Rechtspraak
Raad van State
2018-03-21
ECLI:NL:RVS:2018:951
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,647 tokens
Inleiding
201702180/1/A2.
Datum uitspraak: 21 maart 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. de Hervormde Gemeente Zwartebroek-Terschuur (hierna: de Hervormde Gemeente),
2. de Diaconie van de Hervormde Gemeente Zwartebroek-Terschuur (hierna: de Diaconie),
3. de Stichting Dwarsakker Zorg en Wonen, gevestigd te Zwartebroek (hierna: de stichting),
appellanten (hierna ook samen: de Hervormde Gemeente en andere),
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 februari 2017 in zaak nr. 16/4150 in het geding tussen:
de Hervormde Gemeente en andere
en
het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 4 februari 2016 heeft het college aan onderscheidenlijk [partij A] en [partij B] en aan [partij C] en [partij D] een tegemoetkoming in planschade toegekend van onderscheidenlijk € 14.500,00 en € 13.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente.
Bij besluit van 6 juni 2016 heeft het college het door de Hervormde Gemeente en de Diaconie daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 februari 2017 heeft de rechtbank het beroep daartegen, voor zover ingesteld door de stichting, niet-ontvankelijk verklaard en het beroep, voor zover ingesteld door de Hervormde Gemeente en de Diaconie, gegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank het besluit van 6 juni 2016 vernietigd, het bezwaar van de Hervormde Gemeente en de Diaconie tegen de besluiten van 4 februari 2016 alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de Hervormde Gemeente en andere hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2018, waar de Hervormde Gemeente en andere, vertegenwoordigd door mr. J. van den Brink, advocaat te Hardinxveld-Giessendam, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Dankers, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De gemeente Barneveld en de stichting hebben op 18 januari 2014 een exploitatieovereenkomst gesloten over de ontwikkeling van woningbouw op een nader aangeduid gebied in Zwartebroek. In die overeenkomst is bepaald dat de door het college toegekende tegemoetkomingen in planschade die betrekking hebben op het projectgebied voor rekening en risico van de stichting komen. De gemeenteraad heeft woningbouw in dit gebied mogelijk gemaakt door de vaststelling van het bestemmingsplan "Dwarsakker".
[partij A] en [partij C] hebben het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade die zij stellen te lijden ten gevolge van dat bestemmingsplan. Bij besluiten van 4 februari 2016 heeft het college hen elk tegemoetkomingen in planschade toegekend van onderscheidenlijk € 14.500,00 en € 13.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente.
Het college heeft het door de Hervormde Gemeente en de Diaconie tegen de besluiten van 4 februari 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Daartegen hebben de Hervormde Gemeente, de Diaconie en de stichting beroep ingesteld bij de rechtbank.
Aangevallen uitspraak
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het door de Hervormde Gemeente en de Diaconie gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 4 februari 2016 niet aan de stichting kan worden toegerekend omdat de belangen van de stichting niet met de belangen van de Hervormde Gemeente en de Diaconie kunnen worden vereenzelvigd. Gelet hierop en omdat aan de stichting redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen die besluiten, heeft de rechtbank het beroep, voor zover ingesteld door de stichting, niet-ontvankelijk verklaard.
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de Hervormde Gemeente en de Diaconie niet als belanghebbenden bij de door hen in bezwaar bestreden besluiten van 4 februari 2016 kunnen worden aangemerkt. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het college het bezwaar van de Hervormde Gemeente en de Diaconie niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft om die reden het beroep, voor zover ingesteld door de Hervormde Gemeente en de Diaconie, gegrond verklaard en het besluit van 6 juni 2016 vernietigd. Tevens heeft de rechtbank, zelf in de zaak voorziend, hun bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Hoger beroep
-niet-ontvankelijk verklaring van het beroep van de stichting
3. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de belangen van de stichting niet kunnen worden vereenzelvigd met de belangen van de Hervormde Gemeente en de Diaconie. Zij verwijst naar uitspraken van de Afdeling van 13 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1943), 8 juni 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AN6707, AB 2001/217) en 18 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:837). Volgens de stichting is de verhouding tussen enerzijds de Hervormde Gemeente en de Diaconie en anderzijds de stichting vergelijkbaar met die van de directeur/enig aandeelhouder en diens besloten vennootschap. Zij voert daartoe aan dat volgens de statuten de stichting zich alleen ten doel stelt de Hervormde Gemeente en de Diaconie financieel te ondersteunen en haar bestuur alleen bestaat uit vertegenwoordigers uit de Hervormde Gemeente en de Diaconie. Voorts voert zij aan dat de Hervormde Gemeente en de Diaconie een risicodragende inleg in de stichting hebben gedaan. De omvang van de tegemoetkomingen in planschade die de stichting aan de gemeente Barneveld moet afdragen, zal direct en onverdeeld haar weerslag vinden in de omvang van de opbrengsten die uitsluitend aan de Hervormde Gemeente en de Diaconie ten goede zullen komen. Tot slot heeft de stichting ter zitting aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AO9213), dat het college er bekend mee was dat de belangen van de stichting en die van de Hervormde Gemeente en de Diaconie identiek waren. De gemachtigde, Laseur Projectontwikkeling, heeft per vergissing geen bezwaar gemaakt namens de stichting, terwijl het voor het college duidelijk was dat dat wel de bedoeling was.
