Rechtspraak
Raad van State
2024-11-13
ECLI:NL:RVS:2024:4577
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
586 tokens
Inleiding
202205495/1/V1.
Datum uitspraak: 13 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:
[vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3], [vreemdeling 4], [vreemdeling 5] en [vreemdeling 6]
verzoekers,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb).
Procesverloop
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. P.L.M. Stieger, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 22 augustus 2022 in zaak nr. 21/7262.
De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdelingen hebben het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij hen opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1. De vreemdelingen hebben het hoger beroep op 5 september 2024 ingetrokken en gelijktijdig verzocht om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan de vreemdelingen is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2. De vreemdelingen hebben het hoger beroep ingetrokken nadat de minister hun aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf heeft ingewilligd. Hiermee is de minister aan de vreemdelingen tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
3. De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2024
977