Rechtspraak
Raad van State
2023-07-03
ECLI:NL:RVS:2023:2544
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
607 tokens
Inleiding
202302000/1/V1.
Datum uitspraak: 3 juli 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb).
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.W.F. Noot, advocaat te Dordrecht, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 22 maart 2023 in zaak nr. NL23.1903.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1. Bij brief van 22 mei 2023 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling laten weten dat hij het besluit van 20 januari 2023, tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, heeft ingetrokken. Hij gaat de asielaanvraag van de vreemdeling in de nationale procedure behandelen, omdat de overdrachtstermijn bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening is verstreken. In reactie daarop heeft de vreemdeling laten weten dat hij het hoger beroep intrekt en heeft hij de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 8 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1084, onder 1.2) en 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1 en 2.2) kan aanleiding bestaan de staatsecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen als hij aan de desbetreffende vreemdeling tegemoetgekomen is. Het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag is in dit geval geen tegemoetkoming, maar alleen een gevolg van tijdsverloop.
3. Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2023
574-966