3.1. Vaststaat dat de stichting geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 4 februari 2016 en de Hervormde Gemeente en de Diaconie dat wel hebben gedaan. Voor het kunnen toerekenen van het bezwaar van de Hervormde Gemeente en de Diaconie aan de stichting is slechts ruimte, indien de stichting en de Hervormde Gemeente en de Diaconie met elkaar vereenzelvigd kunnen worden. Hiervan is alleen sprake wanneer vaststaat dat de belangen van de één identiek zijn aan de belangen van de ander en daarover voor andere betrokkenen in het rechtsverkeer geen enkele onduidelijkheid of onzekerheid kan hebben bestaan.
3.2. Anders dan de stichting betoogt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het door de Hervormde Gemeente en de Diaconie gemaakte bezwaar niet aan de stichting kan worden toegerekend, omdat de belangen van de stichting niet kunnen worden vereenzelvigd met de belangen van de Hervormde Gemeente en de Diaconie. De stichting is een zelfstandige rechtspersoon met een eigen afgescheiden vermogen en wordt gefinancierd door externe partijen. Dat de stichting zich op grond van haar statuten ten doel stelt de Hervormde Gemeente en de Diaconie financieel te ondersteunen door middel van het exploiteren van nieuwbouwprojecten en dat haar bestuur alleen bestaat uit vertegenwoordigers uit de Hervormde Gemeente en de Diaconie, maakt niet dat de belangen van de stichting identiek zijn aan die van de Hervormde Gemeente en de Diaconie. De door de stichting aangehaalde uitspraken leiden niet tot een ander oordeel, reeds omdat het in dit geval gaat om de belangen van drie afzonderlijke rechtspersonen. Het betoog van de stichting dat het college ermee bekend was dat de belangen van de stichting en die van de Hervormde Gemeente en de Diaconie identiek zijn, faalt reeds omdat niet is komen vast te staan dat die belangen identiek zijn. Hieraan doet niet af dat, naar de stichting stelt, Laseur Projectontwikkeling per vergissing geen bezwaar namens de stichting heeft gemaakt. De door haar in dit verband aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2004 kan haar niet baten nu in die zaak is geoordeeld dat de belangen van de directeur/enig aandeelhouder en die van de B.V. onder de in die uitspraak aan de orde zijnde specifieke omstandigheden met elkaar vereenzelvigd kunnen worden. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde.
Het betoog faalt.
4. De stichting betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de stichting redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 4 februari 2016. Laseur Projectontwikkeling, die namens de Hervormde Gemeente en de Diaconie bezwaar heeft gemaakt tegen die besluiten, heeft zich daarbij laten leiden door het door het college overgenomen advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) waarin de Hervormde Gemeente en de Diaconie als belanghebbenden zijn genoemd. Daarbij komt dat het college het verzoek om de toegekende tegemoetkomingen in planschade aan de gemeente Barneveld te betalen, heeft gericht aan Laseur Projectontwikkeling waarbij de stichting niet is genoemd. Dat de brief van het college van 3 maart 2015 over de ontvangst van de aanvragen om een tegemoetkoming in planschade aan de stichting is geadresseerd, maakt dat niet anders, gelet op de hogere frequentie en de veel meer recente data van de vermeldingen van de Hervormde Gemeente en de Diaconie als belanghebbenden. Volgens de stichting kan haar redelijkerwijs niet worden verweten dat namens haar geen bezwaar is gemaakt.
4.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de stichting geen beroep bij de rechtbank kan instellen als aan de stichting redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.
w.g. Van Altena w.g. Jansen
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018
609.