Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:2376
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,827 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2376 text/xml public 2026-04-14T09:43:50 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-27 BRE 26/657 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2376 text/html public 2026-04-14T09:43:39 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2376 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-03-2026 / BRE 26/657 NTB KINDER RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/657 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, (gemachtigde: mr. M. Akça-Altun), en Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek (aanvraag) van 25 november 2024 om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 25 november 2024. Verweerder moet binnen zes maanden beslissen op de aanvraag en kan deze termijn eenmalig met maximaal zes maanden verlengen. Verweerder heeft de termijn met zes maanden verlengd. Verweerder had dus uiterlijk op 25 november 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 5 december 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 9 december 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd? 4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. 4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. In het verweerschrift verzoekt verweerder primair om, naar analogie met de bepaalde beslistermijn in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025 en subsidiair om in navolging van de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 juli 2025 , de beslistermijn te bepalen op 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag om compensatie voor de werkelijke schade is verstreken. 4.3 Een meervoudige kamer van dezerechtbank heeft op 8 oktober 2025 een zaak op zitting behandeld waarin verweerder ook niet op tijd heeft beslist op een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wht. De rechtbank heeft op 5 november 2025 uitspraak gedaan in deze zaak en bepaald dat de lijn die in die uitspraak is uitgezet, geldt voor alle uitspraken die vanaf dat moment worden gedaan in (opvolgende) beroepen over het niet op tijd nemen van een besluit op een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade door verweerder in het kader Wht. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van deze uitspraak. De lijn van deze rechtbank komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na de datum van het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van (maximaal) 52 weken. Dit geldt zowel bij eerste als bij opvolgende beroepen. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. 4.4 Verweerder heeft gevraagd om te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt en er geen dwangsom verschuldigd is gedurende de periode dat ouders, na indiening van hun aanvraag, (1) bedenktijd krijgen om te bepalen of zij kiezen voor een alternatief traject dat kan leiden tot een vaststellingsovereenkomst en (2) hebben verzocht of zijn opgenomen in een dergelijk alternatief traject en daarmee niet meer in de wachtrij staan voor afhandeling van hun schade bij de commissie werkelijke schade. 4.5 De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. Het zich beraden over of beproeven van een minnelijke regeling hangende de behandeling van een aanvraag brengt niet mee dat ouders niet meer in afwachting zijn van een besluit op die aanvraag. Dat kan anders zijn indien partijen dit anders regelen of afspreken. Indien daarvan sprake is, ligt het op de weg van beide partijen om in het beroepschrift of verweerschrift van een concrete zaak daarvan melding te maken en duidelijk te vermelden over welke periode de beslistermijn niet loopt. De rechtbank zal in een dergelijke zaak dan beoordelen of er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn op grond waarvan de beslistermijn een bepaalde periode niet heeft gelopen of loopt. 4.6 De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 25 november 2025 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 19 januari 2027 alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen. Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast? 6. Eiser heeft verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. 6.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder de bestuurlijke dwangsom juist heeft vastgesteld, op het maximale bedrag van € 1.442,-, in zijn dwangsombeschikking van 6 februari 2026. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.6. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 7.1. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2376 text/xml public 2026-04-14T09:43:50 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-27 BRE 26/657 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2376 text/html public 2026-04-14T09:43:39 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2376 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-03-2026 / BRE 26/657 NTB KINDER RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/657 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, (gemachtigde: mr. M. Akça-Altun), en Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek (aanvraag) van 25 november 2024 om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 25 november 2024. Verweerder moet binnen zes maanden beslissen op de aanvraag en kan deze termijn eenmalig met maximaal zes maanden verlengen. Verweerder heeft de termijn met zes maanden verlengd. Verweerder had dus uiterlijk op 25 november 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 5 december 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 9 december 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd? 4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. 4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. In het verweerschrift verzoekt verweerder primair om, naar analogie met de bepaalde beslistermijn in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025 en subsidiair om in navolging van de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 juli 2025 , de beslistermijn te bepalen op 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag om compensatie voor de werkelijke schade is verstreken. 4.3 Een meervoudige kamer van dezerechtbank heeft op 8 oktober 2025 een zaak op zitting behandeld waarin verweerder ook niet op tijd heeft beslist op een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wht. De rechtbank heeft op 5 november 2025 uitspraak gedaan in deze zaak en bepaald dat de lijn die in die uitspraak is uitgezet, geldt voor alle uitspraken die vanaf dat moment worden gedaan in (opvolgende) beroepen over het niet op tijd nemen van een besluit op een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade door verweerder in het kader Wht. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van deze uitspraak. De lijn van deze rechtbank komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na de datum van het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van (maximaal) 52 weken. Dit geldt zowel bij eerste als bij opvolgende beroepen. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. 4.4 Verweerder heeft gevraagd om te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt en er geen dwangsom verschuldigd is gedurende de periode dat ouders, na indiening van hun aanvraag, (1) bedenktijd krijgen om te bepalen of zij kiezen voor een alternatief traject dat kan leiden tot een vaststellingsovereenkomst en (2) hebben verzocht of zijn opgenomen in een dergelijk alternatief traject en daarmee niet meer in de wachtrij staan voor afhandeling van hun schade bij de commissie werkelijke schade. 4.5 De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. Het zich beraden over of beproeven van een minnelijke regeling hangende de behandeling van een aanvraag brengt niet mee dat ouders niet meer in afwachting zijn van een besluit op die aanvraag. Dat kan anders zijn indien partijen dit anders regelen of afspreken. Indien daarvan sprake is, ligt het op de weg van beide partijen om in het beroepschrift of verweerschrift van een concrete zaak daarvan melding te maken en duidelijk te vermelden over welke periode de beslistermijn niet loopt. De rechtbank zal in een dergelijke zaak dan beoordelen of er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn op grond waarvan de beslistermijn een bepaalde periode niet heeft gelopen of loopt. 4.6 De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 25 november 2025 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 19 januari 2027 alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen. Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast? 6. Eiser heeft verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. 6.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder de bestuurlijke dwangsom juist heeft vastgesteld, op het maximale bedrag van € 1.442,-, in zijn dwangsombeschikking van 6 februari 2026. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.6. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 7.1. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.