Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-01
ECLI:NL:RBZWB:2026:2481
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2481 text/xml public 2026-04-09T09:00:21 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-01 BRE - 23 _ 2317 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2481 text/html public 2026-04-08T13:42:21 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2481 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 01-04-2026 / BRE - 23 _ 2317 Bpm RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/2317 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 maart 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.278 aan verschuldigde Bpm. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende heeft op 17 februari 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Nissan 370Z met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.226. 3.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. 3.2. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 7.869 bedraagt en recht bestaat op een extra leeftijdskorting van € 365 en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd. Overwegingen 4. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende als belastingplichtige moet worden aangemerkt. Verder is in geschil of meer waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen dan de inspecteur heeft gedaan en of binnen de taxatiemethode de schuifjes van de koerslijst Eurotax kunnen worden gebruikt. Belastingplichtige 4.1. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende aangevoerd dat hij niet degene is geweest die de aanvraag voor de inschrijving in het kentekenregister heeft gedaan maar autobedrijf [bedrijf] , waarvan hij vennoot is. 4.2. De ter zake van de inschrijving niet op aangifte voldane belasting kan op de grond van artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) worden nageheven. Ingevolge artikel 20, tweede lid van de AWR geschiedt deze naheffing bij wege van naheffingsaanslag. Deze naheffingsaanslag wordt opgelegd aan degene die, voor zover hier van belang, de belasting had behoren te betalen. 4.3. Aangaande de vraag wie deze belasting had behoren te betalen, bepaalt artikel 7 van de Wet BPM (tekst 2021) dat indien de aanvraag voor de opgave van een kenteken geschiedt door een ander dan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, in afwijking van artikel 19, derde lid, van de AWR, die ander gehouden is de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. In de memorie van toelichting is daarover het volgende opgemerkt: “De naheffingsaanslag wordt opgelegd aan degene die de belasting had behoren te betalen (…). Betreft het de belasting verschuldigd ter zake van registratie, dan wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin de belastingplichtige om opgave van een kenteken heeft verzocht en die waarin dat een ander is (bij voorbeeld de importeur). In beide gevallen wordt de naheffingsaanslag opgelegd aan degene die de belasting, die op aangifte had moeten worden voldaan, niet heeft betaald. In het eerste geval is dit de belastingplichtige. In het tweede geval is dit een ander dan de belastingplichtige, namelijk degene die om opgave van het kenteken heeft verzocht. Dat is degene die de belasting had moeten voldoen en deze is ervoor verantwoordelijk dat de belasting niet is betaald (…).” 4.4. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de aangifte Bpm door belanghebbende is ingediend, dat hij daarin heeft vermeld dat hij het kenteken voor zichzelf heeft aangevraagd en de aangifte door hem als particulier is gedaan. Vast staat ook dat belanghebbende de opdracht heeft gegeven tot de expertise. Uit de aankoopfactuur van 11 augustus 2020 blijkt dat belanghebbende de auto op zijn naam in Duitsland heeft gekocht. Nergens blijkt uit dat de [bedrijf] betrokken is geweest bij de registratie. De omstandigheid dat de auto vervolgens aan de bedrijfsvoorraad is toegevoegd, is niet relevant voor de belastingheffing. Aannemelijk is daarom dat de registratie van de auto heeft plaatsgevonden door belanghebbende in privé zodat de belasting ter zake van de registratie van belanghebbende kan worden nageheven. 4.5. Voor dat geval heeft belanghebbende gesteld dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd omdat de auto meer schade heeft dan in aanmerking is genomen door de inspecteur Waardevermindering wegens schade 4.6. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 26.038 en daarvan € 20.830 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De hertaxateur van DRZ heeft € 14.168 aan schade geconstateerd en daarvan € 10.200 (72%) als waardevermindering in aanmerking genomen. 4.7. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer schade dan reeds door de inspecteur in aanmerking is genomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds vijf jaar oud was en 48.747 kilometer had gereden. Ook de staat van de velgen is niet zodanig dat sprake van meer dan normale gebruiksschade. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. Koerslijst Eurotax 4.8. Belanghebbende heeft nog gesteld dat binnen de taxatiemethode de schuifjes van Eurotax kunnen worden toegepast. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst belanghebbende naar zeven voorbeelden waaruit volgens belanghebbende blijkt dat de inspecteur de koerslijst Eurotax met correctiefactoren aanvaardt en ambtshalve toepast. Ter zitting heeft de gemachtigde gesteld in dit kader een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel. 4.9. Gelet op de inmiddels door de koerslijstprovider gehanteerde disclaimer is de rechtbank van oordeel dat thans niet meer van een aftrek “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” kan worden uitgegaan zonder daarvoor een onderbouwing voor het individuele geval te geven. Een dergelijke onderbouwing is door belanghebbende niet gegeven. Belanghebbende maakt, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, ook niet aannemelijk dat sprake is van intern beleid om de schuifjes ambtshalve toe te passen. Het daarover ingenomen kennisgroepstandpunt wijst juist op het tegendeel.
Volledig
De omstandigheid dat in een individueel geval wel een correctie van 15% wordt toegepast, maakt niet dat in het geval van belanghebbende sprake is van willekeur door geen correctie van 15% voor de auto toe te passen. Aan een individueel geval kan belanghebbende ook geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen. Dit geldt temeer omdat het in de taxatiemethode gaat om de waardering van de individuele auto. De taxateur van belanghebbende heeft ook geen aanleiding gezien om met de hiervoor genoemde factoren rekening te houden. De rechtbank ziet geen aanleiding in dit geval een correctie toe te passen. De naheffingsaanslag is tot het juiste bedrag opgelegd. Immateriële schadevergoeding 4.10. Belanghebbende heeft op 5 februari 2026 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 4.11. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 5 juli 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 1 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 21 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. 4.12. Omdat de bezwaarfase afgerond 9 maanden heeft geduurd en daarmee 3 maanden te lang, komt € 285 (3/21e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.715) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000. 5.1. Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden. 5.2. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 . Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 285; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.715; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende; - veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier. De griffier is verhinderd te tekenen. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Kamerstukken II 1992/93, 22 868, nr. 3, blz. 17. KG:013:2022:6. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2. Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.