Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:5867
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,696 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11885
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 maart 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de voorlopige voorziening, op 11 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. Op 6 december 2023 heeft eiser een asielaanvraag gedaan in Nederland. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regelgeving staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dat geval wordt de aanvrager overgedragen aan die andere lidstaat. Als het niet mogelijk is een aanvrager over te dragen omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen daar systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen, blijft de lidstaat waar de aanvraag is ingediend onderzoeken of een andere lidstaat verantwoordelijk is. Als overdracht dan nog steeds niet mogelijk is wordt de lidstaat waar de aanvraag is ingediend verantwoordelijk voor de behandeling ervan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan, omdat uit Eurodac is gebleken dat eiser daar eerder asiel heeft aangevraagd. Kroatië heeft dit verzoek op 13 februari 2024 aanvaard.
Standpunt van eiser
5. Eiser stelt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 13 september 2023 wel heeft geoordeeld dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maar dat dit niet zonder meer betekent dat er voor eiser geen risico op schending van mensenrechten bestaat wanneer hij wordt teruggestuurd naar Kroatië. Er zijn recente meldingen van hardhandig optreden door Kroatische grenswachters tegenover vluchtelingen. Hij verwijst daartoe naar een artikel van de Belgische nieuwssite ‘Het Laatste Nieuws’ (HLN) van december 2023 en naar een artikel van Amnesty International van december 2021 waarin de ernst van het wangedrag naar voren komt. Er kan dan ook, volgens eiser, niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Daarbij heeft eiser in Kroatië mensonterende omstandigheden meegemaakt. Hij is slachtoffer geworden van pushbacks, waarbij hij is opgepakt, geslagen, gediscrimineerd en in een rivier is gegooid. Nadat het eiser wel was gelukt Kroatië binnen te komen zijn zijn vingerafdrukken onder druk afgenomen is hij gekleineerd, kreeg hij geen tolk en er is geen asielprocedure gestart, maar eiser is aangezegd dat hij Kroatië moest verlaten. Door deze bijzondere individuele omstandigheden getuigt een overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid. De behandeling van de asielaanvraag in Nederland zou daarom op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in de rede liggen, aldus eiser.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor behandeling van de asielaanvraag gaat de staatssecretaris uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat is het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en het Handvest van de Europese Unie (Handvest). Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening eerst sprake zijn indien sprake is van een ernstig risico dat de tekortkomingen resulteren in een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. In dit kader moeten de tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
6.1.
Zoals ook eiser aangeeft heeft de Afdeling op 13 september 2023 geoordeeld dat de staatssecretaris ten aanzien van Kroatië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit omdat vreemdelingen die illegaal het land binnenkomen te maken kunnen hebben met pushbacks, maar niet is gebleken dat Dublinclaimanten te vrezen hebben voor pushbacks. Volgens de Afdeling heeft de staatssecretaris met het door hem ingestelde onderzoek de twijfel over de vraag of voor Kroatië uitgegaan mag worden van het interstatelijke vertrouwensbeginsel weggenomen en de Afdeling heeft de informatie van de Kroatische autoriteiten beschouwd als een uitdrukkelijke bevestiging dat zij Dublinclaimanten zullen opnemen in de nationale asielprocedure, al dan niet na het opnieuw indienen van een verzoek om internationale bescherming. Dit oordeel heeft de Afdeling herhaald in recente uitspraken.
6.2.
In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om van het oordeel van de Afdeling af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat Kroatië in zijn geval de verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Eiser heeft niet uitgelegd waarom hij als Dublinterugkeerder een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling bij overdracht aan Kroatië. De verwijzing naar een artikel van een Belgische nieuwssite en een artikel van Amnesty International is daarvoor onvoldoende. Dit temeer nu deze artikelen de situatie van vóór de uitspraak van de Afdeling beschrijven en niet zien op Dublinclaimanten. Verder heeft de staatssecretaris, ten aanzien van het betoog van eiser dat hij onder dwang vingerafdrukken in Kroatië moest afstaan, terecht gesteld dat dit niet maakt dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Lidstaten zijn namelijk verplicht om vreemdelingen die illegaal het grondgebied van de lidstaten binnenkomen te registreren.
7. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat de Kroatische autoriteiten bij de behandeling van asielaanvragen hun verdragsverplichtingen en verplichtingen die voortvloeien uit de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van het asielrecht zullen naleven. Als eiser problemen ervaart met toegang tot de asielprocedure of indien hij andere problemen ervaart, dient hij zich daarover te beklagen bij de daartoe geëigende instanties in Kroatië, dan wel bij de (hogere) Kroatische autoriteiten. De stelling van eiser dat hij niet kan klagen bij de Kroatische autoriteiten gelet op de taalbarrière en informatiegebrek is onvoldoende om aan te nemen dat dat niet mogelijk is. Niet is gebleken dat klagen voor eiser onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. De staatssecretaris heeft zich daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat Kroatië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser.
Persoonlijk omstandigheden waardoor overdracht van onevenredige hardheid getuigt
8. De staatssecretaris kan een verzoek om internationale bescherming onverplicht inhoudelijk in behandeling nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Dat is een discretionaire bevoegdheid.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
Jawo ECLI:EU:C:2019:218, punt 91-93.
Zie de uitspraak de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2023:3411.
Zie onder meer de uitspraken van 2 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1, en 19 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:177.