Rechtspraak
Raad van State
2020-02-04
ECLI:NL:RVS:2020:339
Bestuursrecht
911 tokens
Dictum
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2019 in zaken nrs. 17/6266,6270,6271,6273,6276,6321 in het geding tussen:
Stichting Greenpeace Nederland, gevestigd te Amsterdam,
en
de minister.
Procesverloop
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2019 in zaken nrs. 17/6266,6270,6271,6273,6276,6321.
De minister heeft een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van de zwart gemaakte onderdelen van deze stukken.
Overwegingen
1. Bij uitspraak van 9 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:43, heeft de Afdeling een eerder verzoek van de minister om beperking van de kennisneming van 22 door hem overgelegde documenten afgewezen. Dat verzoek betrof niet slechts bepaalde zwart gemaakte onderdelen van die documenten, maar de documenten in hun geheel. De Afdeling was van oordeel dat weliswaar sommige van de documenten bedrijfsvertrouwelijke informatie bevatten die voor beperking van de kennisneming in aanmerking komt, maar dat geen gewichtige redenen bestaan voor beperking van de kennisneming van die volledige documenten. De Afdeling heeft daarom verzocht aan haar en Greenpeace nieuwe exemplaren van de documenten toe te sturen, die met inachtneming van haar uitspraak zijn geschoond.
2. Bij brief van 20 januari 2020 heeft de minister naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2020 een nieuw verzoek om beperking van de kennisneming gedaan. Dit verzoek heeft nog slechts betrekking op negen van de 22 documenten waarop het eerdere verzoek betrekking had. Bovendien betreft het verzoek uitsluitend de in deze documenten zwart gemaakte onderdelen.
3. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
4. De Afdeling heeft kennis genomen van de geschoonde en de ongeschoonde versies van de negen documenten waarop het verzoek betrekking heeft. Zij stelt vast dat het weglakken van onderdelen van de documenten heeft plaatsgevonden met inachtneming van haar eerdere uitspraak. De weglakkingen betreffen slechts een heel beperkt aantal onderdelen van die documenten; het gaat daarbij steeds om gegevens die kunnen worden aangemerkt als vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang van de betrokken bedrijven bij de vertrouwelijkheid van deze informatie zwaarder dan het belang dat partijen kennis nemen van de zwart gemaakte onderdelen van de negen documenten.
5. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperking van de kennisneming gerechtvaardigd.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.
w.g. Daalder w.g. Klein
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2020