Rechtspraak
Raad van State
2023-11-09
ECLI:NL:RVS:2023:4172
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
1,030 tokens
Inleiding
202305499/1/V3 en 202305499/2/V3.
Datum uitspraak: 9 november 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de gerectificeerde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 augustus 2023 in zaak nr. NL23.21808 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 18 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.E. Jans, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag of de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan heeft de Afdeling bij uitspraak van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
2.1. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris haar asielaanvraag in behandeling moet nemen omdat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt (artikel 17 eerste lid, van de Dublinverordening). Daarvoor heeft zij aangevoerd dat zij een getraumatiseerde, kwetsbare alleenstaande vrouw is en vanwege de systeemfouten in de nationale asielprocedure van Kroatië daar niet de opvang en medische begeleiding zal krijgen die zij nodig heeft. Maar de staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat zij onder specialistische behandeling staat. Dat heeft zij niet in beroep en ook niet in hoger beroep aangetoond. Verder heeft de vreemdeling in haar zienswijze, in beroep noch in hoger beroep uitgelegd waarom zij in Kroatië geen toegang zou kunnen krijgen tot adequate opvang en medische voorzieningen. Daarmee heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, die nopen tot toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
3. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 11 augustus 2023 in zaak nr. NL23.21808;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Lange
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2023
873-1017