Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-21
ECLI:NL:RBZWB:2026:3262
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,770 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3262 text/xml public 2026-04-28T13:29:30 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-21 BRE 25/6605 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3262 text/html public 2026-04-28T13:29:19 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3262 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-04-2026 / BRE 25/6605 Verzet hoogte dwangsom inzake beroep niet tijdig nemen van een besluit in het kader van de Wht. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/6605 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 op het verzet van [opposant] , uit [plaats] , opposant (gemachtigde: mr. M. Akça-Altun), tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2026 in het geding tussen opposant (gemachtigde: mr. M. Akça-Altun) en Dienst Toeslagen, verweerder Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant – dat hij had ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) – gegrond heeft verklaard. [opposant] is het niet eens met de hoogte van de door de rechtbank aan verweerder opgelegde dwangsom. 1.1. [opposant] heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. Beoordeling door de rechtbank van het verzet 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet kennelijk ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De uitspraak van 3 maart 2026 3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht. 3.1. Niet in geschil is dat het beroep gegrond is. [opposant] richt zich met zijn verzetsgrond tegen het nevendictum betreffende de hoogte van de rechterlijke dwangsom. In de uitspraak van 3 maart 2026 is geoordeeld dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de opgelegde beslistermijn wordt overschreden door verweerder, met een maximum van € 15.000,-. [opposant] voert aan dat het een tweede beroep niet tijdig beslissen betreft en dat er in het beroepschrift een hogere dwangsom is verzocht. Hierbij legt opposant uit dat bij een tweede beroep niet tijdig beslissen doorgaans een dwangsom van € 250,- per dag wordt opgelegd met een maximum van € 37.500,-. 3.2. De rechtbank overweegt dat er voor beroepen op het niet tijdig nemen van een besluit in het kader van de Wht andere uitgangspunten zijn vastgesteld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025, waarna in een uitspraak van 5 november 2025 van deze rechtbank is bepaald dat voor besluiten op aanvragen om compensatie voor de werkelijke schade aansluiting gezocht moet worden bij deze lijn. Die lijn houdt, kort gezegd, in dat in dit soort zaken een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, met daaraan gekoppeld een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet tijdig nemen van een besluit. Pas wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending al voorbij is, legt de rechtbank de hogere dwangsom op van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. 3.3. De nadere beslistermijn van 60 weken was op het moment van verzending van de uitspraak van 3 maart 2026 niet voorbij. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een af te wijken van de hiervoor vermelde uitgangspunten. 3.4. Deze verzetsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 4. Het verzet is kennelijk ongegrond. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 3 maart 2026. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. 4.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet kennelijk ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 21 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open. Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. ECLI:NL:RBZWB:2025:9223. ECLI:NL:RVS:2025:1301. ECLI:NL:RBZWB:2025:7577.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3262 text/xml public 2026-04-28T13:29:30 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-21 BRE 25/6605 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3262 text/html public 2026-04-28T13:29:19 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3262 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-04-2026 / BRE 25/6605 Verzet hoogte dwangsom inzake beroep niet tijdig nemen van een besluit in het kader van de Wht. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/6605 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 op het verzet van [opposant] , uit [plaats] , opposant (gemachtigde: mr. M. Akça-Altun), tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2026 in het geding tussen opposant (gemachtigde: mr. M. Akça-Altun) en Dienst Toeslagen, verweerder Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant – dat hij had ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) – gegrond heeft verklaard. [opposant] is het niet eens met de hoogte van de door de rechtbank aan verweerder opgelegde dwangsom. 1.1. [opposant] heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. Beoordeling door de rechtbank van het verzet 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet kennelijk ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De uitspraak van 3 maart 2026 3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht. 3.1. Niet in geschil is dat het beroep gegrond is. [opposant] richt zich met zijn verzetsgrond tegen het nevendictum betreffende de hoogte van de rechterlijke dwangsom. In de uitspraak van 3 maart 2026 is geoordeeld dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de opgelegde beslistermijn wordt overschreden door verweerder, met een maximum van € 15.000,-. [opposant] voert aan dat het een tweede beroep niet tijdig beslissen betreft en dat er in het beroepschrift een hogere dwangsom is verzocht. Hierbij legt opposant uit dat bij een tweede beroep niet tijdig beslissen doorgaans een dwangsom van € 250,- per dag wordt opgelegd met een maximum van € 37.500,-. 3.2. De rechtbank overweegt dat er voor beroepen op het niet tijdig nemen van een besluit in het kader van de Wht andere uitgangspunten zijn vastgesteld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025, waarna in een uitspraak van 5 november 2025 van deze rechtbank is bepaald dat voor besluiten op aanvragen om compensatie voor de werkelijke schade aansluiting gezocht moet worden bij deze lijn. Die lijn houdt, kort gezegd, in dat in dit soort zaken een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, met daaraan gekoppeld een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet tijdig nemen van een besluit. Pas wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending al voorbij is, legt de rechtbank de hogere dwangsom op van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. 3.3. De nadere beslistermijn van 60 weken was op het moment van verzending van de uitspraak van 3 maart 2026 niet voorbij. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een af te wijken van de hiervoor vermelde uitgangspunten. 3.4. Deze verzetsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 4. Het verzet is kennelijk ongegrond. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 3 maart 2026. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. 4.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet kennelijk ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 21 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open. Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. ECLI:NL:RBZWB:2025:9223. ECLI:NL:RVS:2025:1301. ECLI:NL:RBZWB:2025:7577.