Rechtspraak
Raad van State
2025-03-12
ECLI:NL:RVS:2025:1004
Bestuursrecht
Hoger beroep
3,405 tokens
Inleiding
202403893/1/A2.Datum uitspraak: 12 maart 2025
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 mei 2024 in zaak nr. 23/2058 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 29 april 2022 heeft de minister geweigerd een private schuld van [appellant] over te nemen.
Bij besluit van 21 februari 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 januari 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. B.C.F. Kramer, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden aanspraak kunnen maken op het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het moet gaan om geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, is bepaald welke geldschulden en kosten worden overgenomen. Daartoe behoort, zoals blijkt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht onder meer een private schuld, indien die is vastgelegd in een notariële akte, of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021. Artikel 4.1, vierde lid, van de Wht regelt welke geldschulden en kosten niet worden overgenomen. Daaronder vallen resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege een betalingsachterstand opeisbaar zijn geworden. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3. [ appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft verzocht om overname van een aantal schulden. In hoger beroep is in geschil of een schuld bij Defam B.V. moet worden overgenomen. [appellant] is op 13 maart 2017 bij Defam een krediet aangegaan, om te voorkomen dat er beslag werd gelegd op zijn huis. Dit krediet bedroeg € 40.000,00, met een maandelijkse aflossing van € 400,00 per maand. Vanwege de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag heeft de echtgenote van [appellant] haar baan opgezegd, om voor de kinderen te zorgen. Door de daling van het inkomen hebben zij eind 2019 hun huis moeten verkopen. De schuld bij Defam bedroeg op 31 mei 2021 € 33.863,85. Op dat moment bedroeg de betalingsachterstand van [appellant] bij Defam € 3.200,00. Deze betalingsachterstand heeft de minister overgenomen, de resterende hoofdsom van € 33.863,85 heeft de minister niet overgenomen.
4. De minister heeft bij besluit van 29 april 2022 de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 21 februari 2023 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de lening een financieel product is, een doorlopend krediet met een vaste maandelijkse aflossing van € 400,00. De hoofdsom van het krediet is niet opeisbaar geworden. Er bestaat volgens de minister geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Uit de aanwezige informatie is niet gebleken dat de schuld dusdanig problematisch is dat deze een acuut probleem vormt. Uit de door [appellant] overlegde informatie is gebleken dat er op 10 februari 2023 een sociale huurwoning beschikbaar is gesteld, en de gemeente biedt brede ondersteuning aan het gezin.
De uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht resterende hoofdsommen van leningen niet worden overgenomen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden. Niet in geschil is dat de hoofdsom van de schuld aan Defam niet door de betalingsachterstand opeisbaar is geworden. De bepaling is dwingend geformuleerd. Dat volgens [appellant] het aan de minister te wijten is dat de schuld niet opeisbaar is geworden speelt geen rol bij beoordeling of de schuld had moeten worden overgenomen. Nu de hoofdsom niet vóór 1 juni 2021 door betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, heeft de minister terecht vastgesteld dat de schuld van [appellant] niet in aanmerking komt voor overname.
De rechtbank heeft op 13 juli 2023 het onderzoek ter zitting geschorst, zodat de minister nader kon onderzoeken of er aanleiding bestond om de hardheidsclausule toe te passen. De minister heeft op 31 juli 2023 en op 19 oktober 2023 een nader standpunt ingenomen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een daadwerkelijk uitzichtloze situatie, waarin geen enkel perspectief op enige verbetering bestaat. Volgens de minister is de maandelijkse verplichte aflossing van € 400,00 hoog, en drukt deze op [appellant], maar is niet gebleken dat [appellant] over onvoldoende financiële middelen beschikt om aan die maandelijkse betalingsverplichting te kunnen voldoen. Ook is volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat er geen zicht is op stijging van het inkomen, gelet op de arbeidsmogelijkheden voor [appellant] en de gunstige arbeidsmarkt. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de minister in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Volgens de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende en uitzichtloze situatie leiden. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat [appellant] inzichtelijk heeft gemaakt welke inkomsten hij op dit moment heeft, maar niet wat zijn maandelijkse uitgaven zijn. [appellant] heeft bankafschriften en een overzicht van zijn maandelijkse vaste lasten aan de minister doen toekomen, maar vervolgens gesteld dat de vaste lasten per maand op een hoger bedrag liggen en dat daar ook zijn energiekosten nog bij moeten worden opgeteld. De financiële situatie van [appellant] is daardoor niet duidelijk geworden. De rechtbank volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat indien iemand met een bijstandsuitkering een schuld van deze omvang moet terugbetalen, per definitie sprake is van een schrijnende en uitzichtloze situatie. De minister heeft bij de beoordeling van de hardheidsclausule ook rekening mogen houden met de arbeidsmogelijkheden van [appellant]. Dat [appellant] niet wist dat de regeling voor private schulden ophanden was, maakt niet dat de hardheidsclausule had moeten worden toegepast. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht blijkt onder meer dat de einddatum van 1 juni 2021 is gekozen om te voorkomen dat met de wetenschap van het bestaan van de regeling nieuwe schulden worden aangegaan.
Hoger beroep
Hardheidsclausule
6. [ appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister in zijn geval de hardheidsclausule had moeten toepassen. Er is sprake van een onbillijkheid van overwegende aard. [appellant] is de lening aangegaan vanwege de terugvorderingen van kinderopvangtoeslag en dreigende beslagleggingen van de Dienst Toeslagen. De schuld is ernstig problematisch. Op grond van de regels van de beslagvrije voet is evident dat [appellant] niet aan de aflossingsverplichting van € 400,00 per maand kan voldoen. Met de huidige en toekomstige arbeidsmogelijkheden van [appellant] had de rechtbank geen rekening mogen houden. Ook bij een stijging van het inkomen is sprake van een onbillijkheid van overwegende aard, omdat hij nog tientallen jaren geconfronteerd wordt met het afbetalen van een schuld en met de constante dreiging van de mogelijkheid van beslag. Verder maakt de omstandigheid dat door de overheid onvoldoende is gecommuniceerd over de regeling voor private schulden dat de hardheidsclausule dient te worden toegepast. Daardoor is hij blijven afbetalen en is de schuld van [appellant] als gevolg daarvan niet opeisbaar geworden vóór 1 juni 2021.
6.1.
In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Schadevergoeding
9. [ appellant] heeft verzocht om de minister niet alleen te veroordelen in de kosten van de procedure, maar heeft ook verzocht om schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente vanaf de vervaldag. Nu geen grond bestaat voor het overnemen van de schuld en geen aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten, zal de Afdeling het verzoek om schadevergoeding al daarom afwijzen.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.
w.g. Willemsvoorzitter
w.g. De Jonggriffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2025
1014
BIJLAGE
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en partner
1. Onze Minister van Financiën neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, op wie artikel 4.6 of 4.7 niet van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen;
d. de bij een geldschuld bijkomende kosten;
e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en
f. bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3.
4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:
a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;
b .de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad;
d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming; en
e. een geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in artikel 2.1 of een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend.
[…]
Artikel 9.1 Hardheidsclausule
[…]
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister van Financiën afwijken van artikel 2.15, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;
[…]