiding met een duur van meer dan 2 jaar en/of continue intensieve ambulante multidisciplinaire begeleiding..”
Ten tijde van de aanvraag van 14 september 2021 gold de Letsellijst van 1 augustus 2021 Daarin staat over Letselcategorie 6:
(….) Diagnose door een hulpverlener die bevoegd en bekwaam is om een diagnose te stellen ten aanzien van psychisch letsel en de aanwezigheid van behandeltrajecten gedurende vele (minimaal > 5) jaren die leiden tot
volledige
en blijvende afhankelijkheid.”
In beide lijsten gaat het om fysiek letsel met zeer grote of volledige en blijvende afhankelijkheid. Het verschil is dat in de Letsellijst van 2019 voor de “Beoordeling van psychisch letsel op basis van medische informatie” (paragraaf 2B) sprake moet zijn van zeer grote of volledige en blijvende afhankelijkheid en dat er in paragraaf 2B van de Letsellijst van 1 augustus 2021 sprake moet zijn van volledige en blijvende afhankelijkheid. Weliswaar spreekt de commissie in haar verweerschrift onder 5.1 over “volledige afhankelijkheid” (zonder “zeer grote of”), maar eiseres zelf is in haar beroepschriften steeds uitgegaan van de Letsellijst van 1 juli 2019. Nu de commissie in haar reactie van 11 oktober 2024 het heeft over “zeer grote of volledige afhankelijkheid” en deze omschrijving in de Letsellijst van 1 juli 2019 iets ruimer (en dus gunstiger) is dan die van 1 augustus 2021, zal de rechtbank ervan uitgaan dat in beide zaken de Letsellijst van 1 juli 2019 van toepassing is.
9.1.
Als aanvraagster moet eiseres met de nodige, al dan niet medische gegevens komen die haar aanvraag ondersteunen. De commissie moet vervolgens op basis van die gegevens een gedegen onderzoek doen of laten doen. Bij haar besluitvorming is de commissie uitgegaan van de medische adviezen van Westra. In de jurisprudentie van de Afdeling is uitgemaakt dat een bestuursorgaan op een advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze vergewisplicht is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de redenering in het advies of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
9.2.
Westra heeft in zijn rapport van 20 augustus 2021 voldoende gemotiveerd en inzichtelijk uitgelegd waarom hij van mening dat op basis van de vele beschikbare informatie niet te destilleren is welk aandeel de seksuele ervaringen op 8- en 16-jarige leeftijd hebben gehad op het psychisch welbevinden van eiseres. Hij haalt aan wat hij uit die medische informatie heeft opgetekend, onder meer over de behandelingen van eiseres. Het gaat om meerdere trauma’s bij een patiënte met ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Nergens komt volgens Westra naar voren dat er een specifieke traumabehandeling heeft plaatsgevonden voor het seksueel misbruik. Het was voor hem echter (op dat moment) ondoenlijk om op basis van de gegevens een advies te geven over de hoogte van een letselcategorie, omdat de beperkingen van eiseres voortkomen uit meerdere gebeurtenissen en haar persoonlijkheid. Uit zijn rapporten van 13 december 2023 en 11 oktober 2024 blijkt niet dat Westra op dit punt van mening is veranderd; wel blijkt uit deze laatste twee adviezen dat er sprake is van letselcategorie 5. Immers, eiseres heeft al vanaf 2015 hulp en de verwachting is dat deze hulp blijvend zal zijn. De commissie heeft kunnen afgaan op dit standpunt van Westra.
9.3.
Tussen partijen is niet verder in geschil dat eiseres blijvend afhankelijk is. De vraag is vervolgens of het psychisch letsel en de aanwezigheid van behandeltrajecten gedurende vele jaren ook leiden tot zeer grote of volledige afhankelijkheid, zodat zij in aanmerking kan komen voor een uitkering in letselcategorie 6. De rechtbank gaat ervan uit dat het standpunt van de commissie, inhoudend dat de uitkering aan eiseres niet valt in letselcategorie 6, maar in letselcategorie 5, nu steunt op de adviezen van 13 december 2023 en van 11 oktober 2024 van Westra. Die heeft daarin onder meer het volgende geschreven (waarbij de rechtbank opmerkt dat Westra, anders dan eiseres meent, in het laatste advies de verklaring van Ambucare 24 van 27 september 2024 wel heeft meegenomen):
(Advies 13 december 2023:)
“Hierdoor ontvangt u op uw verzoek onderstaand advies in bezwaar betreffende
[eiseres] .
Dit is gebaseerd op de volgende gegevens:
1. Brief van [naam begeleider] van Ambucare van 09-11-2023
2. Brief van [naam therapeut] , paramedisch therapeut
3. Diverse brieven over behandeling en behandelcontacten GGZ Friesland, van 2009-2016
4. Gedateerd UWV rapport uit 2015
5. Brief van [naam arts] , arts Argonaut, ongedateerd
6. Brief mbt uitkering vanuit participatiewet uit 2016.
Eventuele overige meegestuurde informatie is niet betrokken bij het tot stand komen van het advies, omdat deze geen invloed hebben op het advies.
Letsel:
Op basis van de gegevens is het volgende psychische letsel geconstateerd: cPTSS
Beschouwing/analyse/argumentatie:
Er is bij betrokkene sprake van een complexe PTSS veroorzaakt door diverse trauma's, waarbij het seksueel misbruik in de jeugd en mishandelingen tijdens het huwelijk belangrijke trauma's zijn. Ze heeft jarenlange therapieën gevolgd (vooral bij GGZ Friesland), zonder al teveel goede resultaten. Sinds 2018 ontvangt ze begeleiding vanuit ambucare (sinds 2015 al ambulante hulp), de verwachting is dat deze begeleiding blijvend zal zijn. Ze heeft wel de zorg voor haar 2 kinderen, ook met ondersteuning. Er is bij betrokkene sprake van ernstig psychisch letsel met blijvende (gedeeltelijke) afhankelijkheid en beperkingen.
Advies/ antwoord op de vraagstelling:
Ik adviseer letselcategorie 5.”
(Advies 11 oktober 2024:)
“Letsel:
Op basis van de gegevens is het volgende psychische letsel geconstateerd: c PTSS
Beschouwing/analyse/argumentatie:
Het staat vast dat [eiseres] ernstig psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg
van meerdere trauma’s in haar leven. Dat letsel is ook blijvend gezien haar
langdurige behandelingen en begeleiding. Uit alle stukken is echter zeer lastig op te maken welk deel van de behandelingen en begeleiding gericht waren op welk trauma. Vandaar dat er in 2023 een advies is afgegeven gericht op alle 3 de trauma’s tezamen , dit werd ook gevraagd door de behandelaar van deze zaak.